“De ‘kunstenaars’”, schreef A.M. de Jong in dagblad Het Volk, “brengen de helft van hun tijd tussen de wielen door, worden gejaagd als slaven van de ene plaats naar de andere, van het ene stuk naar de andere. En aan het eind van hun rusteloos zwerversbestaan zien ze het troostrijk verschiet van een bedeljubileum en daarachter de armoe, de zwarte armoe.” Hoe gerechtvaardigd was het dat daar eens verandering in zou komen! De Jong vertolkte daarmee de mening van links Nederland. Rechts zag wel in dat er misstanden waren in de toneelwereld, maar staken? Schrijver en regisseur Frank Luns (oom van de latere minister van Buitenlandse Zaken) schreef in De Tijd dat hij altijd gedacht had “dat de mindere pecuniaire inkomsten voor den kunstenaar ruimschoots werden gecompenseerd door het feit dat hij de schoonheid diende en daarin zijn vreugde vond”. En de gevreesde toneelcritica Top Naeff vond dat de acteurs en actrices zich met hun actie verlaagden tot gewone arbeiders.

De stakende tonelisten dachten daar anders over. Jarenlang had individualisme een gezamenlijk optreden in de weg gestaan. Een in 1898 opgerichte bond bloedde daarom al na een paar jaar dood. Maar in 1911 lukte het wél om een levensvatbare vakbond op te richten, de Nederlandsche Toneelkunstenaarsvereeniging (NTKV). De aanleiding was een rede van uitgever Leo Simons, de oprichter van de Wereldbibliotheek, op de jaarvergadering van het Toneelverbond (een gezelschap van vermogende liefhebbers dat sinds 1870 het peil van de toneelkunst bevorderde). Hij stelde het immorele karakter van de negenmaandse spelerscontracten aan de orde, het boetestelsel, de abominabele voorzieningen bij het spelen in de provincie – van treurige kleedruimtes tot schamele verblijfskostenvergoeding (séjour) – en het ontbreken van een goede pensioenregeling. Koeliecontracten waren het. De werknemers hadden alleen maar verplichtingen en toneelkleding moesten ze uit eigen zak betalen.

Vermaaksbond

In 1917 kwam NTKV-bestuurslid Hein Harms met een plan voor een pensioenregeling: een klein percentage van de gage plus een uit prijsverhoging van de kaartjes te betalen percentage van de recette moesten de aanzet tot een algemeen fonds vormen. De directies reageerden door hun krachten te bundelen in de Bond van Directeuren van Openbare Vermakelijkheden. De ‘Vermaaksbond’, schamperde de NTKV. Sommige directies wilden er niets mee te maken hebben vanwege de tegengestelde belangen tussen film (in opkomst) en toneel, onder wie Herman Heijermans van de Toneelvereeniging en het duo Adriaan van der Horst en Jan Musch van het Schouwtoneel.

Overleg met de directeursbond haalde niets uit. De stemming bij de tonelisten radicaliseerde nu, mede gevoed door de stakingsgolf die na afloop van de Eerste Wereldoorlog over het land spoelde. Op kerstnacht 1919 werd op een drukbezette ledenvergadering besloten een ultimatum te stellen. De eisen waren vrij gematigd: een minimumloon van ƒ120,- per maand, een séjour van ƒ8,- en een pensioenregeling. De actie was juist in de winter op touw gezet, omdat de theaters dan vol zaten.

De bond wees alle eisen af, met het argument dat contracten niet verbroken konden worden. De afwijzing was kenbaar gemaakt middels een schrijven aan de individuele toneelspelers, niet aan de NTKV. Dat zette kwaad bloed. De rapen waren helemaal gaar toen Herman Heijermans, die de eisen had ingewilligd, te maken kreeg met een inhalige zaalverhuurder die – gesteund door de bond – van de 3% toeslag op de kaartjes voor het pensioenfonds bijna de helft opeiste, want dat incasseerde hij ook op de recette. De rechter gaf Heijermans gelijk, maar in hoger beroep bleef die zaak hangen.

Staking

In een geladen sfeer kwamen in de nacht van 3 op 4 januari de leden van de NTKV bijeen in het gebouw van de Diamantbewerkersbond (ANDB) in de Plantage Franschelaan (de huidige Henri Polaklaan) – na de zaterdagavondvoorstelling. Om acht uur ’s morgens was het besluit gevallen met 147 tegen 33 stemmen: we gaan staken! “De Toneelspelers (stuiten) op bruten onwil en op de machtswaanzin van de Directeuren-Bond”, lieten ze weten. De pijlen waren vooral gericht op de Stadsschouwburg, die bespeeld werd door de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Toneel onder leiding van Eduard Verkade, tevens voorzitter van de toneelafdeling van de Directeurenbond en als zodanig een hoofdrolspeler in het conflict.

Oudere sterspelers hadden sowieso al moeite met Verkade, omdat hij hen opzadelde met kleine rollen. Deze zoon van de fabrikant van koekjes en chocoladeletters had zich ontwikkeld tot een vooraanstaand acteur en een vernieuwend regisseur, die een verinnerlijkte speelstijl propageerde, wars van pathetiek en brede gebaren. Zijn voorkeur ging uit naar jong, kneedbaar talent. Het was heel begrijpelijk dat de 77-jarige Louis Bouwmeester en zijn zus Theo Mann (69) enthousiast meededen aan de staking.

De matinees en avondvoorstellingen gingen die zondag in Amsterdam niet door, niet in de Stadsschouwburg en evenmin in de drie theaters in de Plantage. Alleen in het Rozentheater ’s middags Rooie Sien nog wel, maar daarna hield Sien (actrice Corrie Pinksen) het ook voor gezien. In Rotterdam en Den Haag moesten toneeldirecties voorstellingen improviseren. NTKV-secretaris Hijman Croiset (opa van acteur Jules en acteur/regisseur Hans) was extatisch. “Zooiets was in Holland ongekend! Toneelspelers staken! Toneelspelers manifesteren! Toneelspelers demonstreeren, agiteeren! (…) Maar vooral: Toneelspelers staan schouder aan schouder, hand in hand.”

Hardliner

De staking hakte erin. En er speelde nog meer. Wat de zaak ingewikkelder maakte, was de onzekerheid welk gezelschap de Stadsschouwburg zou gaan bespelen: de ‘schouwburgquaestie’. De gemeente stopte met de verpachting en nam het ‘Huis aan het Plein’ in eigen beheer. Wie zou de gemeenteraad nu als toneelleider kiezen? Willem Royaards? Een toneelvernieuwer, die veel werk maakte van zorgvuldige mise-en scènes en decors. Herman Heijermans? Ook hij had gesolliciteerd. Leden van zijn gezelschap zaten in het bestuur van de NTKV en Royaards vermoedde dat hem een hak werd gezet. “Zonder schouwburgquaestie was er geen staking geweest”, konden persmuskieten uit zijn mond optekenen. Andere gegadigden waren er ook: Louis de Vries (wiens gezelschap de Hollandsche Schouwburg bespeelde), het duo Adriaan van der Horst en Jan Musch (actief in Haarlem) en Eduard Verkade.

Op 16 januari adviseerde de Commissie van Bijstand voor Kunstaangelegenheden Royaards te kiezen, omdat hij bewezen had zowel klassiekers als modern toneel te kunnen regisseren. Vol vertrouwen ontpopte Royaards zich nu in de Directeurenbond als een hardliner die zich verzette tegen elke toenadering tot de stakers. Concurrent Verkade was wel bereid om toe te geven aan de arbeidseisen, maar verzette zich heftig tegen bemoeienis van toneelspelers met het artistieke beleid, zoals Louis Bouwmeester. Verkade zag aankomen dat Royaards de voorkeur zou krijgen en trok zijn sollicitatie in.

Inmiddels was de staking nu twee weken aan de gang. Het hoofdkwartier was een zaaltje boven café De Zon in de Falckstraat bij het Frederiksplein, waar de stakingsleiding (het NKTV-bestuur aangevuld met acteur Ko Arnoldi en de administrateur van Heijermans’ gezelschap Johan Brandenburg jr.) druk in de weer was met bulletins en stakingsuitkeringen. De toneelspelers van de gezelschappen die de eisen hadden ingewilligd, droegen een deel van de gage af voor de stakingskas, en er kwam ook geld binnen van sympathisanten. En er werden taken verdeeld om te posten bij theaters waar niet-stakers op de planken stonden.

Grimmig

De stakers kregen op 18 januari een flinke slag te verduren, toen enkele topacteurs van het gezelschap van Verkade – onder wie Albert van Dalsum, Paul Huf en Fie Carelsen – het lidmaatschap van de NKTV opzegden en weer wilden gaan spelen. Ze waren gevoelig voor Verkades standpunt dat de vakvereniging weliswaar economische eisen stelde, maar in werkelijkheid artistieke en politieke doelstellingen had. Op 24 januari stond in de Stadsschouwburg De Gardeofficier (van F. Molnár) op de rol. In de Falckstraat dachten ze daar het hunne van. “Het doek ging op, de duiven ook, pamfletten daalden neer. De herrie was volmaakt, maar van korte duur”, schreef de weduwe Verkade meer dan een halve eeuw later in de biografie over haar man. Zelfs een stinkbom ontbrak niet.

De zaak zat muurvast en de sfeer werd grimmiger, met de afzetting van de Marnixstraat en met politie te voet en te paard als er weer een ‘onderkruipersvoorstelling’ was. Louis de Vries had zijn gezelschap ontbonden, waardoor veel tonelisten op straat kwamen te staan. Het stakingselan begon te verflauwen. Intussen bleef ook de beslissing uit wie de Stadsschouwburg mocht bespelen, omdat een raadsmeerderheid vond dat de toneelstaking in de weg stond.

Begin maart pas kon Willem Royaards zijn overwinning vieren. De SDAP-fractie stemde verdeeld, tot afgrijzen van Asser Benjamin Kleerekoper, die opmerkte dat de nieuwe schouwburgbespeler een oplossing van het arbeidsconflict zo verwoed had tegengehouden. “Principieel stellen B&W voor de stakers over te leveren aan de tegenpartij.” Buiten beschouwing bleef ook dat de toneelleider aantrekkelijke actrices voortrok als ze hem bepaalde gunsten verleenden – een onfrisse kwestie die actrice Caroline van Dommelen al in 1910 in een lezing voor de Vrije Vrouwen Vereeniging aan de kaak had gesteld.

Pensioen

Half februari had burgemeester Jan Willem Tellegen aangeboden om te bemiddelen tussen directies en stakers. De séjour-regeling wist hij naar bevrediging van beide partijen op te lossen, waarbij de stakers grotendeels hun zin kregen. Ook wat betreft het minimumloon gaven de directeuren toe. Maar een pensioenregeling bleek een onmogelijke horde. Om die reden én om af te dwingen dat toneeldirecties geen rancunemaatregelen zouden nemen, sleepte de staking zich nog voort tot een NKTV-ledenvergadering op 26 mei.

De teleurstelling dat de staking geen pensioenregeling had opgeleverd, was groot. En rancunemaatregelen kwamen er toch. Een van de slachtoffers was Theodora Mann-Bouwmeester. Tientallen jaren had de grote actrice volle zalen in de Stadsschouwburg getrokken, maar Willem Royaards misgunde haar een nieuw engagement, inclusief het pensioen dat de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsch Toneel – het gezelschap dat de Stadsschouw bespeelde – haar had toegezegd, als ze na het seizoen 1920-1921 op haar 70ste afscheid wilde nemen. Uiteindelijk kreeg ze een half pensioen en speelde ze nog vijf jaar door (ook enkele keren in de Stadsschouwburg!), voordat de gemeente bijsprong en haar een pensioen toekende.

“De toneelspelers hebben laten zien dat ze menschen van bloed en beenderen zijn. Ze vroegen niet meer dan een bestaansminimum en een verzekerde oude dag. De directeuren leefden nog in een andere eeuw”, blikte Hijman Croiset kort na de staking terug. En eind 1925 kwam er door toedoen van wethouder Floor Wibaut alsnog een algemeen pensioenfonds voor toneelspelers.

MARIUS VAN MELLE IS HISTORICUS. MET DANK AAN FLORIAN DIEPENBROCK, DIE EEN PUBLICATIE OVER DEZE STAKING VOORBEREIDT.

Januari/Februarinummer 2020

0

Beeld: Collectie IISG