Hij groeide als puber op in een Brabants pleegezin, ver weg van zijn geboortestad Amsterdam. ‘En nog veel verder van Paramaribo,’ stelt Sergio Vyent in zijn boek Het land van Onverwagt. Enkele dagen na de boekpresentatie in de OBA aan het Oosterdok treffen we elkaar in Café Cook in de Mercatorbuurt. Voorzien van koffie en thee ondernemen we een denkbeeldige wandeling langs de adressen uit zijn turbulente kinderjaren in Amsterdam, waar hij in 1970 werd geboren in het Onze Lieve Vrouwengasthuis aan het Oosterpark.

Vyent is trots op zijn tweede boek, waarin hij beschrijft hoe hij tijdens het regelen van de uitvaart van zijn biologische moeder in Suriname niet alleen kennismaakt met verre familieleden, maar ook leert hoe de complexe koloniale geschiedenis van het land is verweven met die van zijn voorouders.

‘Ik ben begonnen de band met mijn familieverleden te omarmen. Ik stam af van zowel slaafgemaakten als Portugees Joodse plantagehouders. Dat toont maar weer eens aan wat voor gedeeld verleden we met elkaar hebben. Het gaat mij niet om de schuldvraag, maar moeten niet ontkennen dat er verschrikkelijke dingen zijn gebeurd. Die links of rechtsom effect op onze levens hebben. We moeten onze geschiedenis kennen, om onze toekomst te kunnen vormgeven.’
En dus wil hij nu wat aan het land van zijn voorouders teruggeven. Dat is best bijzonder voor iemand voor wie Suriname tot voorheen een ver onbekend land was. ‘Niet uit onverschilligheid of zo, maar ik was daar nooit zo mee bezig. Voelde me altijd meer een Amsterdammer dan Surinamer.’ Hij had ook geen ouders thuis die trots vertelden over hun jeugdjaren in Suriname. Of familieverjaardagen met volle tafels bojo, pom of andere Surinaamse feestgerechten. ‘Ik heb oer-Hollandse vrienden hier in Amsterdam die lyrisch zijn over de roti van De Hapjeshoek in metrostation Waterlooplein of dwepen met Surinaamse Ajacieden. Ik heb dat nooit gehad.’

Sergio Gilberto is het tweede kind van de 21-jarige kantoorbediende Frank Maria Vyent en de vier jaar jongere verkoopster Marita Georgetina Lie-Atjam. ‘Mijn moeder was zelf een kind nog.’ Een jaar eerder was zus Eartha geboren, die in 2020 is overleden.
Het is geen gelukkig huwelijk, zijn vader verdwijnt na de geboorte al uit beeld. Vanaf zijn tweede levensjaar verhuist de kleine Sergio heen een weer van zijn moeders woning aan de Insulindeweg naar kindertehuis Amstelstad aan de Fred. Roeskestraat in Amsterdam-Zuid. Dit in 1968 door prinses Beatrix geopende hulpverleningscentrum voor kinderen kwam voort uit het 17de-euwse Rooms-katholieke Jongensweeshuis aan de Lauriergracht.

Weet je waarom je in Amstelstad terecht bent gekomen?
‘Dat is een vraag die me bezighoudt, als zoon en vader. Wist mijn moeder zich geen raad met het opvoeden van twee kinderen, was ze te druk met haar muzikale carrière als achtergrondzangeres of was de uithuisplaatsing voor haar besloten? Ik kan me niet voorstellen hoe het moet zijn om een van je eigen kinderen bij de deur van een kindertehuis af te zetten.’
Wat hij zich nog wel herinnert is de keer dat hij met twee oudere jongen is weggelopen uit de Fred. Roeskestraat. ‘Dat klinkt heel stoer,’ lacht hij, ‘maar we zijn hoogstens een nacht weggebleven. En verder dan een bankje op het nabijgelegen Stadionplein zijn we niet gekomen. Toen ik daar laatst een visje haalde op markt moest ik er opeens aan die nacht denken. Zag ik ons opeens weer op dat bankje zitten, liedjes van André Hazes zingend.’
Het verblijf in Amstelstad is fijn. ‘Er werd goed voor ons gezorgd.’ En hij krijgt er geen slaag zoals thuis. ‘Waarschijnlijk wist mijn moeder gewoon niet hoe dat moest, kinderen opvoeden.’ Door het schipperen tussen twee adressen staat hij voortdurend in de overlevingsmodus. ‘Ik leefde heel erg in het hier en nu, de volgende dag kon alles weer anders zijn.’

De ochtenden dat hij ontwaakt aan de Fred. Roeskestraat wacht basisschool De Blauwe Reiger, op de dagen bij zijn moeder de Albert Schweitzerschool bij haar op de hoek. Het levert hem een zesde zintuig op. ‘Ik ben bij nieuwe ontmoetingen altijd beducht en alert op de non-verbale communicatie.’
Vaag kan hij zich nog een brand herinneren in de woning van zijn moeder. In zijn herinnering heeft hij de dagen daarna eindeloos op haar zitten wachten. Maar van Runny, rond de brand al haar ex-vriend, leerde hij dat ze hem diezelfde dag nog heeft teruggebracht naar Amstelstad. Het is deze Runny die hem met goedkeuring van zijn nieuwe partner onderdak aanbiedt in de Van Beuningenstraat, als zijn moeder de benen neemt naar de Verenigde Staten. Het is een nieuwe start met meer structuur. ‘Ik ging voetballen bij SDW, Sterk Door Wilskracht! Wij trapten bovenal keihard tegen schenen!’

Het nieuwe adres brengt ook weer een nieuwe basisschool: De Bron in Westerpark. Op een dag worden de leerlingen meegenomen naar de Zeedijk, destijds een heuse no-go area waar alles draait om heroïne. Passanten worden er beroofd voor een paar gulden. ‘Het was een soort van schoolreisje naar de zelfkant van de maatschappij. Te bizar voor woorden achteraf. Ik denk dat de school ons wilde waarschuwen, dat we als we niet ons best bleven doen daar later ook daar tussen de junkies zouden staan. Vergeet niet, ook de Staatsliedenbuurt was toen een ruige stadswijk met verpauperde woningen, een fanatieke kraakbeweging, drugsoverlast, jeugdbendes en meer narigheid.’

Met de komst van een baby in de Van Beuningenstraat is er voor 11-jarige Sergio geen plek meer in de krappe woning. Althans, dat maakt hij op als hem het nieuws wordt verteld. ‘Jaren later begreep ik van Runny dat hij dit nooit zo heeft gezegd. Kennelijk was dat mijn conclusie, had ik daar gewoon kunnen blijven.’ Sergio schakelt terug op overlevingsstand, ziet een terugkeer naar Amstelstad niet zitten, pakt zijn spullen en neemt de trein naar Eindhoven. Dat ligt volgens hem dichtbij Helmond , waar zijn zus in een gastgezin zit.
Uiteindelijk brengt de kinderbescherming hem onder bij het pleeggezin van Mien Visser in Waalre. ‘Een geweldige vrouw! Ik realiseerde me al snel dat Mien meer een moeder voor me was dan mijn moeder ooit was geweest. Ze heeft me vijf jaar in huis opgevangen, alsof ik een van haar eigen kinderen was. En ook mijn zus Eartha was welkom toen ze niet langer bij haar gastgezin kon blijven.’

In het warme Brabantse pleeggezin vindt hij rust, genegenheid en ontdekt hij zijn aanleg voor atletiek. Als lid van Atletiek Vereniging Valkenswaard wordt Sergio Vyent op 25 juli 1988 in Krommenie Nederlands jeugdkampioen verspringen met een sprong van 7 meter en 17 centimeter. Toevallig op dezelfde dag dat Amsterdammer Rinus Michels met het Nederlands Elftal in München Europees kampioen wordt, door de Sovjet te verslaan met 2-0. Na een bulderlach: ‘Het hele land vierde feest, stond op zijn kop voor mijn nationale titel! Maar die gouden medaille om mijn nek heeft me serieus veel zelfvertrouwen geschonken.’

Na Waalre, een studie in Sittard en horecawerk in Utrecht keert Sergio Vyent in 1999 terug naar Amsterdam. Als manager van de überhippe Supperclub in de Jonge Roelensteeg, waar bezoekers plaatsnemen op ligbedden – eerder voor de totaalervaring dan voor het eten. ‘We organiseerden de gekste dingen. Ik heb bijvoorbeeld een avond rondgelopen op hoge hakken en in een roze glitterjurk.’ Het uitventen van het concept in Singapore bleek geen succes. ‘De klanten daar zaten niet te wachten op entertainment, die wilden na de eerste gang direct het volgende gerecht.’
Als zijn oudtante Claudetta hem vanuit Suriname belt met het nieuws dat zijn moeder is overleden en vraagt of hij haar uitvaart wil regelen, twijfelt Sergio geen moment en pakt het vliegtuig. ‘Ik denk dat ik wilde laten zien: jij bent er in Amsterdam nooit voor mij geweest, maar ik ben er nu wel voor jou. Ondanks alles.’ Tijdens de uitvaart maakt hij kennis met zijn grote familie en leert hij meer over het familieverleden. Hij blijkt recht te hebben op grondbezit op de in 1863 bij de afschaffing van de slavernij door acht slaafgemaakten gekochte voormalige plantage Onverwagt. ‘Drie van hen droegen de naam Vyent.’

Je beschrijft in het boek ook hoe alleen al de ontmoeting met oom Appie je westerse blik heeft verruimd.
‘Op weg naar mijn stuk grond vroeg hij of we in Nederland ook een maan hadden, maar hij wist wel alle jungleplanten te benoemen. Op Onverwagt bleek niemand geïnteresseerd in de papierwinkel waarmee ik kon aantonen een Vyent te zijn. Nee, ik moest mijn schoenen uitdoen. Een blik op blote voeten volstond: ik had de voor Vyents kenmerkende grote smalle voeten! Ik heb nog geen idee wat ik met de grond wil gaan doen. Maar zoals eerder gezegd, wil ik wat aan het land teruggeven.’



WIE? SERGIO VYENT (Amsterdam, 1970)

Televisiepersoonlijkheid. Won in 1988 het Nederlands jeugdkampioenschap verspringen. Was manager bij de iconische Supperclub. Kreeg landelijk bekendheid als gastheer van het kijkcijferkanon First Dates. Debuteerde in 2021 met het boek De liefde volgens Sergio. Deze winter verscheen Het land van Onverwagt, over de zoektocht in Suriname naar zijn voorouders en roots.

Fotografie: Hans van den Boogaard