Het leukste privilege dat een gemeenteraadslid geniet, is toegang tot het stadhuis. Christian laat ons binnen in de ontvangsthal, een grote ruimte met in het midden een beeld van Vrouwe Justitia. ‘Dit is de vierschaar,’ vertelt hij. ‘Hier spraken de schout en schepenen recht. Een stadhuis was een gevangenis en rechtbank ineen. In de kerkers, die nog tot 1916 in gebruik waren, wachtten de beklaagden hun vonnis af. Terechtstellingen vonden plaats op het Grote Plein voor de ingang.’

Gebouwd in 1776 is het stadhuis van Weesp een eeuw jonger dan het Stadhuis op Dam in Amsterdam, maar beide gebouwen vertonen grote gelijkenis. Christian legt uit: ‘Dit stadhuis is ontworpen toen het economisch niet goed ging met de Republiek der Nederlanden. Weesper bestuurders dachten met weemoed terug aan de Gouden Eeuw, toen de VOC de zeeën domineerde en het geld binnenstroomde. Het stadhuis van Amsterdam stond symbool voor die voorspoed. Vanuit een soort nostalgie hebben we dat in Weesp toen een beetje nagebouwd.’
Vanaf het stadhuis lopen we richting de Grote Kerk, een gotische kerk uit de vijftiende eeuw. Christian wijst omhoog naar de toren. ‘Zie je de kerkklokken? Die hebben we te danken aan het Rampjaar. De Weespenaren waren bang dat de Fransen zouden binnenvallen en de stad verwoesten. Ze zamelden daarom een grote hoeveelheid geld in, om de soldaten van de vijand mee af te kopen. Het bleek uiteindelijk niet nodig: Weesp werd nooit veroverd. Toen de oorlog voorbij was bleef de zak geld over. Daar is toen dit carillon van Pieter Hemony mee gekocht.

Dankzij de fusie met Amsterdam zijn deze klokken trouwens het onderwerp geworden van een fantastisch dispuut. Volgens onze traditie worden de liedjes van het carillon elk kwartaal veranderd. In Amsterdam gebeurt dat maar één keer in het half jaar. Nu is er een felle discussie gaande of Weesp zich aan moet passen aan Amsterdam, of andersom. Christian lacht. ‘Daar ben je dan druk mee als raadslid.’

Waterlinie

De Grote Kerk ligt vlakbij het water. Hier, aan de oever van de Vecht, werd in 1672 de Franse invasiemacht gestopt. We lopen over de Lange Vechtbrug naar Fort Ossenmarkt, dat er tijdens het Rampjaar overigens nog niet stond. ‘De Republiek was toen helemaal niet voorbereid op een oorlog,’ vertelt Christian. ‘De verdedigingswerken rondom Amsterdam waren compleet verwaarloosd. Toen de Fransen oprukten richting Holland, was de Waterlinie het laatste redmiddel. Weesp ligt op de grens van hoog- en laagland. Toen men in paniek de dijken doorstak, lag de stad opeens aan het front. De bevolking sloeg op de vlucht; Weesp was in 1672 een spookstad.’

We lopen om Fort Ossenmarkt heen en beklimmen de modderige dijk achter de vesting. De dijk biedt een prachtig uitzicht over de Vecht. We kijken uit over een oer-Hollands landschap, compleet met molens, boten en een grijze lucht. ‘In 1672 hadden we vanaf hier in de verte het Franse leger kunnen zien,’ zegt Christian.

Nu biedt de waterkant een vredige aanblik. Christian wijst naar een van de molens op de oever. ‘Dat is De Vriendschap, waarvan ik molenaar ben. Mijn betovergrootvader, die ook Christian heette, heeft hem gekocht. Hij was een Duitse soldaat die deserteerde tijdens de Frans-Duitse oorlog in 1870-1871. Hij vluchtte naar Nederland en werd molenaar in Weesp.

Op mijn achttiende heb ik ook het molenaarsexamen afgelegd. Van binnen is zo’n molen één groot raderwerk dat je moet leren bedienen. Behalve ikzelf zijn er 35 vrijwilligers die hem in bedrijf houden, waaronder vijf molenaars. Samen beheren we De Vriendschap. ’s Ochtends zetten we de molen ‘op de wind’; dan bevestig je zeilen aan de wieken. Afhankelijk van de windkracht gebruik je één of meerdere molenstenen. Het is net zeilen, alleen kom je niet vooruit.’

Terwijl we voorzichtig de glibberige dijk afdalen, legt Christian uit hoe je tegelijkertijd molenaar en gemeenteraadslid en journalist én erfgoed-beschermer wordt: ‘Mijn ouders zijn allebei journalist, dus bij ons thuis ging het vaak over het nieuws. Na de middelbare school ben ik gaan schrijven voor het Weespernieuws. Dan ging ik op mijn fiets achter de brandweerauto aan om verslag te doen. In de avonduren volgde ik de opleiding voor journalistiek. Zo’n vijf jaar geleden kreeg ik de kans om voor Heemschut te gaan werken. Daar kon ik mijn journalistieke achtergrond inzetten, en erfgoed en schrijven combineren.’

Waterschout

We nemen nog snel een kijkje bij de Theetuin, waar het volgens Christian ’s zomers prachtig is. ‘In de jaren tachtig lag dit helemaal brak. Toen is de grond gekocht door een landschapsarchitect, en die heeft er iets heel moois van gemaakt. Zijn modeltuin is nu onder andere een trouwlocatie.’ De Theetuin is een stukje Weesp dat Christian heeft zien veranderen. Zijn hele leven heeft hij hier gewoond, als vijfde generatie Weespenaar. Zou hij ooit willen verhuizen? Christian lijkt bijna verbaasd door de vraag. ‘Waarom zou ik verhuizen? Ik kan niets bedenken wat mij hier weg zou kunnen halen.’ Lachend: ‘Ik ben wel redelijk verknocht aan Weesp, ja.’

We maken rechtsomkeert en lopen al snel weer door de smalle straatjes van het oudste stukje Weesp, door de Schoolsteeg en langs de bibliotheek aan de Oudegracht. ‘Wist je dat Weesp ouder is dan Amsterdam?’ vraagt Christian. ‘Waarschijnlijk is het hier al sinds de prehistorie bewoond. Dat Weesp nooit zo groot en machtig is geworden, heeft te maken met de ongelukkige ligging van de stad: op de grens van het bisdom Utrecht en het graafschap Holland. Weesp werd voortdurend geplunderd en platgebrand. Maar toch: volgend jaar is de 750ste verjaardag van Amsterdam. Hier in Weesp kunnen we dan ons 928-jarig bestaan vieren.’

We slaan de Nieuwstraat in en houden stil voor nummer 50. Op het eerste gezicht een huis als alle andere, maar wie goed oplet ziet op de gevel een schildje met drie andreaskruizen. ‘Hier woonde de Amsterdamse waterschout,’ legt Christian uit. ‘Amsterdam importeerde drinkwater uit de Vecht, en de waterschout moest controleren of dat van goede kwaliteit was. Elke ochtend stapte hij in zijn bootje en liet zich stroomopwaarts roeien. Daar proefde hij of het water schoon genoeg was. Was dat het geval, dan plantte hij een vlag en konden de schepen worden volgeladen.

Dat schone drinkwater kwam overigens lang niet altijd aan in Amsterdam. Vaak werd het door de bemanning onderweg verkocht, en ter hoogte van Driemond vervangen door brak water. Amsterdam kwam toen met een creatieve oplossing: Als de schepen de stad binnen liepen (daar waar nu Carré staat) moest de bemanning een glas van de eigen lading drinken.’

Breedbeeldtelevisie

Via de Achteromstraat en de Herengracht van Weesp lopen we naar de Sint Laurentiuskerk. ‘Dit is het wonder van Weesp: de kerk die er eigenlijk niet meer had moeten staan,’ zegt Christian. ‘De kerk is gebouwd in het midden van de 19de eeuw, en is sindsdien bezig om te vallen. De toren moest hoger zijn dan die van de protestantse kerk, en daar waren de katholieken toen meer mee bezig dan met de fundering. De Sint Laurentius begon meteen te zakken.

Tien jaar geleden dreigde opnieuw het einde van de Laurentiuskerk. Er waren niet veel belijdende katholieken meer in Weesp, en projectontwikkelaars wilden het gebouw slopen. Daar heeft de buurt succesvol tegen geprotesteerd. De kerk mocht blijven… én werd opnieuw getroffen door het noodlot. In 2016 brandde de toren af. Gelukkig kon de schade hersteld worden. Er is een nieuwe spits op de kerk gezet, en nou ja, je ziet het: de Laurentiuskerk staat er nog steeds.’

Aan de voorkant van de kerk zit nu jeneverstokerij Anker, opgericht door Christian en zijn vrouw Silvia. ‘Een paar jaar geleden vond ik in het gemeentearchief een jeneverrecept uit 1630. Het leek me leuk om dat na te maken, vooral omdat Weesp vroeger een echte jeneverstad was. Het kostte behoorlijk wat pogingen, maar uiteindelijk is het gelukt. Nu stoken we hier onze eigen jenever, met graan van de Weesper molens.’

De kerk zelf is omgetoverd tot café en proeflokaal van de stokerij. Onder de glas en lood ramen staan tafeltjes en een bar. Terwijl we een glaasje jenever drinken, vertelt Christian hoe de Weespenaren in de Grote Kerk voor aansluiting bij Amsterdam stemden. ‘We mochten kiezen of we ons wilden laten annexeren door Amsterdam, of door de Gooise Meren. Beide gemeenten kwamen een presentatie geven. De burgemeester van Gooise Meren had een lief filmpje gemaakt, waarin hij een hartvormige taart bakte voor Weesp. Toen kwam de vertegenwoordiger van Amsterdam het podium oplopen, en riep: ‘Als jullie ons kiezen heb ik voor iedereen een breedbeeldtelevisie in de achterbak!’ Die bravoure heeft gewerkt.’ Christian zucht. ‘Nu ben ik dus een Amsterdammer.’

Beeld header: Hans van den Bogaard