“Ontvang mijn hartelijke dank voor uw lieve bereidwilligheid. De reden dat ik de stok terug had willen koopen was dat ik bang was dat hij soms in handen was gekomen van menschen die er minder prijs op zoude stellen. (…) Er zijn vele herinneringen aan verbonden…”

Aldus de weduwe J.H. Albregt-Engelman in een briefje aan kunstminnaar J.L.A. Schut, gedateerd 18 januari 1886. De heer Schut had de wandelstok in kwestie twee dagen eerder verworven op een openbare veiling, waar de complete inboedel van de beroemde 19de-eeuwse actrice Maria Johanna Kleine-Gartman (1818-1885) werd geveild. Met de opbrengst van die veiling zou een fonds worden opgericht ter ondersteuning van “oude tooneelspelers en tooneelspeelsters”.

De bezorgdheid van mevrouw Albregt-Engelman is verklaarbaar. Het was niet zomaar een wandelstok waar het hier om ging. Het was er een die de hele 19de-eeuwse toneelgeschiedenis van nabij had meegemaakt: de bloeitijd tussen 1800 en 1820, de periode van het zogenaamde verval (toen er voornamelijk melodrama, balletten en luchtig vertier in de Amsterdamse Stadsschouwburg te zien waren), de exotische decors van François Pfeiffer, de introductie van het gaslicht, de oprichting van de Koninklijke Vereeniging het Nederlandsch Tooneel en de periode van ‘verheffing’ die daarmee inzette. Mevrouw Albregt-Engelman zette in haar brief de eigenaren van de stok op een rijtje. De eerste was Andries Snoek (1766-1829) geweest, naast Louis Bouwmeester onbetwist een van de grootste acteurs van zijn tijd en volgens tijdgenoten een indrukwekkende verschijning op het toneel. Vooral zijn zware, metalen stem maakte indruk en hij was vermaard om zijn “kunstrijke gebaardentaal”. Snoek was in zijn dagen ongekend populair. Na zijn overlijden vond in de Stadsschouwburg een indrukwekkende rouwplechtigheid plaats en vele Amsterdammers probeerden een glimp op te vangen van de begrafenisstoet.

De wandelstok kwam vervolgens in handen van de acteur Gerrit Carel Rombach (1784-1833), die net als Snoek verbonden was aan de Amsterdamse Stadsschouwburg. Rombach blonk echter - anders dan Snoek, die in uiteenlopende genres schitterde - vooral uit in komische rollen.

De acteur/schouwburgdirecteur Reinier Engelman (1795-1845), leerling en vaste tegenspeler van Andries Snoek in diens laatste levensjaren, heeft de stok ook een tijdje in zijn bezit gehad. Een talentvolle acteur, vond Snoek, die over hem gezegd zou hebben: “Hij is niet waanwijs en daarom zal hij het ver brengen.”

Na het overlijden van Engelman gaf zijn weduwe de stok door aan haar schoonzoon Jan Albrecht (1829-1879) toen hij voor het eerst de rol van een oude, gebrekkige man vertolkte in De twee invaliden. Mevrouw Albregt-Engelman gaf na de dood van haar man Jan de wandelstok eigenhandig aan ‘Mietje’ Kleine-Gartman. Zij zou er in 1880 voor het eerst mee op het toneel hebben gestaan, als Madame Pernelle, de oude moeder in Molières Tartuffe. En vijf jaar later duikt hij ook op in de berichtgeving over haar afscheidsrol: de aan jicht lijdende Juffrouw Serklaas uit het gelijknamige stuk van Hendrik Jan Schimmel. Met deze rol vierde zij tegelijkertijd haar gouden jubileum. Maar de tournee viel haar zwaar en kort na haar laatste voorstelling stortte ze in. Haar vele fans waren geschokt. De kranten berichtten dagelijks over haar afnemende gezondheid. Ze stierf korte tijd later, 66 jaar oud.

De stok werd, zoals gezegd, geveild en opgekocht door Schut, die de bezorgde mevrouw Albregt-Engelman snel gerust wist te stellen. Zij vond het uiteindelijk niet nodig om de stok van hem terug te kopen. Zij wist dat hij bij hem - die al getoond had zoveel voor de kunstenaars en de kunst over te hebben - in goede handen was. En dat bleek ook: Schut deed de stok uiteindelijk cadeau aan A.Th. Hartkamp (1848-1924), een collectioneur die toen ook al bekendheid genoot vanwege zijn enorme toneelverzameling. Vanaf dat moment was de stok niet langer een gebruiksvoorwerp, maar een museumstuk. En toen Hartkamp in 1894 met zijn collectie als uitgangspunt de allereerste tentoonstelling over toneel in Nederland inrichtte - aanleiding was de opening van de nieuwe Amsterdamse Stadsschouwburg - kreeg de wandelstok een prominente plaats.

Na het overlijden van Hartkamp werd zijn toneelcollectie opgekocht door het Nederlands Toneelverbond. Doel: de oprichting van een echt toneelmuseum. Dat gebeurde uiteindelijk op 28 februari 1925. Om een indruk te geven van de schatten die Hartkamp in zijn verzamelwoede bij elkaar had vergaard, werd in de toneelschool een kleine tentoonstelling georganiseerd. Ook daar lag de stok weer prominent in het zicht.

Daarna heeft hij decennialang geen daglicht meer gezien. Het grote probleem was geldgebrek, waardoor geen passende expositieruimte beschikbaar was. Het probleem van de behuizing werd opgelost in 1958, toen de collectie verhuisde naar het huidige adres, Herengracht 168. Hier is het Toneelmuseum uitgegroeid tot Theater Instituut Nederland. En wat de gevolgen van de subsidiestop voor het museum ook mogen zijn, de stok zal, zo is de bedoeling, samen met de honderden kostuums, affiches en schilderijen, in de toekomst in ieder geval via internet te bezichtigen zijn.

Tekst: Rob van der Zalm

Maart 2001

R. van der Zalm is medewerker van het Theater Instituut Nederland.