Tot niet zo lang leden bevonden zich in Amsterdam vele tientallen pensions. Ze boden uitkomst voor mensen die geen eigen woning hadden of niet in staat waren zelf te koken en het huishouden te doen – of dat niet wilden. Ook waren ze een toevluchtsoord voor mensen die tijdelijk in de stad verbleven: handelsreizigers, studenten, vluchtelingen.

Een bijzondere categorie pensionbewoners waren de invaliden, zieken en ouden van dagen. Veel grotere pensions hadden verpleegkundigen in dienst – u herinnert zich zuster Klivia in Ja Zuster, Nee Zuster. Gasten in dit type pensions werden dan ook wel verpleegden genoemd.

Prijzen varieerden voor de oorlog van 35-50 gulden in de maand voor een kamer en verpleging. Voor de vaste clièntele werden door de betere pensionhouders dagreisjes en avondjes georganiseerd, en soms een bezoek aan een theater. Zo leek een pension minder op een hotel of doorgangsplaats en meer op een gezellig thuis voor degenen die nu eenmaal door omstandigheden gedwongen waren samen te wonen.

Een aantal van de pensions afficheerde zich nadrukkelijk als Joods, vooral in Amsterdam-Zuid en Amsterdam-Oost. Sommige adverteerden als ‘ritueel’ of ‘koosjer’: daar hield men zich streng aan de Wet, de sabbat en de kasjroet. Pension Verdooner op Weesperzijde 141 was zo’n typisch Joods pension. Het was niet het enige in buurt; zo bevonden zich verderop aan de Weesperzijde Rusthuis de Waal en Pension Busnach, zat in de Gijsbrecht van Aemstelstraat het Tehuis voor Joodse werkende meisjes, en in de Ruyschstraat een Tehuis voor Ouden van Dagen en Hulpbehoevenden en twee vestigingen van Pension Mok.

Baardknipper

Salomon Tobias Verdooner, oprichter en eigenaar, komt in 1875 ter wereld in een groot gezin van dertien kinderen. Zijn vader Tobias is venter, werkman, arbeider op de visafslag, aardappelverkoper, baardknipper en wat al niet al. Hij overlijdt al in 1901. Moeder heeft een snoepwinkeltje aan huis, waar ze dropjes, koningsbroodjes, toffees, koekstukken, hete appels en andere lekkernijen verkoopt. Het gezin woont op de Joden Houttuinen.

Salomon wordt net als veel van zijn broers opgeleid voor het diamantvak. Bij zijn dienstkeuring in 1894 wordt hij in tweede instantie afgekeurd. In 1897 trouwt hij met Magtelt van Praag, geboren in 1878, dochter uit het gezin van sigarenmaker Marcus van Praag en Leentje Velleman. Magtelt is min of meer zijn buurmeisje in de Joden Houttuinen.

Het jaar 1901 is een crisisjaar in de diamantindustrie en Salomon, die in 1899 lid is geworden van de Diamantbewerkersbond, wordt werkloos en geschrapt als lid. In 1903 wordt hij weer opgenomen, en hij zal tot 1928 bondslid blijven.

Het huwelijk met Magtelt blijft kinderloos. Dat kan hebben meegespeeld bij de beslissing om zijn vijftien jaar jongere broer David als pleegkind in huis te nemen. Dit zal een band voor het leven scheppen. David blijft vermoedelijk tot aan zijn huwelijk met Sara Visser in december 1911 bij Salomon en Magtelt in huis wonen, en vertrekt dan naar een eigen adres.

Ritueel restaurant voor reizenden

In die tijd beginnen Magtelt en Salomon een pension aan de Oud-Bussumerweg in Bussum. In latere reclame-uitingen van Pension Verdooner wordt vermeld dat het werd opgericht in 1910. In april 1912 verschijnen de eerste advertenties voor ‘Pension Verdooner’ in het Centraal Blad voor Israëlieten in Nederland en het Nieuw Israëlietisch Weekblad. De formule van Verdooner, zowel pension ‘in een streng orthod. gezin’ als ‘ritueel restaurant voor reizenden’ en dagjesmensen, is niet ongebruikelijk in de provincie. Ook Pension Gans in Bussum is een plek waar religieuze Joden tijdens hun uitstapjes hun koosjere lunch komen genieten.

We weten niet precies hoe Salomon Verdooner in Bussum is terechtgekomen, maar wel dat hij betrokken is bij het Joodse leven daar, dat in die tijd nog pril is – de eerste Joodse families vestigden zich in Bussum rond 1900. Mogelijk stelde Salomon zijn woning rond 1911 ter beschikking voor synagogediensten, die in die tijd in privéwoningen werden georganiseerd.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog doet het Bussumse Pension Verdooner, dat zich vooral op vakantie-uitjes richt, vermoedelijk de das om. Na 1914 wordt niet meer geadverteerd. In 1920 treffen we Salomon weer aan in Amsterdam. Hij heeft zich vermoedelijk weer in het diamantvak begeven.

Familieketen

In 1923 slaagt Salomon er in een pand aan de Linnaeusparkweg 151 aan te schaffen en hij begint weer te adverteren. Pension Verdooner begint nu een familieketen te worden. Broer David opent eind jaren twintig een vestiging van Pension Verdooner aan de Hogeweg 12. Salomon verhuist Pension Verdooner naar Bredeweg 6, om de hoek en breidt later uit met Bredeweg 9, terwijl de zoon van David, Tobias, die inmiddels de rol van David als pleegkind van Salomon en Magtelt heeft ingenomen, een ritueel pension in Zandvoort opent.

De zaken lijken te bloeien. Verslagen van gezellige avondjes en uitstapjes georganiseerd door de diverse Verdooner-pensions vullen de kolommen van de Joodse pers. In werkelijkheid heeft de crisis van de jaren dertig steeds sterkere gevolgen. In 1935 gaat Salomon persoonlijk failliet. Ook David stopt met het pensionwezen en valt weer terug op zijn oorspronkelijke beroep als venter.

Tobias Verdooner, die zich ook ontpopt heeft als begenadigd pianist, gaat de zaak dragen. In 1936 volgt een herstart. Salomon heropent Pension Verdooner op een nieuwe locatie, Weesperzijde 141. Tobias zet het Zandvoortse Pension Verdooner voort. Dit zal tot 1939 in bedrijf blijven en wordt dan vermoedelijk verkocht. Er is dan nog maar één Pension Verdooner over, aan de Weesperzijde.

Sobibor

De Duitse inval in mei 1940 kondigt het einde van de Joodse pensions aan en daarmee ook dat van Pension Verdooner. In september 1942 worden de eerste verpleegden en gasten opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Rond 9 februari 1943 wordt de rest van het pension ‘leeggehaald’ en daarmee komt de facto een eind aan het pension. Salomon en Magtelt trekken in bij hun ‘tweede pleegzoon’, Tobias, op Ben Viljoenstraat 6-3. Sommige gasten weten nog te ontkomen door onder te duiken of elders op meer reguliere wijze domicilie te vinden, maar uiteindelijk worden 38 bewoners van Pension Verdooner om het leven gebracht.

Daarbij zijn ook Salomon, Magtelt en Tobias – die overigens alle drie een sperre hadden van de Joodsche Raad wegens hun pensionwerkzaamheden. Zij worden in Sobibor vermoord. Eén familielid overleeft de oorlog: Sonja Goldwein-Verdooner, de dochter van Tobias en zijn vrouw Esther Kool. Na de oorlog komt zij in Israël terecht en krijgt daar drie kinderen.

Een beeldje voor Leendert Pop

Het pand Weesperzijde 141 wordt tegenwoordig bewoond door de bekende tatoeëerder Henk Schiffmacher en zijn vrouw Louise. Toen zij er in 2012 door een actie van Het Parool achter kwamen dat in hun huis tientallen vermoorde Joodse Amsterdammers hadden gewoond, besloten zij een monument voor Pension Verdooner op te richten. Dat monument werd op donderdag 28 maart 2024 onthuld, in de vorm van een beeldje van de pensionbewoner Leendert Pop (1859-1943), een voormalige ketellapper van de Albert Cuypstraat. Hij woonde sinds 1936 in het pension, blind, maar ‘levenslustig en altijd goed gehumeurd’. Louise Schiffmacher van Teylingen heeft het beeldje vervaardigd. Op de achterzijde van de sokkel staat een lijst met 38 namen.