Deze Vaste Route gaat over het water. De verslaggever zit naast Cor Splinter achter in een houten wherry en twee kranige De Hoop-leden roeien ons een uur door de stad. 8,5 kilometer, ‘het grote rondje’.

Bij vertrek geeft Splinter het commando ‘uitzetten gelijk’ en we varen weg. Splinter: ‘Ik hoor als stuurman de commando’s te geven, je hoort te zeggen “slag klaar maken, slag klaar, af”, maar ik kan ook zeggen: “ga maar”. We zijn in Nederland, iedereen is in de boot de baas.’

Splinter heeft op het water van de Amstel gewoond (‘in die woonboot daar, met die rode banden, een jaar of tien’) maar woont nu al weer twintig jaar in de David Blesstraat, bij de Van Woustraat.

‘Ik kwam in mijn zevende jaar in Amsterdam wonen, in de Bataviastraat. Ik kom uit een eenvoudig milieu. Mijn vader was schipper en als er ijs lag verdiende hij wat als rietsnijder. Hij mocht van mijn moeders vader niet trouwen met mijn moeder. Hij was arm, en zij waren rijk, dat moesten ze niet hebben. Hebben ze een kindje gemaakt, ze trouwden via het kantongerecht. Dat is wel hard, ja, maar als je van elkaar houdt, moet je dat toch doen?’

De route kent Splinter op zijn duim. Hij wijst graag. ‘Dat huis daar met dat puntdak was een badhuis, met gescheiden badderen voor dames en heren. En bij de IJsbreeker lag het vorige clubhuis van De Hoop; daarvoor lag het aan de overkant, en nog eerder bij de Hogesluis, tegenover het Amstel Hotel.’

We slaan stuurboord uit, de Singelgracht in, langs de Mauritskade. Splinter stuurt de boot met grote precisie door de smalle onderdoorgangen, met soms maar een paar centimeter ruimte links en rechts. ‘Als ik roeiers lesgeef, ga ik hier ook altijd door. Hier heb je hier wat ruimer water en je hebt hier wat minder scheepvaart. Als ze dan een keer of tien les gehad hebben kan je de stad in gaan, bij de Marine langs, het Kolkje door…’

Hij wijst: ‘Vroeger was hier het kopstation van de spoorwegen. De locomotieven gooiden alle sintels er uit, met de kolen. In de oorlog zaten de mensen dan weer gaten te graven in de hopen sintels om die kooltjes te zoeken. Hier verderop had je de Amstelbrouwerij, daar heb ik een jaar gewerkt. Dat kleine huisje daar – nu het Pleintheater – was de Portiersloge. Als je ’s avonds overgewerkt had en om acht uur naar huis ging, kon je bij die loge voor tien cent een glaasje bier drinken. Hier in de kade zitten nog de ijzeren strepen, tegen de dekschuiten die hier met flessen en kisten voor de brouwerij lagen.’

In 1955 kwam Splinter in dienst bij De Hoop als een van drie bootslieden. Hij was een echte ‘houtman’, had in een meubelfabriek gewerkt en bij een winkelbetimmeringsbedrijf. ‘Ik had een beetje herrie met de baas, ik dacht, kom, ik ga weg. Toen kon ik op een zaterdag bij De Hoop komen proefdraaien. Na een uurtje zei Meep Lindhout, mijn latere collega: “Ik heb het wel gezien. Je kan hier komen werken.” Ik heb daar 47 jaar boten gebouwd, gerepareerd, aan het gebouw geklust. Heel veel vrienden gemaakt. Roeiles gegeven, twintig jaar lang; elke woensdag- en zaterdagmiddag met de jeugd.’

Zijn hart ligt bij de fraaie houten boot waar we in varen, de wherry.

‘In Almere hebben we dertig jaar geleden een vereniging opgericht om antieke boten, die scheehouten wherries, te bewaren voor de toekomst. Want die gingen overal verloren. Iedereen liet ze verrotten. Een scheehouten wherry heeft twee stokjes waar de riem tussen zit en die stokjes noemen ze scheehouten. In de voorbank kan een mast, en dan kan je zeilen. Er zit een kieltje onder, maar niet een groot kieltje. Je ligt zo om. Ik heb twee keer gezwommen, de hele boot onder water.’

Er zijn nogal wat roeiverenigingen in Amsterdam. Is er concurrentie?

‘Voor de oorlog had je een beetje soort bij soort, katholieken, socialisten, NSB’ers. Nu heb je andere verenigingen, mensen die elkaar opzoeken. In kleine verenigingen heb je vaak dat een bepaalde familie lang een stempel drukt op een vereniging. Bij De Hoop is dat nooit zo geweest. We zijn te groot misschien, te democratisch.’

Wat voor mensen vind je bij De Hoop?

Splinter: ‘Hele gezellige mensen. Als je in een acht zit dan zit je ook met z'n achten samen te eten. Het zijn allemaal groepjes. En veel nieuwelingen.’

Het was altijd een beetje een kakvereniging, toch?

‘Nou, ik zou zeggen netjes, kak is netjes. Kak is vriendelijk. Kak is aardig. Zo leg ik het altijd uit. En we hebben geen kak meer. Je ziet het aan die roeiers. Hele gewone mensen.’

Voor we bakboord uitgaan, de Wittenburgergracht in, wijst Splinter naar de verte langs het Lozingskanaal en het Zeeburgerpad.

‘Daar achteraan heb je een bruggetje, daar reden in de oorlog Duitse kolenauto’s langs. Dan gooide ik met mijn broertje van veertien een sleetje aan een touw op de hoop kolen en die vielen dan van de auto af. We deden ze in een jute zakkie. Er waren ook andere jongetjes op dat terrein aan het kolen stelen. Eentje hebben ze er doodgeschoten, Keesje Brijder. Zijn vriendjes hebben het overleefd. Je wist dat toen niet, natuurlijk, dat jij dat had kunnen zijn. Je maakte je in de oorlog niet druk om dingen. De oorlog verdooft. Dan doe je alles en ben je niet meer bang.’

‘Toen ik twaalf jaar was, liep ik in februari 1945 met twee tantes en mijn broertje van zeven van Amsterdam naar Hoorn. Een wanhopige tocht. In Purmerend kregen we van mensen stukjes brood, in een café waar we water gingen drinken. Ze gaven ons van hun eigen brood. Mijn broertje van zeven hebben we achtergelaten bij een boerderij in Noord-Holland. Hij kreeg toen een sneetje brood met kaas. Hij had nog nooit kaas gegeten. Nooit. Hij at het op en ik keek toe met grote ogen.’

‘Misschien ben ik wel een beetje brutaal geworden door die oorlog. Je moest vechten, voor warmte, voor een plakje kaas. Ik heb in de loop gekeken van een revolver, ze hebben me achterna gezeten met pistolen. Ze hebben over me heen geschoten, ik heb er onderin in een sloot gelegen. Al dat soort dingen. Daar verander je door, hè?’

In de Wittenburgergracht slaan we stuurboord uit en gaan door de hele lage Parelduiker naar de Kattenburgervaart. Slippend, de riemen los, de roeiers op hun rug. Het vlaggenstokje op de boeg loopt schade op. De roeiers geven geen kik.

Wat is het fijne aan roeien?

‘Nou, roeien is álles eigenlijk, totale gezondheid. Als je 100 bent, kun je nog roeien. Ik geef nu les aan een vrouw van 62. Twintig jaar geleden had ze voor het laatst geroeid. Nu heeft ze zeven lessen gehad en ze is dolblij, ze heeft het gevoel dat ze een tweede leven ingaat. Ik vind het het leukste om mensen dingen te laten doen waarvan ze denken dat ze het niet kunnen. Mensen ontdekken dan in zichzelf iets waarvan ze denken, hé, dat kan ik. En jij haalt dat eruit. Dat is heel mooi.’

In de Kattenburgervaart wijst Splinter op de bootjes langs de oever: ‘Dit was vroeger een vrijplaats met allemaal woonbootjes en rommel en troep. Ongelooflijke bende. Toen kwam de nieuwbouw, maar sommige bewoners hadden nog steigertjes, oude rechten. De gemeente ging daar soepel mee om. Je moet de burgers in Amsterdam niet boos maken.’

Wat vind je van de drukte op het water?

‘Nou ja, iedereen mag varen, net als iedereen mag fietsen. Als je maar rekening houdt met elkaar. Ze varen soms helemaal aan de verkeerde kant. Ik heb wel eens gehad dat ik een beetje aan het schelden was, bij de Hogesluis. Wel netjes schelden. Kijk, soms is dat nodig. Voordringen is niet netjes. Dan moet je er wat van zeggen. De mensen die je leert roeien moet je ook leren dat ze weerbaar moeten zijn en beslissingen moeten nemen.’

In het Oosterdok is de wind tegen. Doorbijten. Terug op de Amstel is Splinter weer in zijn element. Hij wijst op Amstel 216, het Huis met de Bloedvlekken: ‘Daar heeft Van Beuningen gewoond, de burgemeester. Die is helemaal gek geworden en heeft toen met zijn bloed scheepjes op de gevel getekend. Kun je nog zien zitten. Hij had een jonge vrouw getrouwd, misschien is hij daar gek van geworden.’

We passeren de Magere Brug, de Hogesluis, de eerste vestiging van De Hoop in 1848. Op het laatste stukje zouden we eigenlijk nog even moeten aanzetten, zegt Splinter tegen de roeiers. ‘Meestal doen we hier nog tien harde halen, “tien keer hard”. Want als je altijd langzaam roeit kun je nooit hard roeien.’

Met dank aan Monique van Schendelen en Dick Buitelaar, roeiers.

*) De Koninklijke Nederlandsche Zeil- & Roeivereeniging is een jaar ouder, maar inmiddels gevestigd in Muiden .

Cor Splinter (1932)

Bootsman bij De Hoop tussen 1955 en 2002.

Geeft nog steeds roeiles. Groot liefhebber van de scheehouten wherry.
Bestuurslid van Het Zeilend Scheehout, de Nederlandse Vereniging tot behoud van Zeilwherry’s.

Header: Foto Adriaan Backer, 2023