Het miezert en bij Bar Meerzicht, Middenweg 398, staat Haarms voor een dichte deur. Het roemruchte café waar Ajax-supporters zich in het verleden bij thuiswedstrijden van ‘hun’ club plachten op te houden, ligt er troosteloos bij. Het vertrek van Ajax naar de Arena in 1996 is voor de uitbaters van Meerzicht een “ontzettende strop” geweest, vermoedt Haarms. “Vroeger was het hier voor een wedstrijd altijd een gezellige drukte, maar dat hele atmosfeertje is weg.” In zijn kinderjaren was Meerzicht een ijssalon – pas na de oorlog kwam er in het pand een café. “Maar eerst wel met dichte gordijnen, zodat voorbijgangers niet konden zien wie er een borreltje zaten te drinken. Betondorp was natuurlijk een socialistisch dorp, dus cafés waren jarenlang taboe.”

In 1920 betrok het gezin Haarms de tweekamer-benedenwoning direct naast Meerzicht. Het voortuintje zag er in die dagen altijd keurig uit en elke week boende moeder Haarms - “op haar knieën!” - de gele vloersteentjes van het portiek blinkend schoon – de entree moest er tenslotte netjes bij liggen. De jongste Haarms-telg had ondertussen andere dingen aan zijn hoofd, die was bevangen door het “Ajax-gevoel”. Gezeten op de schouders van zijn vader bezocht de kleine Bobby zijn eerste Ajax-wedstrijden en al snel “vrat” hij alles. “Ik stond er met mijn neus bovenop. Elke dag ging ik naar de trainingen kijken en dacht: Godverdorie, dat wil ik later ook, voetballen bij Ajax. Iets mooiers bestond niet.”

In afwachting van de grote dag werd op straat al vast flink geoefend, bijvoorbeeld in de toegangspoort naar de Gaffelstraat. “Aan weerszijden tekenden we met krijt een doel op de muur en dan…”, Haarms springt op en maakt een koppende beweging, “…moesten we het balletje in het doel zien te koppen.” Op de Middenweg speelden de voetballer in spe met zijn vriendjes wedstrijden van Ajax na. Met een tennisballetje, want geld voor een echte voetbal was er niet. “En we voetbalden op klompen, maar die gingen snel stuk en dan speelden we door op onze sokken.” In 1947 begon het echte werk: toen werd Bob Haarms, twaalf jaar oud, na het spelen van drie proefwedstrijden aangenomen bij Ajax. Zijn vader regelde schoenen voor hem: tweedehands en twee maten te groot, maar de kersverse Ajacied was er dolgelukkig mee.

‘Dat is Ajax en dat is de beste’

We steken de Middenweg over, richting Anfieldroad (“Hoe verzinnen ze het!”).Waar nu de Esplanade De Meer begint, was vroeger de hoofdingang van het Ajax-stadion. En dus betreden we “heilige grond”; op zoek naar de middenstip. En dat valt niet mee. Hoewel ongeveer in het midden van de Esplanade een halve bol in de grond de middenstip moet verbeelden, lag het origineel meer naar het oosten, zo verzekeren diverse passanten. Bij díe middenstip gaf Cruijff bij aanvang van een wedstrijd doelman Heinz Stuy altijd even “een tikkie” op zijn bil, op een goede afloop. En rond die stip zag Haarms zijn nog nauwelijks begonnen Ajax-carrière bijna in rook op gaan.

Tijdens zijn eerste trainingsdag riep de vermaarde Engelse trainer Jack Reynolds in gebrekkig Nederlands: ‘Als ik op m’n fluutje fluut, moeten de ballen stil liggen.’ Haarms gaf de bal toch nog een zetje en kon gelijk vertrekken. “Stond ik onder de douche, doodongelukkig want ik dacht dat ik nooit meer terug mocht komen. Dat het voorbij was.” Dat viel mee. In 1952 debuteerde Haarms - oftewel ‘de spijker’, want hij was lang en dun - in het eerste elftal. De middenvelder “was er een van de sliding”, als zijn broekje niet zwart was, had hij een slechte wedstrijd gespeeld. Van Reynolds had hij ondertussen naast een ijzeren discipline en een stevige aanpak geleerd dat er maar één club is: “Dat is Ajax en dat is de beste.”

Afscheid van De Meer

Een knieblessure maakte een einde aan Haarms’ voetbalcarrière en aan zijn werkzaamheden voor Ajax, zo leek het. Maar in 1967 haalde Michels hem terug als amateurtrainer. Ajax stond aan de vooravond van grote (Europese) successen, maar in De Meer, zo vertelt Haarms, heerste vooral een sfeer van “knusse huiselijk”. Dat de vrouw van de conciërge de pasgewassen shirtjes van het eerste te drogen hing in vak A omdat het daar zo lekker waaide, lag nog vers in het geheugen en op zondag werd de trainingszaal nog steeds omgebouwd tot kantine. Met broodjes warme worst en koffie. Terwijl we via de Wembleylaan richting Stade des Colombes lopen – voorheen Ajax-kweekvijver Voorland – verhaalt Haarms hoe hij hier dagelijks na gedane arbeid met collega’s als Cruijff naar de kantine van Voorland slenterde voor een borreltje. “Maar dat knusse komt nooit meer terug. Daarvoor is de Arena te grootschalig.”

De Meer voldeed niet meer voor een topclub als Ajax en in 1996 viel het doek. Het stadion zou plaatsmaken voor woningen. Terwijl achter hem de sloopwerkzaamheden al in volle gang waren, stond Harms bij de ingang oude tribunestoeltjes te verkopen, met echtheidscertificaat én met de tranen in zijn ogen. De opbrengst was bestemd voor de belendende Dierenambulance en de stoeltjes gingen als warme broodjes over de toonbank. Haarms’echtgenote had zich nog willen inschrijven voor een nieuwbouwwoning, maar Haarms onthoudt De Meer liever zoals ie was. “Maar ik wil wel begraven worden op de Oosterbegraafplaats, zodat ik zicht heb op het oude Ajax. Dat is clubliefde.”

Tekst: Marcella van der Weg
Foto: Ton van Rijn/Stadsarchief
Januari 2004