"In het weekend waren er kijkdagen. Hele stoeten auto's die daar kwamen de eerste paar jaar. Dan stond je te werken en dan kwamen ze met hun zandpoten gewoon naar binnen. 'Wat kom je doen?' 'We komen even kijken.'", vertelt een bewoner van het eerste uur uit Almere Haven tijdens een interview in 2009 over de pionierstijd eind jaren zeventig.
Tussen 1960 en 1985 nam de Amsterdamse bevolking dramatisch af, met bijna 200.000 inwoners. Gemeenten als Almere, Purmerend en Hoorn waren speciaal aangewezen om Amsterdammers te huisvesten. Hun massale trek naar die plaatsen staat bekend als de 'overloop'.
Vanwaar die overloop? Liep de stad leeg? Waarom vertrokken Amsterdammers naar plaatsen op enige afstand van de stad, die ook nog eens heel anders van karakter waren: laagbouw in een rustige omgeving? Er was in die periode toch ook een grote stadsvernieuwingsoperatie om mensen betere woningen te kunnen bieden. En wat gebeurde er met de Amsterdammers in hun nieuwe omgeving?
De overloop begon in een periode dat in Amsterdam juist veel woningen waren bijgebouwd om de woningnood het hoofd te bieden als gevolg van de sterke Nederlandse bevolkingsgroei die met de industrialisatie was ingezet. De ergste nood werd gelenigd in een omvangrijk naoorlogs bouwprogramma, al in de jaren dertig deels vastgelegd in het Amsterdams Uitbreidingsplan, dat zijn beslag kreeg in de Westelijke Tuinsteden, Buitenveldert en delen van Amsterdam-Noord.
Desondanks was het woningtekort in de jaren zestig zeker niet opgelost. In 1970 verscheen een nota met de boodschap dat er 54.000 woningen moesten worden gebouwd vóór 1980 en buiten de gemeentegrenzen, in het 'stadsgewest'. Het was dus niet zo dat de vraag naar woningen afnam, integendeel.

Aantrekkingskracht

Maar waar komt dan die afname van 200.000 inwoners vandaan? Het korte antwoord is dat er minder mensen bij elkaar in huis woonden. De daling van het aantal personen per woning was spectaculair: de gemiddelde woningbezetting nam af van 3,5 in de jaren vijftig naar 2,2 in de jaren tachtig. Of in een ander opvallend getal uitgedrukt: in 1984 woonden er net zoveel mensen in de stad als in 1922, maar waren er ruim twee keer zoveel woningen.
Er kwamen meer kleine huishoudens. Het aantal jongeren in de stad steeg sterk doordat de kinderen van de geboortegolf volwassen werden en met de uitbreiding van het hoger onderwijs als student in de stad gingen wonen. Er waren meer echtscheidingen, het aantal geboorten liep terug en er was een sterke stijging van eenoudergezinnen, alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens zonder kinderen. Deze 'huishoudensverdunning' werd het sterkst gevoeld in de oude wijken. In Amsterdam was dit een abrupt proces.
De kleine huishoudens namen de plaats in van grote huishoudens: het aandeel gezinnen nam flink af. De aantrekkingskracht van de woningen buiten de stad was groot. Relatief welvarende stedelingen zochten ruime eengezinswoningen: rijtjeshuizen met een tuin en parkeren voor de deur, in een rustige, ongecompliceerde omgeving. Gemeenten als Landsmeer, Abcoude en Badhoevedorp concurreerden onderling en boden ruimte aan ontwikkelaars van koopwoningen en aan particuliere beleggers voor ruime huurwoningen. Deze spontane 'suburbanisatie' (het ontstaan van voorsteden) markeerde het begin van de overloop.
Het percentage woningen waarmee dergelijke plattelandsgemeenten gemiddeld per jaar groeiden, bleef stijgen. In Noord-Holland van 3,1% per jaar tussen 1960-1969 naar 6,7% in de jaren 1970-1973. Voor de plattelandsgemeenten in de provincie Utrecht is er voor die perioden een stijging van 4,4% naar 5,7%. Niet dat het Rijk in deze periode stedelingen aanmoedigde om in dorpen te gaan wonen, integendeel. In de jaren zestig was een ontmoedigingsbeleid op uitbreiding van kracht waarbij de groei van het inwonertal niet boven de 2,2% mocht uitkomen. De gedachte was dat als gemeenten willekeurig zouden blijven uitbreiden, het land langzaam zou dichtslibben.

Enquêtes

Welvaartsgroei en hogere eisen aan woning en woonomgeving in combinatie met autobezit kondigden een massale overloop aan, die op een of andere manier in goede banen moest worden geleid. De term overloop heeft een dubbele betekenis: hij geeft niet alleen aan dat de bevolkingsgroei die de stad niet meer aan kon elders de ruimte zocht, maar ook dat het groene buitengebied erdoor dreigde dicht te slibben. Nieuwe gemeenten als Almere en Lelystad en de nieuwbouw van Purmerend en Hoorn moesten de oplossing bieden. Zij werden de 'groeikernen' om de overloop op te vangen.
Onderzoek met enquêtes naar woonwensen wees op een overweldigende vraag naar eengezinswoningen: 90% van de ondervraagden wilde bij voorkeur een woning zonder boven- of onderburen, met een eigen tuin. Hadden Amsterdammers op driehoog-achter een voorkeur voor een eengezinswoning ontwikkeld? Misschien. In ieder geval nam de weerstand toe tegen hoogbouw of appartementen in het algemeen. Het liep niet storm toen de Bijlmermeer werd gebouwd. "Mijn man wilde niet naar de Bijlmer en van Almere hebben we altijd gezegd, ja hier willen we wel wonen", vertelde een inwoner van Almere-Haven.
Maar het was ook vooral een streven van politici en beleidsmakers, om de zo gewenste eengezinswoningen mogelijk te maken voor iedereen en niet alleen de vermogenden. Wil Otto, directeur Rijksdienst IJsselmeerpolders, zei het zo: "Vroeger kon alleen het welgestelde deel van de bewoners zich in het Gooi, langs de Vecht of in Bloemendaal vestigen. Later konden de middengroepen zich ergens in een dorp een premiekoopwoning veroorloven. Maar pas in Lelystad, en later in veel grotere aantallen in Almere, konden ook minder draagkrachtige stedelingen een huurhuis met tuin aangewezen krijgen."

Pleedouches

Eengezinshuizen met tuin in woongebieden met een eigen sfeer werden een vast onderdeel van het beleid. Zo kreeg onder andere Almere in de jaren zeventig gestalte als "een alternatief voor verdergaande suburbanisatie". Daarnaast waren de groeikernen nodig voor de stadsvernieuwing, in Almere 3000 woningen per jaar. Dat klinkt raadselachtig. De stadsvernieuwing wilde met 'bouwen voor de buurt' toch juist Amsterdammers in de stad houden?
Het antwoord op die vraag heeft alles te maken met de beroerde staat van de woningen in grote delen van de binnenstad en de 19de-eeuwse wijken, zoals de Pijp en de Dapperbuurt. Ze waren klein en slecht toegerust, als ze al niet op instorten stonden. Een particuliere eigenaar: "Heel veel huisjes hebben van die pleedouches. Als je gedoucht hebt, dan is je bril nat." Terwijl de welvaart toenam, zaten gezinnen in kleine en kwalitatief slechte woningen. Ze wilden weg.
De meeste particuliere huiseigenaren waren weinig kapitaalkrachtig en bezaten slechts enkele panden als belegging of via een erfenis. "Laag rendement, maar een zeker inkomen. Ik heb daar een stelletje huisjes, sociale huur. Komt niet veel uit, gaat niet veel in." 'Huisjesmelkers' of niet, de kleine eigenaren misten eenvoudigweg de middelen om woningen te verbeteren boven het reguliere onderhoud. Dat kwam ook door de naoorlogse huurbevriezing en het zeer behoudende huurprijsbeleid in Amsterdam tot in de jaren negentig.
Dankzij nieuwe wetgeving kon de gemeente eigenaren onder druk zetten met een 'verscherpte aanschrijving', waarbij ze dreigde het achterstallig onderhoud uit te laten voeren en te verhalen op de eigenaar. "Dan zeggen ze: je kunt het gewoon doorverkopen aan de corporaties. We gaan vernieuwen, wil je niet verkopen?" Dit was een geleidelijk proces, dat een ander raadsel uit deze periode opleverde: de combinatie van 'woningnood' en 'leegstand'. De vraag bleef onverminderd hoog, terwijl leegstand ontstond door onbewoonbaarverklaringen en speculatie. De kraakbeweging sprong erin en bracht het proces verder op gang. De tijdelijke leegstand die zo ontstond, was geen teken van leegloop en had weinig of niets te maken met de overloop.

Wervingscampagnes

Het uitplaatsen van de bewoners bij de sloop van Kattenburg en de drastische nieuwbouw op Kattenburg en de Roomtuintjes in de Dapperbuurt leerden dat mensen meer aan hun straten en buren waren gehecht dan was gedacht, en in plaats van ingrijpende sanering werd 'bouwen voor de buurt' het motto van de stadsvernieuwing. De zittende bewoners moesten kunnen terugkeren in betaalbare woningen. Gedurende de vernieuwing konden ze onderdak vinden in die 3000 woningen per jaar in Almere. Het was de bedoeling dat een deel zou blijven, omdat er minder woningen waren om naar terug te keren.
Vooral de huishoudens die grotere woningen zochten, verlieten de stad. Vanaf 1975 toonden de oude wijken van Amsterdam een mix van drie relatief stabiele groepen die lang het beeld van de stad gingen bepalen: immigranten, hoger opgeleide nieuwkomers en oorspronkelijke Amsterdammers.
In 1976 werden de eerste woningen in Almere Haven gebouwd, geheel conform de gemiddelde woonwensen: veel begane grond en kwalitatief hoogwaardig voor de lagere inkomens. De andere wijken volgden. Maar bij deze sociale ambitie – iedereen een auto, iedereen een eengezinswoning – bleef het. Een eigen stedelijke cultuur in de nieuwe omgeving kwam er niet, integendeel. Door het scheiden van mobiliteit, consumptie, vrije tijd en wonen zou Almere alles krijgen van een stad, zonder de 'massaliteit' van Amsterdam.
Om de woningzoekenden in Amsterdam te bereiken, werden wervingscampagnes opgezet. De Gemeentelijke Dienst Herhuisvesting en de woningcorporaties brachten het aanbod direct bij de mensen thuis. Folders lieten zien wat de mogelijkheden waren. Het was allemaal snel geregeld. "M'n ouders kwamen bij de woningbouw. Nou, toen zei die meneer: 'Welk nummer wilt u wonen?' En we kommen daar een dooie straat in. Helemaal leeg. Alleen op nummer twee woonden de eerste bewoners. Ze hebben nummer vier genomen."

Kerstman

De eengezinswoningen betekenden een enorme materiële vooruitgang voor Amsterdammers uit de oude wijken. Een gezin kon van een krappe driekamer-etage in de vooroorlogse stad verhuizen naar een betaalbaar huurhuis of een gesubsidieerde koopwoning. "Mijn moeder had dan gehoord dat je heel makkelijk huizen kon huren in Almere. En toen heb ik opgebeld en toen zeiden ze: 'Ja.' En die had huizen te huur met zes kamers. Nou, dat sprak ons wel aan, plus tuin, plus zolder."
Het was zeker niet zo dat álle mensen in de jaren zeventig en tachtig blijmoedig uit eigen wil vertrokken: ook de beperkte keuzemogelijkheden duwden Amsterdammers de stad uit. "Ik had niet weg gehoeven", zeggen sommigen, ook al zijn zij tevreden met Almere. Verhuizen naar een andere wijk binnen de stad was moeilijk. "Het feit dat je de buurt uit wou, daar was geen hokje voor. Ik heb de deur platgelopen bij herhuisvesting toen zei die ambtenaar: 'U kunt naar Hoorn, Bovenkarspel, u kunt naar Purmerend en u kunt naar Almere en dat is het.' En hij gaf me vier formulieren en hij klapte zijn loket dicht, boem, uit."
Het is een vaak verteld verhaal dat als het ware hele straten van de Kinkerbuurt of de Dapperbuurt zijn omgezet in wijkjes van Almere. Aannemelijker is dat Amsterdammers verspreid in de nieuwe wijken terechtkwamen. Wel worden de eerste delen van Almere Haven sterk geassocieerd met Amsterdammers. Maar wat is er van de Amsterdamse cultuur eigenlijk meeverhuisd naar deze buurt?
Bekende eigenschappen van de hoofdstedelijke cultuur, zoals individualisme, tolerantie en politiek links, zijn volgens de bewoners zelf niet typerend voor Almere Haven. Wel de openhartigheid, de directheid in de omgang en de Amsterdamse humor. "Amsterdammers zijn wel recht voor je raap, denk ik. Dat zie ik wel om me heen bij buren en zo." Humor komt goed van pas om buurtgenoten op een subtiele manier te wijzen op de toestand van huis en tuin: "Die kerstman kan onderhand zijn muts wel afzetten."

Amsterdammertjes

Auto's hebben stickers met andreaskruisen en er liggen Ajax-sjaals op de hoedenplank. "Een Amsterdammer is gewoon Amsterdammer, maar dan in Almere." Ook is niet uitzonderlijk dat bewoners een Amsterdammertje in de tuin hebben staan. Behalve deze anti-parkeerpaaltjes – in Amsterdam zelf zijn ze uit het straatbeeld verdwenen – telt Almere Haven veel tuinkabouters, die opmerkelijk genoeg ook als heel Amsterdams worden gezien. Wat Amsterdams is, past zich dus aan. "Almeerder? Dat kan ik niet zeggen. Amsterdammer? Ook niet meer. Ja, wel meer. Ik voel me hier prettig. Het zit er nu een beetje tussenin."
Vanwaar dus eigenlijk die overloop? De woningen in de stad duwden de mensen weg: ze waren klein en in een slechte staat van onderhoud, terwijl de vraag groot bleef en de huishoudens inkrompen. De woningen buiten de stad lokten aan. Net als de welgestelde Amsterdammers die naar de forensendorpen rond de stad verhuisden, waardeerden de vertrekkers uit de oude wijken bovenal hun relatief ruime eengezinswoningen met tuin en parkeergelegenheid in een rustige, ongecompliceerde omgeving.
De onderzoeken naar de woonwensen en het vooruitstrevende denken van beleidsmakers bespoedigden de bouw van eengezinswoningen buiten de stad. De stad, die in de tijd van de overloop veel inwoners verloor, maar geenszins leegliep: overloop was nog geen leegloop. Het aantal inwoners daalde dramatisch, maar tegenover het vertrek van gezinnen stond de komst van kleinere huishoudens, met name van de jonge, hoger opgeleiden en de immigranten. Beide groepen namen sterk toe, met een grote impact op de toch al 'compacte stad'.