‘Hé, wat is dat voor merkwaardig ding?’. Verbaasd kijkt Eelco Bosch van Rosenthal naar een metershoge mast, drijvend op een soort boei in het water van de haven. ‘Ik kom hier toch regelmatig, maar heb het nooit eerder gezien.’ We staan op de uitgestrekte, planken kade voor Hotel Boat & Co op Revaleiland en zien uit over het IJ: hijskranen, industrie, schepen, maar ook de contouren van Amsterdam Noord. Een panorama waar je niet op uitgekeken raakt. Links in de verte het imposante staketsel van het Rem-eiland. Dertien jaar geleden werd dit illegale radio- en tv-platform vanuit de Noordzee verplaatst naar de Amsterdamse Houthaven en verbouwd tot een restaurant. ‘Vanaf dat punt kun je heel mooi de pier langs deze haven aflopen, tot je oog in oog staat met de Pontsteiger,’ vertelt Bosch van Rosenthal. 

Sinds 2017 woont de journalist en Amerikadeskundige met zijn gezin in de nieuw gebouwde Houthavenbuurt. Tot volle tevredenheid. Hij waardeert de verschillende soorten woonblokken, die steeds doen denken aan een bestaande Amsterdamse buurt. Nu eens waan je je in Berlages Plan-Zuid, dan weer zie je een huizenblok met details van de Amsterdamse school. Sla je een volgende hoek om, dan lijkt het alsof je langs pakhuizen uit de 17de eeuw loopt. ‘Ik heb een vriend, die is architect en hij vindt dat verschrikkelijk,’ vertelt Eelco. ‘Voor sommige architecten is het vloeken in de kerk om een nieuw huis in een oude stijl na te bouwen. Maar ik vind het eigenlijk wel mooi.’

We lopen van het hotel terug langs de Houthavenkade, waar geen retro- maar vooral hypermoderne appartementen zijn gebouwd, in alle soorten en maten: ‘Ook ’s avonds is hier fantastisch, met al die verlichte ramen.’ 

Het fijne van de buurt is de verbinding met de stad, vindt Eelco: ‘Je loopt hier zo de Spaarndammerbuurt in. En aan de andere kant, waar ze die mooie hefbrug uit de jaren dertig hebben geplaatst, ben je al bijna in de Jordaan.’ Terwijl we het Houthavenpark doorsteken naar de Spaarndammerstraat: ‘Het is altijd spannend met zo’n nieuw woonproject of nieuwkomers mixen met oude bewoners in de naastgelegen buurten. Het gaat hier over het algemeen goed, merk ik, maar niet altijd van harte. Toen ik laatst noodgedwongen een stukje over de stoep moest fietsen, kreeg ik de ongezouten mening van een tachtigjarige Amsterdammer met een rollator naar mijn hoofd geslingerd: “vuile kut-yup!”’ 

We lopen langs café Heilig Leven, volgens Eelco een mooi voorbeeld van een plek waar oud en nieuw elkaar vanzelfsprekend ontmoeten. Het heeft de inrichting van het klassieke koffiehuis dat het vroeger was, en een clientèle van zowel Houthavenbewoners als klassieke Spaarndammers. In de Spaarndammerstraat vertelt Eelco hoe zijn fascinatie voor de Verenigde Staten min of meer is voortgekomen uit een soort luie studiekeuze. Amerikanistiek was aan de universiteit van Groningen destijds een studie waar je alle kanten mee op kon. Dat leek hem wel wat. Pas tijdens een student exchange met de universiteit van Indiana, kwam Amerika en daarmee ook de studie echt tot leven.

Vanuit Indiana bezocht Eelco voor de eerste keer New York: ‘Een overweldigende ervaring, zoals voor iedereen die daar voor de eerste keer komt. Ik was 21, in m’n eentje, en ik bezocht alle highlights van de stad als een echte toerist. Later, als journalist en ook vanuit Washington waar ik woonde, ben ik heel vaak in New York geweest. Ik moest een keer een verhaal voor Vrij Nederland schrijven en boekte toen speciaal een kamer in het beroemde Chelsea Hotel, waar alle grote schrijvers vroeger of later wel een tijd hebben gebivakkeerd. Heel kinderachtig misschien, maar het is geweldig om even het gevoel te hebben dat je een New Yorker bent.’ 

Ziet hij overeenkomsten tussen New York en Amsterdam?
Aarzelend: ‘Ja, die zijn er wel. Het zijn in ieder geval allebei steden waar creatieven zich thuis voelen. En misschien is het luid verkondigde chauvinisme ook wel een overeenkomst: zowel Amsterdammers als New Yorkers voelen zich vaak in het middelpunt van de wereld en hebben grote moeite om buiten de stadsgrenzen te komen. Amsterdammers worden vaak beticht van arrogantie en het hebben van een grote waffel, New Yorkers ook. Denk aan Trump. Dat is natuurlijk een hele vulgaire New Yorker, die met blufpoker groot geworden is in het vastgoed. Dat hele platte is óók New York.’

We zijn inmiddels het spoor onderdoor en via de Willemsbrug naar het Haarlemmerplein gelopen. Hier moeten we even stilstaan, want het is tijd voor een chronologisch woonoverzicht van huizen waar Eelco heeft gewoond. Die bevinden zich allemaal op loopafstand van deze plek.

‘Mijn eerste woning in Amsterdam was een kamer aan het Frederik Hendrikplantsoen, een heel fijne buurt. Na twee jaar verhuisde ik naar een echte Amsterdamse huurwoning met hoge trappen en kleine kamertjes, even verderop aan de Korte Marnixstraat, vlak bij het Haarlemmerplein. Daar heb ik ook twee jaar gewoond en daarna schoof ik weer een stukje terug, naar de Marnixstraat ter hoogte van de Willemsstraat. Ik keek uit op die klassieke, groene ophaalbrug. Vanuit dat huis ben ik in 2007 voor zes jaar naar Washington vertrokken, als correspondent voor de NOS. Toen we terugkwamen werd het al snel te klein. Het Houthavenproject was een perfecte kans om weer een keer te verhuizen zonder de buurt uit te hoeven.’

We laten de Haarlemmerpoort achter ons en lopen de Haarlemmerdijk op. We stellen vast dat er in deze straat gelukkig nog steeds buurtwinkels te vinden zijn. Eelco: ‘Pareltjes als De Mof, bijvoorbeeld, of Le Sud, waar ze duizend soorten humus en olijven verkopen. En er is ook nog steeds een goeie boekhandel.’

Halverwege de Haarlemmerstraat komen we bij het eindpunt van deze route en een geliefde plek van Eelco Bosch van Rosenthal: het West-Indisch huis. Niet vanwege de 17de-eeuwse historie van het gebouw, maar omdat het John Adams Institute er is gevestigd. Over deze club pratend, wordt hij licht weemoedig: ‘Jammer genoeg moet ik na negen jaar uit het bestuur, maar dat zijn de spelregels. Het is een klein cultureel instituut, maar we organiseren regelmatig bijzondere avonden met grote Amerikaanse schrijvers of politici, bijvoorbeeld in Pakhuis de Zwijger of De Rode hoed. Onlangs heb ik de biograaf van Elon Musk geinterviewd in de Dominicuskerk aan de Spuistraat, overigens een waanzinnig mooi gebouw wat ik niet kende.’ 

Sinds 2013 is de van oorsprong Amerikaanse journalist Tracy Metz directeur van het Adams Instituut. Haar voorganger was Russell Shorto, de schrijver van het boek Nieuw-Amsterdam, de oorsprong van New York. Eelco Bosch van Rosenthal heeft het boek met veel plezier gelezen toen het in 2004 uitkwam: ‘De band tussen New York en Amsterdam kom je nog steeds letterlijk op straat tegen, in namen als Brooklyn en the Bowery, maar er is veel meer te vinden. Een van de leukste plekken waar je die Nederlandse oorsprong voelt is South Street Seaport, daar loop je gewoon over de cobblestones uit 1620. Het is makkelijk voor te stellen dat daar nog maar vierhonderc jaar geleden Nederlands werd gesproken. Het verbaast me altijd dat het boek van Shorto nooit verfilmd is. Je ziet gewoon voor je hoe Amsterdam daar als het ware neerstrijkt, compleet met scheepslui, kooplieden, zwervers en hoeren.’

Aan het eind van de wandeling spreken we nog even over de start, bij dat vreemde object in de Houthaven. Een telefoontje naar de receptie van het hotel lost het raadsel op. De drijvende mast is een recent kunstwerk van Jeroen Doorenweerd, getiteld Zen Mast. Grappig. Als antwoord op REM-eiland? Het is in ieder geval een 30 meter hoge mast ‘van bewerkt naaldhout, die onder water rust op drie 9 meter lange buispalen, maar die verder vrij lijkt te dobberen’. Het beeld heeft als ondertitel tatramajjhattata, verwijzend naar het boeddhistische concept ‘gelijkmoedigheid’. De mast symboliseert balans, want hij kan door de wind sterk heen en weer gewiegd worden, maar zal niet omslaan.

De receptioniste van het hotel krijgt vaker vragen over het beeld: ‘Je moet er rustig van worden’, zegt ze. ‘Maar van de zomer zal er wel veel op gespeeld worden. Dan is het sowieso gedaan met de rust.’