Louis Bouwmeesters begrafenis was een nationale gebeurtenis. Al dagenlang hadden de kranten vol gestaan met nieuws over het vervoer van het stoffelijk overschot van de Ziekenverpleging aan de Prinsengracht, waar hij was gestorven, naar de speciaal ingerichte chapelle ardente in de Stadsschouwburg aan het Leidseplein. Daar werd hij herdacht, de grootste toneelspeler van het land.

Het centrum van Amsterdam was op zaterdag 2 mei 1925 tijdelijk afgesloten om ongestoorde doorgang te verzekeren voor de plechtige rouwstoet. Rijen dik stonden de belangstellenden langs de route. "Overal mensen en nog eens mensen", meldde de zondagseditie van het Algemeen Handelsblad de volgende dag in een paginagroot verslag. In diep stilzwijgen namen de mannelijke omstanders hun hoed of pet af als de stoet voorbijkwam.

Van de Stadsschouwburg reed de koets met paarden, gevolgd door honderden rouwenden uit de toneelwereld, naar de Stadhouderskade, om via het Westeinde koers te zetten naar het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein, waar de overledene zoveel triomfen had gevierd. Ook daar stonden duizenden mensen. Het Paleisorkest speelde de treurmars van Chopin, terwijl er bij de ingang talrijke kransen werden gelegd. De optocht ging verder via het Oosteinde naar de Amsteldijk. En zo bereikte men de begraafplaats Zorgvlied, waar de aanbeden acteur zijn laatste rustplaats vond.
Iedereen die in de toneelwereld iets te betekenen had, was erbij. Net als talloze hoogwaardigheidsbekleders, onder wie wethouder Floor Wibaut en vertegenwoordigers van het Rijksmuseum en het Concertgebouw. Esther de Boer-van Rijk, de legendarische Kniertje uit Op hoop van zegen, legde bloemen op de kist. "Allen voelden de ontroering", zag de verslaggever van het Algemeen Handelsblad, die de lezers tevens een korte inhoud bood van alle veertien toespraken die aan de groeve werden gehouden. "De plechtigheid was hiermede ten einde", besloot hij zijn omvangrijke relaas. "Een grote zoon van Nederland, een machtig kunstenaar, was te ruste gelegd." En zo putten alle kranten zich die dag uit in de bloemrijkste bewoordingen – de een nog indrukwekkender dan de ander.

Louis d'Or

Maar de roem van een toneelspeler is vluchtig. Zeker als hij afkomstig is uit een tijd waarin geluids- en filmopnamen nog allerprimitiefst zijn. Wat er tegenwoordig nog van Louis Bouwmeester (1842-1925) rest, zijn enkele fragmentjes waaruit weinig van zijn vroegere grootsheid valt af te leiden. Ook zijn graf op Zorgvlied is er nog, en hier en daar herinnert een straatnaam aan hem (bijvoorbeeld in Slotervaart). Verder leeft hij hooguit nog voort in de naar hem genoemde Louis d'Or, de prijs voor de beste acteur van het jaar. Zoals de beste actrice al ruim een halve eeuw de Theo d'Or krijgt naar zijn acterende zus Theodora.
Louis Bouwmeester was niet alleen veruit de grootste van zijn tijd, maar ook een telg uit een toneeldynastie die al in de eerste jaren van de 19de eeuw van zich had laten horen. Zijn vader was de toneelspeler Louis Rosenfeldt, leider van de Nederduitse Tonelisten, een groepje dat langs provinciale schouwburgen en kermissen reisde. En zijn moeder was Louise Bouwmeester, die als jonge actrice aan het gezelschap verbonden was. Hij 44, zij 23 en buitenechtelijk ook nog. Wat er tussen die twee opbloeide, klinkt misschien als een lichtzinnige mesaillance. Maar in totaal woonden ze circa 25 jaar bij elkaar en kregen ze vier kinderen. Alleen zat trouwen er niet in, omdat Rosenfeldts eerste vrouw nooit wilde instemmen met een echtscheiding. Zodoende kregen al die kinderen de achternaam van hun moeder.
Nederiger kon bijna niet: de kleine Louis Bouwmeester werd geboren in het huisje van een vishandelaar in Middelharnis, waar het groepje van zijn ouders een paar dagen eerder was neergestreken om in een feesttent toneel te spelen. Zijn toneeldebuut maakte hij al op zijn zesde. Dat sprak in zo'n gezin voor zichzelf: als de ouders acteurs waren, werden de kinderen dat ook. Vader gaf hen van jongs af aan bijna alle ochtenden declamatielessen. "Aan hem hebben we veel te danken", zei hij op latere leeftijd. "Hij begreep dat goed, breed, met kleur en betekenis zeggen van verzen, er nodige, maar weinige gebaren bij maken, standen aannemen, op het gezicht de indruk der woorden laten lezen, het geheim van alle toneelspelers was, mits men hier iets onder zijn vestje heeft. Anders is het niets."

Debuut

Een doorslaand succes was het debuut van de kleine Bouwmeester echter niet. Op latere leeftijd vertelde hij menigmaal hoe hem tijdens de voorstelling een grote zak krakelingen werd toegeworpen door een dame in het publiek die blijkbaar medelijden met hem had. "Dáár... mijn stumperd!", riep ze. De versnapering belandde vlak bij het hok van de souffleur, die zijn handen uitstak om de buit binnen te halen. Het joch schoot naar voren om de krakelingen alsnog in de wacht te slepen, maar vloog in vliegende vaart over het hokje heen de zaal in en belandde op de schoot van zijn weldoenster. Onder schaterend gelach van het publiek voegde de niet van ijdelheid gespeende Bouwmeester dan aan zijn verhaal toe: "Van de voorstelling kwam verder niet veel goeds. En al was dit gedeeltelijk mijn schuld, zo mag ik niettemin met trots staande houden, reeds bij mijn eerste optreden de lieveling van het publiek te zijn geweest."
Bij zijn vader leerde hij in de jaren erna het toneelspelersvak. Om vervolgens op eigen benen te leren staan in een groot aantal verschillende groepjes die zich vooral bezig hielden met volkstoneel en – veelal uit het Frans vertaalde –melodrama's. Naast de vele kermisengagementen werd Amsterdam allengs het centrum van zijn activiteiten. Vooral in de Salon des Variétés in de Amstelstraat groeide zijn populariteit met rasse schreden. Afwisselend speelde hij bij gezelschapjes die hij zelf had opgericht of in andermans producties.
De grootste wending in zijn carrière vond plaats in 1879, toen hij op 37-jarige leeftijd in dienst trad bij de Koninklijke Vereeniging Het Nederlandsche Tooneel, het voornaamste toneelgezelschap van het land, dat aanvankelijk in het Grand Théâtre speelde (eveneens in de Amstelstraat) en in latere jaren in de na een grote brand herbouwde Stadsschouwburg aan het Leidseplein.

Shylock

Bouwmeesters entree in dit elitair geachte milieu baarde groot opzien. Zo'n acteur uit het volkstoneel hoorde hier niet thuis, vond menigeen. Bij het 'betere' publiek stond hij alleen van horen zeggen bekend, aldus toneelkenner Simon Koster in zijn boek De Bouwmeesters, "als een bulderbast die zich in het melodrama avond aan avond placht schor te schreeuwen". Maar al na zijn eerste rol, in het Franse drama Niemand sterft van blijdschap, werd hij geprezen om zijn "fijnzinnige creatie, heel gevoelig en ingehouden gespeeld".
Zo wist Bouwmeester het pleit te winnen. Al in zijn tweede seizoen schitterde hij voor het eerst in de rol die hij meer dan 2000 keer zou spelen: de Joodse geldschieter Shylock in Shakespeare's klassieker De koopman van Venetië. Er is nog een stom filmfragmentje van bewaard. Zijn stem mag niet te horen zijn, we zien hem met een vervaarlijke puntbaard, priemende ogen en gebalde vuist. In hedendaagse ogen wekt zo'n uitdossing voornamelijk de lachlust op, maar meer dan een eeuw geleden toonden publiek én kritiek zich diep onder de indruk. Zo schreef recensent Taco H. de Beer in het blad Het Toneel: "Deze creatie is ongetwijfeld de schoonste triomf, ooit door de heer Bouwmeester behaald; hij ontvange onze warme hulde en onze innige dank."
Rond de voorlaatste eeuwwisseling was Louis Bouwmeester ongetwijfeld de beroemdste toneelspeler van het land. Zelfs daarbuiten, want hij speelde Shylock in Parijs, Londen en Nederlands-Indië. Ook in beide Europese hoofdsteden gewoon in het Nederlands, omringd door acteurs die eveneens hun eigen taal bezigden. De gedachte was dat Shylock niet verstaanbaar hoefde te zijn, omdat het publiek het stuk goed genoeg kende om toch wel te begrijpen wat hij zei. Zijn succes valt af te meten aan het feit dat hij bij zijn dood ook in toonaangevende buitenlandse kranten werd herdacht. The Times schreef: "Zijn Shylock-creatie te Londen was een avond die met rode letters in de annalen van het Londense toneel staat opgetekend."

Geldnood

Tot na zijn tachtigste is Bouwmeester zijn glansrol blijven spelen, op afmattende tournees en met een eigen gezelschap. Hij moest wel, hij had geen pensioen. Zelfs een eigen huis heeft hij nooit kunnen betalen; hij woonde in bij zijn zoon Raaf, een acteur van minder allooi, in de Derde Helmersstraat 55. Hij werd opgejaagd door "de wolf van de financiële noodzaak (...) van de ene uithoek van Nederland naar de andere, met een troepje dat ver beneden zijn stand was en dat wel beneden zijn stand móest zijn, omdat hij geen beter kon betalen", aldus Simon Koster. Tot overmaat van ramp werd de oude Bouwmeester in 1923 op het Roelof Hartplein aangereden door een auto, met een gebroken linkeronderbeen en gekneusde ribben als gevolg. Het weerhield hem er niet van nog geen half jaar later zijn tournee te hervatten, inclusief alle huldigingen die hem steeds vaker ten deel vielen.
Veel te laat eigenlijk werd Bouwmeester pas eind 1924 door de Amsterdamse gemeenteraad en de Nederlandse regering een jaargeld van f 5000,- toegekend. Trillend van verontwaardiging besloot de acteur Cor Dommelshuizen jr. zijn biografie over Louis Bouwmeester met een felle aanval op de politiek: "Wij willen dit laatste hoofdstuk niet ontsieren met een weergave van de raadsdebatten over dit onderwerp en ook de motivering weglaten van het onbenullige, uitgestreken raadslid dat tegen stemde, omdat hij meende dat Bouwmeesters vroegere publiek maar voor hem op moest brengen! Wij willen aan dit alles geen plaats inruimen, omdat het te 'klein' is in het kader van de beschrijving van een zo groot kunstenaarsleven!"

Overlijden

Louis Bouwmeester heeft dus niet meer van zijn pensioen kunnen genieten. Een half jaar na de toekenning van het jaargeld stierf hij, op zijn 82ste. Bijkans het hele land stond stil. In alle kranten stonden paginagrote herdenkingsartikelen vol eerbiedige superlatieven over de overledene. "Er is met hem een koning van de oude garde heengegaan, die nooit een waardig opvolger kan hebben", eindigde journalist-schrijver Henri Borel zijn necrologie in de Haagse krant Het Vaderland. "Er kan evenmin een tweede Louis Bouwmeester zijn als een tweede Napoleon."