In het rommelige industriegebied Cruquius, een rafelrand van het Oostelijke Havengebied, valt het pastelgele gebouwtje met rode dakpannen direct op. Vanwege de kleur, de deplorabele staat waarin het verkeert en niet in de laatste plaats door het tegeltableau dat in de gevel van het kantoor is verwerkt. ‘N.V. Oliefabrieken Insulinde’ staat erop te lezen.
Het kantoor met aangebouwde woning is in 1919 opgetrokken naar ontwerp van architect M.A. Meijer, de achterliggende loodsen naar alle waarschijnlijkheid ook. Die werden voor opslag gebruikt en verkeren nu in betere staat dan het pand aan de Cruquiusweg. In het dak van de woning zit een groot gat en in vergelijking met beeldmateriaal van 40 jaar geleden, blijken veel originele details te zijn verdwenen. Dat geldt voor het sierlijke houtwerk onder de kap van het dak en de schoorstenen op het pand. Bovendien heeft iemand ergens tussen 1970 en eind jaren negentig de bakstenen gevels gesaust en geel geschilderd.
Het gebouw is ongeveer twee jaar geleden verlaten, maar jarenlang woonde ene John Decker op het adres Cruquiusweg 91. Volgens een buurtbewoner heeft hij het huis hoogstpersoonlijk onbewoonbaar gemaakt, om te voorkomen dat zwervers, die zich in de stedelijke rafelrand ophouden, het pand in bezit zouden nemen.
Wat is eigenlijk de achtergrond van de NV Oliefabrieken Insulinde? Bekend is dat het terrein Cruquiusweg 89-97 van 1919-1926 in gebruik was voor de opslag van plantaardige oliën door de Oliefabrieken Insulinde. Daarna zat hier Amatex (Amsterdamse Maatschappij tot Exploitatie van opslagterrein), dat er nog tot 1956 verscheidene opslagtanks bij bouwde en in 1960 is verhuisd naar het westelijk havengebied. Het hart van het complex staat nu nog overeind. Dat zijn het in 1919 gebouwde ketelhuis met pompengebouw en het pandje dat dienst deed als kantoor en woning.

Klapperolie voor margarine

De basis van de Oliefabrieken Insulinde ligt in Nederlands-Indië. Aan het begin van de vorige eeuw en vooral ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, groeide het bedrijf in korte tijd uit tot het grootste bedrijf van de voormalige Nederlandse kolonie, weet Rob Kamerling, hoogleraar aan de Nyenrode Business Universiteit. Hij schreef in de jaren tachtig een proefschrift over de opkomst en ondergang van het oliebedrijf, dat zijn basis in Banyuwangi op Java had. Er werd klapperolie, beter bekend als kokosolie, geproduceerd door de vruchten van de oliepalm te persen.
Naar dit plantaardige vet bestond in Europa tijdens de Eerste Wereldoorlog grote vraag, omdat het een belangrijk bestanddeel van margarine was geworden. Margarine was sinds de tweede helft van de 19de eeuw een vervanger voor het goedkope spijsvet. Omdat de vraag naar margarine toenam en de op dat moment gebruikte dierlijke vetten niet aan te slepen waren, moest Nederland die importeren. Dat was duur, maar het verhogen van de margarineprijs was uit concurrentieoverwegingen geen optie. Bedrijven zochten naar nieuwe oplossingen en goedkopere grondstoffen. Het bleek dat plantaardige vetten de dierlijke konden vervangen. Vooral in Duitsland groeide de nieuwe productievorm van margarine explosief. En toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, ontstond een enorme kans voor de ontwikkeling van de klapperolieproductie in Nederlands-Indië.
Het was een roerige periode, waarin op technologisch gebied snel veel veranderde. Het bedrijf Oliefabrieken Insulinde maakte daar deel van uit. De onderneming groeide in een paar jaar uit tot een enorm bedrijf, liet woningen voor werknemers bouwen en had zelfs een eigen vloot. De Oliefabrieken Insulinde werd in korte tijd een begrip in Indië.
In de jaren daarvoor was de ondernemer Boudewijn Streefland al beziggeweest om een provinciaal fabriekje in Oost-Java uit te bouwen en voor te bereiden op de grootscheepse export van het gewilde margarinebestanddeel. Op 1 januari 1913 was de NV Oliefabrieken Insulinde een feit. Amsterdam werd als statutaire zetel gekozen en aandelen van het nieuwe bedrijf kwamen in de handel op de Amsterdamse beurs. De winsten stegen snel en de bouw van de ene na de andere oliefabriek op Java volgde.

Spaanse griep

In 1918 werd besloten om Amsterdam niet alleen als officiele thuisbasis te gebruiken, maar ook als Europees distributiecentrum. In de Nieuwe Doelenstraat werd voor f 300.000,- een kantoorpand gekocht en in de Amsterdamse haven een stuk grond gehuurd voor de bouw van tankinstallaties. Olie werd vanaf 1919 naar Nederland verscheept en in het Oostelijke havengebied, bij de kade in het Cruquiusgebied, gelost. Omdat met de scheepvaartmaatschappijen geen nieuw bulkcontract gesloten kon worden, besloot de leiding van het bedrijf eigen schepen in te zetten. Het succesbedrijf breidde via een dochteronderneming ook uit naar de Verenigde Staten en opende vestigingen in New York en San Fransisco.
Maar kort daarna al kwam de ommekeer. In januari 1919 overleed Boudewijn Streefland, de drijvende kracht achter de stormachtige groei van het oliebedrijf, op reis terug uit de Verenigde Staten aan de gevolgen van de Spaanse griep. Zijn opvolger Damme liet het initiatief voor de bedrijfsvoering bij de verre thuisbasis Amsterdam, waarna de slagvaardigheid van de Oliefabrieken Insulinde wegebde. Volgens Kamerling was die verandering in combinatie met een nieuwe economische situatie na de Eerste Wereldoorlog funest voor het bedrijf. Het in 1913 opgerichte oliebedrijf dat in acht jaar tijd kon uitgroeien tot een ogenschijnlijk onaantastbare onderneming, stortte vervolgens net zo snel weer in elkaar. In 1922 werd het faillissement uitgesproken. Het betekende een kapitaalvernietiging van 57 miljoen gulden. Een astronomisch bedrag voor die tijd.
Het Amsterdamse complex aan de Cruquiusweg is nu nog het enige herkenbare overblijfsel van de turbulente geschiedenis van de NV Oliefabrieken Insulinde in Amsterdam. Dat is reden genoeg, vindt Kamerling, om het gehele terrein te behouden voor de toekomst.

Wat gaat er gebeuren?

Het werkgebied Cruquius is nu nog een terrein waar het Amsterdamse stadsdeel Oost een afvalpunt heeft en allerlei soorten bedrijfjes een plek hebben gevonden. Lang was er een wijnfabriek gevestigd. De laatste jaren zijn wat nieuwe kantoorpanden verrezen. Kunstenaars hebben in enkele lege fabriekspanden een plek gezocht. Hun komst is een voorbode van veranderingen die zich ook elders bij dit soort terreinen voltrekken als ze langzaamaan meer onderdeel van de stad (moeten) worden. Zo is de Servicegarage de eerste openbare kunstplek op het terrein. De initiatiefnemers hebben hun plek te danken aan projectontwikkelaar PFC2, die een deel van het Cruquiusgebied heeft opgekocht en door middel van dergelijke kunstenaarsinitiatieven op slimme wijze aan gebiedspromotie doet. In de komende jaren moet het gebied veranderen in een woon-werkgebied.
Projectontwikkelaar PFC2 vroeg vorig jaar zomer een sloopvergunning aan omdat het gebouw zo ongeveer op instorten staat. Er zou sprake zijn van een gevaarlijke situatie. Het pand stond ook niet op de lijst van waardevolle karakteristieke gebouwen die door de ontwikkelaar en het stadsdeel was samengesteld. PFC2 beloofde om het tegeltableau met de naam van het koloniale bedrijf in toekomstige nieuwbouw te verwerken.
Maar daar was Heemschut het niet mee eens. De erfgoedbeschermers maakten bezwaar. Het architectonisch belang van het pand is niet groot, de erfgoedwaarde des te meer. Volgens Heemschut zijn de woning met kantoor en het grotere complex met de opslaghallen “onderdeel van het verhaal van de industrialisatie van dit deel van Amsterdam en te beschouwen als Indisch-Nederlands erfgoed.” Stadsdeel Oost heeft voorlopig een stokje gestoken voor sloop van het pand, hoewel het de vraag is wat er nu moet gebeuren. Heemschut hoopt dat het beeldbepalende gebouw in volle glorie hersteld kan worden, bijvoorbeeld door Stadsherstel.