Het brein achter deze ‘Park-O-Meter’ was de journalist Carl C. Magee. Magee hekelde de parkeerproblemen die zich in de Amerikaanse steden voordeden, en zag in de parkeermeter een oplossing. Al in haar eerste dagen toonde de uitvinding haar waarde: niet alleen waren er meer parkeerplaatsen beschikbaar, maar ook was de verkeersdoorstroom aanzienlijk verbeterd. Bovendien verdienden de lokale middenstand (want meer klanten dankzij de doorstroom) en natuurlijk de gemeente er een leuk zakcentje mee.

Aan de andere kant van de grote plas, in Amsterdam, deden dergelijke parkeerproblemen zich pas vanaf de jaren vijftig voor. De flinke toename van het gemotoriseerd verkeer leidde vooral in de nauwe binnenstad tot hinder. Om tot een ‘billijker verdeling van de beschikbare parkeerruimte te komen’, besloot de gemeente in het voorjaar van 1964 om 500 parkeermeters in het centrum te plaatsen. Ook in Amsterdam bewees de parkeermeter zijn nut: er was meer parkeergelegenheid, en de gemeente was 6000 gulden per week rijker – parkeren kostte een kwartje per uur. Maar in de jaren die daarop volgden nam het gemotoriseerd verkeer gestaag toe, en daarmee ook het aantal parkeermeters. Vlak voor het uitbreken van de pandemie harkte de gemeente dankzij de parkeermeters (inmiddels parkeerautomaten, parkeerapps en dergelijke) ruim 3.8 miljoen euro per week binnen, een uurtje parkeren kostte je gemiddeld zo’n 6,50 euro. We zullen dat bedrag maar niet in guldens omrekenen.

Ons Amsterdam blikte in 1992 terug op vijf eeuwen strijd tegen verkeersoverlast. Klik hier voor het artikel.

Voor degenen die niet genoeg kunnen krijgen van auto’s op de stoepen in de binnenstad: bekijk hier een polygoonjournaal uit 1970 waarin de Amsterdamse parkeerproblematiek aan bod komt.

Beeld: Beeldbank Stadsarchief Amsterdam, drukte op de Jan Hanzenstraat.