Op een witte racefiets komt hij aangefietst, Jiskefet-icoon Michiel Romeyn. In 1955 geboren tegenover de Oosterbegraafplaats en opgegroeid aan de Stadionweg in Amsterdam-Zuid. Maar daar trekken we vandaag niet door heen, die beladen buurt. Één groot monument, volgens Romeyn: ‘het is oorlogsgebied.’ Nog altijd voelt hij het als hij door Zuid fietst: alsof hij een natte koude dweil in zijn nek krijgt.  

Voor de architectuur van Plan Zuid heeft hij wel een zwak. Vooral de gedachte om mooiere huizen te bouwen voor de arbeiders. Zijn vader was architect, zo een die zichzelf het liefst als kunstenaar zag, zijn moeder was huisvrouw en dertig jaar (vrijwillig) archivaris in de bibliotheek van het Stedelijk Museum. 

Kutstudenten 
We treffen elkaar op de Berlagebrug, vlakbij zijn huis aan de Weesperzijde. ‘Wat wil je weten? Ik weet alles,’ begint hij om al snel over te gaan op zijn bewondering voor deze brug en eigenlijk de hele Amsterdamse school. ‘Wat zit er nou in dat torentje?’ Hij wijst naar een huis aan de overkant met een onmiskenbare Berlage-signatuur. Zijn fantasie slaat aan. ‘Misschien woont er een heel oud mannetje, een soort klokkenluider van de Notre Dame die alleen ’s nachts naar buiten komt om kindertjes te lokken.’  

Van onnodig uitweiden houdt Romeyn niet. Hij wil in beweging blijven en mij gekke plekken laten zien. We gaan aan de andere kant van de Amstel verder langs een jachthaven die vol ligt met kapitale schuiten. ‘Is je ook weleens opgevallen dat als boten elkaar passeren mensen naar elkaar schreeuwen. Heel vreemd, als een soort honden die uitgelaten worden. Vooral die studenten. Zo’n boot moet je meteen lekschieten. Toch? Rot op naar je eigen stad of dorp. Die kutstudenten. Zeker die corpsballetjes, die doen alsof de hele wereld van hun is.’ 

‘Mag dat er wel in?’ grijns ik. ‘Absoluut.’ 

We zijn op het voormalige terrein van de Zuidergasfabriek en stoppen even voor de oude directeurswoning, waar nu uitspanning Thuis aan de Amstel zit. ‘Hier woonde een kunstenaar die mijn ouders kenden. Die man had een Bentley. Dan mochten mijn broer en ik op de achterbank en reden we in zijn auto door Amsterdam. Achterin zat een notenhoutenkastje met cognac en whisky. Niet dat wij dat als kinderen kregen, maar het maakte enorme indruk.’

Russen en Chinezen

Als we de hoek omslaan, zien we een oude watertoren en verderop een rij opgeleverde huizen die regelrecht uit een folder lijken te komen. ‘Er wordt vaak zo slecht en hufterig gebouwd, maar dit gaat nog wel. Hier zit ook wat Spaans doorheen. Vind ik wel mooi. Als je in een prettige omgeving of huis woont, word je minder snel een klootzak. Of je bent het al natuurlijk.’

Of hij altijd mooi heeft gewoond, wil ik weten. ‘Nee, vandaar deze interesse. Maar ik woon nu op de mooiste plek van Amsterdam, de Weesperzijde. Dus ik ben wel gepromoveerd. Ik ben echt de Johan Cruyff van het wonen.’

We staren nog even naar de onbetaalbare nieuwe huizen en hij vertelt dat het rampzalig is wat er nu gebeurt in de stad. De hele sociale structuur is aan het veranderen. ‘Zelfs in West, rondom het Mercatorplein dat vroeger een no-go area was, wonen yuppen die met hun sloep over de Amstel varen. De kakkers hebben het overgenomen. Ik snap er geen reet van dat ze er niks aan doen dat Amerikanen, Russen en Chinezen de huizen hier opkopen.

En oude Amsterdammer kom je niet meer tegen. Ik speelde ze graag in Jiskefet. Bep van Mokum, daar moest ik zelf altijd erg om lachen. Dat is de Amsterdammer die niet meer bestaat en een soort cliché van zichzelf is geworden. Vooral die bruine Amsterdamse cafés die naar de kloten worden geholpen en worden verbouwd tot coffeeshop. Ik snap bij god niet dat die dingen niet beschermd worden.’

‘Voel je je nog wel thuis in Amsterdam?’

'Nee. Dat meen ik. Ik ken elk graspietje. Elke tegel. Maar de samenstelling van de bevolking is zo idioot. Als je in cafés bent waar ze alleen Engels praten. Ik verdom het.'

Bijlmerbajes

We fietsen naar het terrein van de voormalige Bijlmerbajes. De omgeving wordt steeds onwerkelijker. Bouwterrein, rafelrand en nieuw Amsterdam wisselen elkaar af. De term surrealisme valt vaker. Als we de Spaklerweg zijn overgestoken, stuiten we op een soort ruimtemobiel. Een zilveren skelter met klapperende vleugels die aan de krakkemikkigheid te zien zo op aarde is neergestort.

Een kunstwerk volgens Romeyn. 'Ik ben niet bewust op zoek naar surrealistische plekken. Het overkomt me vaak meer. Daar haal ik mijn inspiratie ook uit. Ik vind het wel fascinerend dat alles kan werken als een decor. Zo heb ik ook veel plekken voor Jiskefet ontdekt. Soms is het ook leuk om verkeerd te fietsen en te kijken waar je uitkomt. Soort hobby van me.'

Van de torens van de voormalige Bijlmerbajes is er nog maar één over. Het is een rommelig gebied en volgens de Amsterdammer ook een beladen plek. Niet in de laatste plaats omdat de Hells Angels hier in van die loodsachtige gebouwen hun oude clubhuis hadden. Krankzinnig vindt Romeyn het. ‘Vooral, omdat projectontwikkelaars bedacht hebben op zo’n lelijke plek dure villa’s neer te zetten. Sommige vind ik heel Belgisch qua bouwstijl. Ze moeten het “nieuw Angelplace” noemen. Ik denk dat hun demonen hier nog wel rondspoken.’

Omval

Er komt iemand voorbij zwemmen in een aftakking van de Amstel. ‘Doe eens normaal man!’ roept Romeyn hem na. Onze volgende stop is café de Omval, dat vroeger van Holleeder was, aldus mijn gids. ‘Het was gewoon een oude tent. Wie weet wordt het wel een Starbucks.’ Nu zit er een atelier met kleding van Petra de Jonge. Exclusieve damesmode en kleding op maat. ‘Kom, we gaan een deux-pièceje voor je uitzoeken bij Petra,’ lacht hij.

‘Dit is toch een surrealistische plek in Amsterdam? Het werd ooit heropend door een vriend van Maarten Spanjer en ik werd gevraagd om dat te doen als de witte neger Oboema. Ik stond op een verhoginkje naast burgemeester Patijn. Ik begon een enorm lulverhaal. Dat je je hier vroeger kon laten pijpen door Ria Valk voor 1 gulden. Patijn grinnikte wat. Het was ook zo’n keurige burgemeester. Toen begon ik over de Hells Angels.’

In plat Amsterdams. ‘”Dat zijn me ook een paar klootzakken zeg, die zitten gewoon een beetje Pietje Bell te spelen met behoud van hun uitkering. Wij die teringlijers maar sponsoren, burgemeester.” Vervolgens loop ik naar achteren en kijk als in een stripverhaal tegen acht van die motorlaarzen aan. Daar zaten vier Hells Angels, heavy types. Ik dacht nu is het gebeurd. Dit is het einde van Romeyn. Toen ik zat, lispelde Spanjer tegen me: “je hebt mazzel gehad Romeyn, ze zijn net pas binnen.”’

Mazzo
We zitten op een muurtje en kijken naar de graffiti aan de zijkant van een spoorbrug. We zien drie jonge figuren met spuitbussen en doorzichtige handschoentjes in de weer. Eentje doet een plastic schort aan. ‘Trut. Zeikerd,’ sputtert Romeyn. ‘Mensen zijn zo braaf geworden.’ We praten over de zompige jaren zeventig en de wilde jaren tachtig. ‘Toen de punktijd aanbrak, stroomde er een nieuwe energie door de stad.'

Samen met vrienden richtte hij in 1980 punkclub Mazzo op. De combinatie van muziek en art performance was nieuw en het werd een groot nachtelijk succes. Totdat de Angels en cocaïne roet in het eten gooiden. ‘Het was echt een plaag. Die motorgasten namen gewoon cafés over. Gingen ze achter de bar staan en zelf bier tappen.’

‘Wat ga je doen?’ vraag ik aan de jongen met plastic handschoentjes. ‘Ik ga mijn haar verven,’ roept hij. ‘Kom maar op. Wat kost het?’ vraagt Romeyn. ‘Drie euro.’ ‘Kan ik ook pinnen?’

‘Wat een lieve kinderen allemaal,’ zegt hij als we verder fietsen langs Amsteldorp. We passeren het naargeestige verzorgingshuis De Open Hof en stoppen bij een van de beste nieuwbouwhuizen van Amsterdam, volgens Romeyn: een witte flat op de hoek van de Pieter Zeemanstraat. ‘Ik vind dit zo’n goed gebouw. De bewoners verpesten het met die rotzooi op balkons. Maar het is zo mooi gemaakt. Licht, strak, heel fraai. Dit mag ook weleens gezegd worden. Anders denken ze dat ik alleen maar een vervelende zure zeikerd ben. Weet je zeker dat je mijn geboortehuis wilt zien?’

Pensionado

We rijden naar de Oosterbegraafplaats. Het eindpunt van de tour. Hier tegenover in de Ritzema Bosstraat is hij geboren. Op driehoog, in een laagbouwflat. 'Ik weet nog wel dat ik hier op het balkonnetje in een pot verf ben gaan staan. We verhuisden naar die vervelende Stadionbuurt toen ik een jaar of drie was.

Ik zei laatst tegen mijn vrouw Lily; ik word melancholisch. Dat je denkt er zit een einde aan het leven. Ik ben 66, een pensionado, Jezus man. Ik voel me nog steeds zeventien. Het laatste stuk gaat natuurlijk krakkemikkig. Dat vind ik geen leuk vooruitzicht. Fuck off. Zo’n bejaardentehuis. Dat ga ik helemaal niet doen. Ik ga gewoon door.’

En hij moet ook door, naar zijn volgende afspraak. ‘Zal ik het boek nog signeren? Heb je een pen? Wacht, ik moet even pissen in de bosjes. Niet kijken hoor.’

Route: Berlagebrug, Amstel, Spaklerweg, Solitudolaan, Daniel Goedkoopstraat, Hugo de Vrieslaan, Pieter Zeemanstraat, Darwinplantsoen, Ritzema Bosstraat