‘Ik ben een Amsterdammer,’ zegt Lucie Horsch stellig. ‘Waarom zou je ergens naar toe gaan lópen, als je er op de fiets sneller bent?’ En dus pakken we voor deze Vaste Route de fiets. Lucie is op alles voorbereid: een goeie regenjas, twee fietstassen met daarin een extra jas voor straks leuk op de foto en een tas vol blokfluiten. Want dat is haar missie: de blokfluit moet met regelmaat gepromoot worden. Voor je het weet is het weer dat kinderachtige instrument waarmee scholieren verplicht ‘in aanraking komen met muziek’.

Nou, de blokfluit kan zich geen betere ambassadeur wensen dan Lucie Horsch. Toen cabaretier Bas Hoeflaak met zijn ultra lullige liedje Ik ga zo lekker spelen op mijn fluit de lachers op zijn hand kreeg, plaatste Lucie meteen een filmpje op Tiktok waarin ze deadpan een blokfluit uit een doosje haalt en het geplaagde instrument vervolgens zo virtuoos bespeelt, dat je alleen nog maar met open mond kunt zitten toekijken.

We ontmoeten elkaar in café Gent aan de Schinkel, om de hoek van haar ouderlijk huis aan het Jacob Marisplein. Amsterdam-Zuid, maar niet echt ‘zuid-zuid’, vindt Lucie. Haar ouders kochten er lang geleden een arbeidershuisje in een rijtje. Inmiddels zijn hun buren in de straat veelal vermogende mensen die eerst het hele huisje een jaar uit hun voegen trekken, voordat ze er komen wonen. ‘Ik vind dat van weinig respect voor het verleden getuigen,’ zegt Lucie met gevoel voor understatement.

Ze komt net terug uit Japan, waar ze met haar familie was om vader Gregor, eerste cellist bij het Concertgebouworkest, en broer Caspar, violist in hetzelfde orkest, uit te zwaaien op hun tournee door Azië. In Tokyo ging Lucie meteen even langs bij haar favoriete blokfluitbouwer. ‘Over respect voor historie gesproken. Daar zijn Japanners meesters in,’ vindt ze. ‘De blokfluitbouwer, Seiji Hirao, durfde mijn Morgan nauwelijks aan te raken vanwege de immense heritage.’

Een fluit van de Australische fluitenbouwer Morgan is een gewild instrument onder fluitisten, omdat het een perfecte kopie is van een historisch exemplaar. Echt oude instrumenten zijn heel zeldzaam en vaak niet meer goed te bespelen. ‘Dat komt’, legt Lucie uit, ‘doordat een houten fluit eigenlijk permanent in verval is. Daarom moet je ook voortdurend op zoek naar nieuwe instrumenten en je favoriete fluiten sparen. Ik heb thuis denk ik wel vijftig verschillende fluiten.’

Tijd om op pad te gaan. We rijden dwars door het Vondelpark richting uitgang Koninginneweg. Deze vaste route fietste Lucie jarenlang minstens twee keer per dag, naar school en naar de muziekschool. Via de van Breestraat en de Wanningstraat komen we precies uit bij de artiesteningang van het Concertgebouw. Als klein meisje kreeg Lucie hier soms een appelsapje van de portier, als ze van school kwam en nog even moest wachten tot haar vader uit de repetitie kwam om samen naar huis te fietsen.

Ze is dol op het gebouw en vertelt niet zonder trots dat er bij de opening in 1888 twee zussen van haar overgrootvader meezongen in het koor. Een overgrootvader die zelf als kind trouwens nog bij Brahms op schoot heeft gezeten, maar dat was toeval en had niks met muzikale banden te maken. Lucie vindt de Kleine Zaal een van de fijnste plekken om te spelen. Ter wéreld, want ze komt al jaren in de mooiste concertzalen op alle continenten.

Ze reist meestal alleen en is daar helemaal aan gewend. Volgende week moet ze bijvoorbeeld naar Lucca in Italië, om als solist op te treden met een orkest. ‘Ik vind alleen reizen niet vervelend, maar ik hoop daar dan wel op een beetje gezellige mensen, die het leuk vinden om een keer uit eten te gaan.’

Door naar de Peetersschool in de Richard Holstraat. ‘Mijn ouders kozen voor deze typische Oud-Zuidschool, omdat ze er een aparte muziekdocent hadden. Dat snap ik, maar ik zou mijn kinderen later liever op een school doen met iets meer culturele diversiteit.’

Als 7-jarige gaf Lucie al regelmatig concerten vanuit de muziekschool: ‘Ik stond liever zelf op het podium dan dat ik het geduld had om te luisteren. Ik heb een soort trauma opgelopen, doordat ik te vroeg werd meegenomen naar een opera van Wagner. Ik was zes jaar en ik moest naar de wc, maar dat kon niet. Het is nooit echt goed gekomen tussen mij en Wagner. Pas vanaf mijn tiende of elfde jaar heb ik herinneringen aan echt geraakt worden door luisteren naar muziek.’

En door maar weer, de regenjas is niet voor niets meegenomen. We komen bij de muziekschool in de Bachstraat. Hier memoreert Lucie haar eerste fluitleraar: Rob Beek. Na vijftig jaar lesgeven aan de muziekschool, ging hij onlangs met pensioen. Lucie was een van de leerlingen die bij het afscheid in de Posthoornkerk voor hem speelde. ‘Ik ken niemand die zo goed met kinderen kan omgaan als hij, met humor en altijd stimulerend. Hij zei al vroeg tegen m’n ouders: zouden jullie Lucie niet een tweede instrument laten bespelen? Dat werd dus de piano. En hij zei ook: Lucie heeft zo’n luide stem, ik zie het er nog wel van komen dat ze zangeres wordt. Ook dat heeft hij toen al goed gezien.’

Kiezen tussen fluit, piano of stem is niet aan de orde, want Lucie heeft in alle drie de disciplines evenveel plezier. Wat zeg je tegen mensen die daar een oordeel over hebben?

‘Ik ben zeker gevoelig voor wat andere mensen vinden of opmerken over mijn spel, of over mijn carrière, maar ik heb geleerd om me daartegen te wapenen’.

Hoe?

‘Je moet zorgen dat je eigen verhaal sterker is. Door veel tijd te stoppen in je eigen ontwikkeling en in dingen waar je voldoening uithaalt. Daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen. Kinderen hebben vaak een hele goede intuïtie voor wat ze leuk vinden. Ik vind dat volwassenen de plicht hebben om jonge mensen in hun keuzes te respecteren. Laat ze maar voor inspiratie zorgen, door een goed voorbeeld te zijn, zoals mijn ouders, of mijn docenten dat voor mij zijn. Dan kom je als jongere vanzelf wel met een vraag om advies. Als je daaraan toe bent.’

We fietsen naar haar middelbare school, het Barlaeusgymnasium. ‘Jammer dat alle leuke plekjes in de stad vroeg of laat worden overgenomen door toeristen.’ Lucie wijst op haar favoriete café Back to Black, om de hoek van de school. ‘Hier kwamen we iedere pauze: snel een cappuccino, even de rode kat aaien en dan net op tijd weer het klaslokaal binnenkomen.’

Parallel aan haar middelbare school volgde Lucie vanaf haar elfde jaar de talentklas van het conservatorium bij Walter van Hauwe. Een druk bestaan, toen al, maar ze weet niet beter. Ze heeft van huis uit meegekregen om altijd haar uiterste best te doen bij alles wat ze doet. ‘Ik mocht als kind geen bijbaantje. Toen ik bij Albert Heijn wilde werken omdat mijn vriendinnen daar werkten, zeiden mijn ouders letterlijk: wij willen jou wel geven wat Albert Heijn jou zou betalen, als je je tijd daar maar niet gaat vergooien.’

We stappen weer op en rijden via de Vijzelstraat in een rechte streep naar het Centraal Station en daar rechtsaf langs de Openbare Bibliotheek naar het Amsterdams Conservatorium. ‘Niet mijn favoriete gebouw, helaas. Ik had er een leuke tijd, maar liever had ik les gehad in dat oude, klassieke gebouw naast het Stedelijk Museum, waar nu het duurste hotel van de stad in zit. Ze hebben dat pand natuurlijk voor veel te weinig geld verkocht. Het conservatorium kampt nu alweer met een tekort aan ruimte.’

We zijn rond, Lucie kijkt op haar horloge. ‘Mooie tijd. We hadden deze route natuurlijk ook kunnen lopen, maar dan waren we bijna twee uur onderweg geweest! Ik ben altijd op zoek naar efficiëntie.’ Ze lacht, bijna verontschuldigend: ‘Soms best vermoeiend.’