De geschiedenis van Amsterdam is al heel wat keren opgeschreven, maar er bestaat ook een gezongengeschiedenis van Amsterdam. Vele opzienbarende historische gebeurtenissen kregen hun weerslag in een lied. Samen met tijdlozer odes aan de stad (en vooral natuurlijk de Westertoren) en het dagelijks lief en leed van de Amsterdammer, is dat gezongen stadsnieuws van weleer vanaf half oktober rijk geïllustreerd te horen in het Amsterdams Historisch Museum op de tentoonstelling Geef mij maar Amsterdam. Tegelijk verschijnt een gelijknamig boek waarin deze liederen in hun historische context worden gezet. Hier geven wij u daarvan alvast een voorproef, over de periode 1914-1929.

In de Eerste Wereldoorlog blijft Nederland neutraal. De Nederlandse soldaten hoeven niet op het slagveld in actie te komen, en het dagelijks leven lijkt aanvankelijk niet echt van slag. Zoals wel vaker, zitten in kommervolle tijden de theaters en de stranden vol. Dat laatste is voor de Amsterdammers Zandvoort. ‘Amsterdam aan Zee’ is vertier voor het gewone volk en de ‘chique’ hoofdstedelingen. En als de zon de lijven niet verwarmt, dan doen de liedjes uit de populaire revues het wel:

De snobs uit Amsterdam
In ’t helder wit flanellen pak,
De ridders van de koude grond
Met ’n kwartje in d’r zak.
Die prefereren Zandvoort, want je vindt er meer natuur;
Oostende is te banaal, Monte Carlo is veel te duur.
Dies gaan ze naar Zandvoort, zo beweren ze met klem
En zingen keurig met hun halve-zachte Fosco-stem:

Zandvoort près la mer
We gaan naar Zandvoort près la mer
Met papa, met mama, met broertje en met zusje
Oncle Pierre, tante Claire en enfin ’t gehele husje
Gaat naar Zandvoort près la mer.
C’est très chique là, ce n’est pas cher
Oh, het is zo’n zaligheid
Wanneer je van de duinen glijdt
In Zandvoort près la mer.

Dat zingt de jonge zanger-komiek Louis Davids (1883-1939) in 1914. Vanuit zijn geboortestad Rotterdam was hij zijn artiestenloopbaan begonnen onder de hoede van zijn ouders, die de kermissen afreizen. Aanvankelijk vormt hij een duo met zijn zus Rika. Als zij naar Engeland verhuist, gaat Louis verder met zijn andere zus Henriëtte – Heintje, in de wandeling. Het succes brengt hen naar Engeland, waar Davids de pianiste Margie Morris ontmoet, de dochter van een conservatieve legerofficier. In 1913 volgt zij haar geliefde naar Amsterdam. Bij de pier van IJmuiden wordt het koppel verwelkomd als vorsten die uit ballingschap terugkeren.
Davids voelt zich steeds beter thuis in de hoofdstad, waar hij, met muzikale steun van Morris, de beste vertolker van het Jordaan-repertoire zal worden. Tot 1922 vormen ‘He, she and the piano’ een succesvolle combinatie.
Maar eerst viert Louis Davids nog triomfen met zus Heintje in het Flora-theater in de Amstelstraat, waar het gezelschap van Leon Boedels in 1915 de revue Loop naar den Duivel opvoert. Die is geschreven door Rido, ofwel journalist Philip Pinkhof, sinds 1914 Heintjes echtgenoot.
De onderwerpen voor die revue liggen voor het opscheppen: diplomatieke schermutselingen, de Nederlandse neutraliteit (“Naar Holland wordt heel druk gevrijd, maar Holland blijft een brave meid”), de eerste tekenen van voedselschaarste, straatverkoop van kranten (Heintje en Louis Davids bieden als krantenverkoper tegen elkaar op met doden en gewonden) en vaderlandsliefde. Als vuilnisman Tinus bezingt Louis Davids de politiek met humor en enige afstand:

“Ik loop langs straten en langs grachten
Altijd te ratelen uit alle macht
En blijf geduldig overal wachten
Totdat het vuilnisbakkie wordt gebracht.
Want vuil is er in elke woning,
Ik neem het mee zonder beloning,
Aan ied’re deur roep ik zo hard ik kan:
‘Juffrouw!... de vullisman!’

Zo zoek ik overal mijn vullis,
En kwam laatst ergens in Berlijn,
Geloof maar niet dat het flauwe kul is,
’k Moest bij een zekere Heer Keizer zijn.
’k Zei: ‘Sire, laat de lui maar kletsen,
Heeft U nog méér papieren Fetzen,
Of wat verdragen, die je schenden kan?
Sire!... de vullisman.”

Bij De Telegraaf is Rido/Pinkhof collega van theaterrecensent Barbarossa, die zijn mening over de revue in één woord samenvat: “Reuzensucces.”
Als hoofdredacteur schrijft Barbarossa (J.C. Schröder) ook over politiek. Zoals al in het vorige nummer van Ons Amsterdam werd verteld, jaagt hij de neutralistische Nederlandse regering op stang door fel voor de geallieerden en tegen Duitsland stelling te nemen. Op sinterklaasavond 1915 laat de minister van justitie hem zelfs daarom arresteren. Dat levert een golf van protest op. Zelfs in de Franse en Engelse pers verschijnen kritische stukken. 24 Amsterdamse hoogleraren eisen dat “aan deze beschamende gevangenneming een einde wordt gemaakt”. Louis Davids, die in het Paleis voor Volksvlijt optreedt, plakt een extra couplet aan het lied ‘Breng mij naar Amsterdam terug’, waarmee hij als een moderne cabaretier op de actualiteit inspeelt.

“Ik wil naar Amsterdam terug voor ’n heilig ideaal
D’r zit een Amsterdammer in een cel
Die moest, omdat ie z’n plicht deed in de bajes –
een schandaal, U snapt me wel.
Zo’n stoere Amsterdammer die moest ereburger zijn,
Een sieraad is hij voor de burgerij,
’k Ga naar de rechters toe
En smeek: ‘Laat onze Schröder vrij.’”

De voedselvoorziening wordt tijdens de oorlog een steeds groter probleem. Behalve voor de handelaars die een slaatje slaan uit de situatie. De OW’er (oorlogswinstmaker) is een dankbaar onderwerp voor (straat)liedjes:

“Die O.W.er is een type
Die men vroeger hier niet had
Hij is nu een illustratie
Van het leven onzer stad

Vroeger was hij varkensslager
Groenteboer of kruidenier
Nu bewoont hij ’n chique villa
In ’t museum- of parkkwartier.”

In 1917 wordt het broodrantsoen gezet op vier ons per dag. Noodgedwongen moet men de witte boterham verruilen voor het minderwaardig geachte bruinbrood. De komiek Maurice Dumas (Maurits Bonavang) zingt:

“Geacht publiek,
Ik ben zo ziek,
’k Kan geen oorlogsbrood verdragen!
Dat paardenbrood,
Dat is mijn dood,
’t Maakt me gek of idioot.
’k Ben geheel van streek,
Zie van maagkramp bleek.

’k Ben abonnee
Van de W.C.,
’k Moet me telkens absenteren.
Loop ik op straat,
Weet ik geen raad,
Als mijn maag aan ’t romm’len gaat.
’k Droom er van in bed,
En roep luid: ‘Bezet.’”

In de zomer van 1917 gaat het mis in Amsterdam. Vrouwen in de Jordaan hebben er lucht van gekregen dat in de Prinsengracht een schip met aardappelen ligt, officieel bestemd voor het Amsterdamse garnizoen van Amsterdam, maar volgens sommigen voor het Duitse leger. Het onbewaakte schip wordt door de vrouwen geplunderd. Dat is het startsein voor meer wanhoopsagressie. Pakhuizen en treinwagons in de Rietlanden en winkels worden aangevallen. De slagerij op Wittenburg, die aan de Duitsers levert, wordt geplunderd. De politie krijgt hulp van het leger, wat leidt tot het ‘Bloedbad op het Haarlemmerplein’ op 5 juli. De militairen openen het vuur op de menigte, die daar is samengekomen: zes doden en bijna 100 gewonden.
Lieddichter Tom Telmers verplaatst zich in het gevoelsleven van de aardappel:

“’k Hief mijn ogen smekend op
Tot een braaf minister
Maar die bromde in zijn baard:
Aardappel, wat is-’t-er?
Scheer je weg, want ’k heb geen tijd
Om op jou te letten,
Ik verschalk alleen maar bons
En lust geen uitvoerwetten

Maar het volk van Amsterdam
Liet me zo niet gappen
’t Liep te hoop en ’t had gelijk
Al kreeg het dan ook klappen
Toen is er veel bloed gevloeid
Ach, om mijnentwille
Maar minister Posthuma
Liet kalm zijn aar’pels schillen.”


Wethouder Wibaut probeert de arbeidersvrouwen aan de wel voorradige rijst te krijgen. Dat gaat met zeer lange tanden, de multiculturele keuken is nog onbekend.

“’s Maandags dan begint ons lijden
Want dan krijgt men enkel rijst
Dinsdags als op andere tijden
Ook de rijst weer op de lijst
Woensdag gort, of duffe bonen
Donderdags natuurlijk rijst
Vrijdag, zaterdag en zondag
Staat weer aangeprijst.”

Als in november 1918 de wapens eindelijk zijn neergelegd, probeert men de vooroorlogse draad weer zo snel mogelijk op te pakken. Zelfs de uitbraak van de Spaanse griep, een virus dat wereldwijd 20 miljoen slachtoffers heeft gemaakt en in Nederland ongeveer 30.000, kan Nederland niet van een nieuwe start afhouden.

“Ieder heeft thans influenza,
Spaanse griep, of hoe het heet.
Ieder had het, ieder wacht het,
Of hij heeft juist nu het beet.
Aspirine wordt verorberd,
Niet bij grammen, maar bij het pond.
En men geeft de thermometer
vlijtig door, van mond tot mond.”

In de naoorlogse bloeiperiode, presenteert Amsterdam zich als een stad die met de tijd meegaat. Daarin past de organisatie in 1919 van de Eerste Luchtvaart Tentoonstelling Amsterdam (ELTA) in Noord. De enorme belangstelling (500.000 bezoekers) leidt tot de oprichting van de KLM. Voor zijn nieuwste revue Heb je al gevlogen? dicht Rido:

“Wij leven tegenwoordig in de moderne eeuw
’t Is niets meer zoals vroeger: weinig wol en veel geschreeuw
Wie heeft ooit kunnen dromen dat je in een vliegmachien
Voor 25 popjes heel Amsterdam kon zien!

We gaan vliegen, vliegen, vliegen, over ’t Tolhuis en het IJ
Laat je wiegen, wiegen, wiegen, met je meisje aan je zij
Menig aardig vliegeniertje doet zijn schatje een pleziertje
Met ’n toertje door de lucht; Amsterdam in vogelvlucht.”

Ja, een nieuw tijdperk is aangebroken, ook op huishoudelijk gebied. In 1920 dichtte (alweer) Louis Davids:

“De oude tijd heeft afgedaan, met al z’n duisterheden
De walmende petrolielamp behoort weer tot ’t verleden
Geen oliestel voortaan
Die hebben afgedaan
Die tref je straks alleen nog maar in ’t Rijksmuseum aan
De electriciteit is toch een boffie
Electrisch zet je nou je bakkie koffie
Ja, electriciteit brengt veel gerieflijkheid
En daarom is de leus van deze tijd:

Doe het electrisch
Doe het electrisch
Dat is de grootste zaligheid!
Licht en warmte heb je nu
Voor een krats per KWU
Doe het met electriciteit.”