Onder deze kersverse ‘christenslaven’ bevond zich Nicolaas Paravicini, die eerder zelf actief in mensen had gehandeld aan de Afrikaanse kust. Paravacini was ongeveer 45 jaar oud toen zijn leven deze onverwachte wending nam. Hij was afkomstig uit Heidelberg maar had zich gevestigd in Amsterdam; in de Jonkerstraat, waar veel andere recente immigranten kwamen te wonen. Gedurende de jaren 1670 stichtte hij een gezin in Amsterdam. Hij trouwde eerst in 1671 met Jannetje Pieters, en in 1677 werd in de Oude Kerk hun dochter Antonia gedoopt. In 1678 was Jannetje klaarblijkelijk overleden, want toen trad Paravicini, inmiddels wonend in de Peperstraat, in het huwelijk met Barbara Seekers, een trouwe partner die later een cruciale rol zou spelen in zijn redding uit de slavernij en repatriëring naar Amsterdam.

Supercarga

Paravicini bouwde gedurende deze periode niet alleen een familie, maar ook een carrière op in Amsterdam: de stad bood veel mogelijkheden om op te klimmen. Bij zijn ondertrouw in 1671 werd hij aangeduid als scheepsbarbier, maar in 1678 was hij inmiddels bevorderd tot (scheeps)chirurgijn. In deze capaciteiten leverde hij zijn diensten aan de West Indische Compagnie (WIC) en de Sociëteit van Suriname. Op schepen van beide organisaties zou hij verschillende keren de Atlantische Oceaan oversteken.

Hij nam steeds meer administratieve verantwoordelijkheden op zich en maakte uiteindelijk zelfs promotie tot supercarga: een functionaris aan boord van schepen die bemiddelt tussen de bemanning en de rederij. Paravicini had zo dus als ‘vertegenwoordiger’ van de WIC of Sociëteit aan boord van de schepen een belangrijke rol in de uitvoering van de reis in kwestie.

Als supercarga speelde hij ook een actievere rol in de slavenhandel zelf: zo legde hij in 1685 voor de Amsterdamse notaris Stephanus Pelgrom een verklaring af over een administratieve blunder die begaan was aan boord van het slavenschip Vrede, waar onder zijn waakzame oog 28 slaafgemaakten te veel bleken te zijn ingekocht.

In 1687 was hij, wederom als supercarga, aan boord van de St. Pieter. Naast Paravicini en kapitein Cornelis Verver waren er ongeveer vijftig bemanningsleden op het schip. Begin september voer dat ter hoogte van Kaap Finistère in Noord-Spanje, toen het halverwege de ochtend aangevallen werd door een Algerijnse kaper. Er volgde een uitputtende zeeslag die tot laat in de middag duurde. De St. Pieter had inmiddels meerdere doden onder haar opvarenden, maar het leek erop alsof de kaper eindelijk aan het afdruipen was.

Uitputting en heimwee

Het noodlot sloeg echter alsnog toe: een door het geschut veroorzaakt brandje aan boord liep uit de hand. De resterende bemanning was gedwongen het zinkende schip te verlaten en sprong overboord. Sommigen verdronken; anderen, onder wie Paravicini, werden ‘gered’ en opgevist door de Algerijnen. Hun bestemming was Algiers, waar een nieuw bestaan in christenslavernij op ze wachtte.

De Algerijnse kaapvaart joeg veel schrik aan bij zeelieden in de vroegmoderne tijd. Slachtoffers van deze kapingen werden meestal afgevoerd naar steden op de Noord-Afrikaanse kusten, zoals Salé, Tunis en vooral Algiers, en daar gevangen gezet, verhandeld, en aan het werk gezet. De gedwongen arbeid van de christenslaven werd gebruikt in bijna alle hoeken van deze kuststeden: van roeien op galeien en de bouw van grote publieke infrastructuur tot verfijnde administratieve functies aan de hoven.

Enkele uitzonderingen daargelaten was het een hard bestaan, waar vrijheidsberoving, uitputting en heimwee aan de orde van de dag waren. Wel gloorde er voor de christenslaven een puntje hoop aan de horizon Dat de meeste slachtoffers van de transatlantische slavenhandel niet was gegund: er was een mogelijkheid tot vrijkoop.

Europese samenlevingen waren zeer begaan met en verontwaardigd over het noodlot van deze zeelieden. Overheden, religieuze organisaties, zakelijke partijen (zoals compagnieën of rederijen) en lokale gemeenschappen probeerden continu geld voor vrijkoop en de repatriatie van christenslaven bijeen te brengen. De gevraagde losgeldsom hing vaak af van de sociaaleconomische status van de christenslaaf: een kapitein was duurder dan een scheepsjongen. Maar zelfs voor een scheepsjongen kon een losgeldsom zo 1000 gulden bedragen: bijna drie keer het jaarinkomen van een arbeider in de Republiek.

Dure gevangene

Paravicini was dan ook een uiterst kostbare gevangene om te lossen. Als supercarga en getraind chirurgijn was hij een belangrijke en daarom dure functionaris. Daarnaast wist men in Algiers heel goed dat als er een ‘rijke’ losser in beeld was om de gevangene vrij te kopen, de prijs nog verder omhoog kon.

In het geval van Paracivini was het de WIC die zou opdraaien voor het losgeld, want in deze periode was het vaak de rederij van het gekaapte schip die de verantwoordelijkheid nam voor de lossing van ‘hun’ personeel. Een grote compagnie als de WIC werd gezien als veel kapitaalkrachtiger dan een kleine, private rederij. De Algerijnse eigenaar van Paravicini had 1500 gulden voor hem betaald, en het losgeld werd vastgesteld op 3100 – een puike winst voor de ‘meester’.

Hoewel rederijen vaak het losgeld verschaften, deden ze dit niet altijd uit de goedheid van hun hart. Vaak was het eerder een voorschot, en werd er verwacht dat de zeeman zijn ‘lossingsschuld’ zou terugbetalen aan de rederij, in cash of door middel van te leveren arbeid. Ook moest in veel gevallen het persoonlijke netwerk van de zeeman opgetrommeld worden om borg te staan, of te lobbyen bij de rederij om de casus van hun geliefde aandacht of prioriteit te geven.

Trouwe echtgenote

De vrouwen in het leven van de zeeman – zijn echtgenote, moeder of zusters – stonden hierin vaak centraal. Zo ook Barbara Seekers, de trouwe echtgenote van Nicolaas Paravicini. In oktober 1688, ongeveer een jaar nadat haar man in slavernij verzeild raakte, trotseerde zij de vergadering van de WIC-directeuren en verzocht hen 2500 gulden op te hoesten voor het losgeld van haar man ‘in consideratie van sijne goede en trouwe diensten’. Ze beloofde dat hij het bedrag zou terugverdienen in dienst.

De Heren X keurden haar verzoek goed, en vroegen de Amsterdamse gedeputeerden om het te regelen. Ondertussen was Paravicini zelf ook in staat om zijn zaak onder de aandacht te brengen: ondanks zijn gevangenschap kon hij brieven sturen naar het thuisland. Hij zorgde ervoor dat het noodlot van de St. Pieter en haar bemanning breed werd uitgemeten in de Hollandse kranten, waardoor de schrik van het publiek voor de ‘Turk’ nog verder werd aangejaagd.

De bureaucratische procedure bij de WIC verliep nogal stroperig, en pas in 1691 (vier jaar na het incident) verschenen de Amsterdamse bewindhebbers Pieter van Wickevoort en Jacob Scott voor notaris Stephanus Pelgrom om de benodigde borgstellingen voor de lossing af te handelen. Het was dezelfde notaris die eerder door Paravicini zelf in de arm was genomen om documentatie op te stellen over diens aan slavenhandel gerelateerde activiteiten. Nu waren de documenten van de notaris het ticket om zijn eigen vrijheidsberoving ongedaan te maken.

Servicekosten

In juli 1692 kwam er schot in de zaak. In de vergadering van de WIC-bewindhebbers werd aangekondigd dat de lossing van collega Paravicini dan eindelijk ‘verzekert’ was. Hij was aangekomen in Livorno – een vrijhaven en daarmee doorvoerhaven voor recent geloste christenslaven – en had zijn geliefde echtgenote Barbara in een brief hiervan op de hoogte gesteld. De procedure voor het terugbetalen van de rederij, borgen, contraborgen, en alles ertussenin werd meteen in gang gezet. De rekening was met alle ‘servicekosten’ meegerekend circa 3500 gulden: tien keer het gemiddeld jaarsalaris van een arbeider, of de prijs van een respectabel huis en erf in hartje Amsterdam.

Ondanks het relatief hoge salaris dat Paravicini kon verdienen als supercarga en (opper)chirurgijn aan boord van de schepen, zal het lang geduurd hebben voordat hij deze schuld kon aflossen. In 1693 kwam hij weer in dienst van de WIC, deze keer aan boord van het schip De Roomse Keizer, dat 524 slaafgemaakten inkocht op de Congolese kust. 477 van de Afrikaanse gevangenen werden in Curaçao ontscheept; 47 van hen hadden de Atlantische oversteek niet overleefd. Paravicini evenmin; hij overleed, weliswaar als vrij man, aan boord van het slavenschip.

Tessa de Boer doet aan de Universiteit Leiden promotieonderzoek naar de exploitatie van het Franse koloniale rijk door vroegmoderne Nederlandse firma's.

Header: Tot slaaf gemaakte christelijke gevangenen worden verkocht op een plein in Algiers. Tekening door Jan Luyken uit 1684. Rijksmuseum Amsterdam