Deze zaak zou het schoppen tot de hoogste rechtbank van de Republiek, de Hoge Raad. Jan Jacob Dulleman had ontluisterend bewijs in de hand: onderschepte liefdesbrieven van zijn vrouw en haar minnaar. De notaris nam de bewijsstukken in, en ze werden met de akten gearchiveerd.

Het leven van Jan Jacob stond vanaf het begin in het teken van buitenechtelijke affaires. De kraamverzorgster die hem als baby in de zomer van 1745 de wereld in hielp was een van de minnaressen van zijn vader Philippus. Het veelvoudige, openlijke en agressieve overspel van Philippus had een grote impact op de kleine Jan Jacob. Het zorgde voor grote spanningen tussen zijn ouders, en maakte het ouderlijk huis op het Rusland een ronduit onveilige plek.

Philippus maakte zijn vrouw Geertruijd geregeld uit voor ‘hoer’ en Jan Jacob voor ‘hoerenkind’. Ook had hij Geertruijd én baby Jan Jacob meermaals ’s avonds laat op straat gezet, en weigerde hen binnen te laten. Ondertussen overlaadde hij zijn minnaressen met cadeautjes en lieve woordjes, en deze vrouwen liepen openlijk te koop met hun relatie met ‘Dulletje’. Omdat Geertruijd er op den duur genoeg van had, trommelde zij een schare aan buren en kennissen op om hierover te getuigen bij de notaris. Op basis van vreemdgaan en mishandeling bewerkstelligde ze een separatie van Philippus.

Intergenerationeel trauma

Door de escapades van zijn vader en het verzet van zijn moeder was de toon voor Jan Jacob gezet. Hij begon echter vol goede moed aan zijn eigen gehuwde leven. In augustus 1769 ging hij op 24-jarige leeftijd in ondertrouw met Anna Cornelia Spillenaar uit Varik, Gelderland, waarna zij trouwden in de Walenkerk. Helaas zou het niet lang duren voordat hij geconfronteerd werd met het intergenerationele traumadossier: overspel. Zijn kersverse echtgenote Anna Cornelia bleek er een hartstochtelijke verhouding op na te houden.

Als Jan Jacob na zijn bruiloft al op roze wolken zat, dan duurde dat niet lang. Al de dag na het huwelijk met Anna Cornelia verscheen Jan Schutte Hoijman aan de deur van het kersverse bruidspaar. Tot verbazing van de dienstmeid, de uit Duitsland afkomstige Catharina Elisabeth Kluting, verdwenen Hoijman en Anna Cornelia samen naar de slaapkamer. Catharina Elisabeth hoorde het stel vervolgens samen ‘huilen’. Omdat ze dat vreemd vond, meldde ze het aan Jan Jacob.

In de daaropvolgende dagen kreeg de nu argwanende Jan Jacob door dat er iets echt niet in de haak was. Hoijman verscheen steeds vaker aan de deur om een kopje koffie of glaasje jenever te drinken, soms met Anna Cornelia op de slaapkamer met de deur dicht. Bovendien verdween Anna Cornelia vaak uit huis zonder te melden waar ze naartoe ging en wilde ze het achteraf niet vertellen.

Schreiende oogen

Het lijkt erop dat Jan Jacob al vóór zijn huwelijk problemen met Anna Cornelia had gehad, die hij bij de Schepenen had aangekaart. Kennelijk had hij vóór mei 1769 een trouwbelofte had gedaan – een serieuze zaak, in die tijd, daar kon je niet zomaar vanaf. In een brief aan Jan Jacob had Anna Cornelia geschreven dat ze van haar toekomstige man graag ‘oor liette met een speld’ [oorbellen met een speld] wilde hebben.

Wellicht kwam Jan Jacob er in de maanden daarna achter dat zijn toekomstige bruid er een affaire op na hield met Hoijman en probeerde hij daarom onder het huwelijk uit te komen, doch tevergeefs. Een saillant detail is dat Hoijman’s naam vermeld staat in het ondertrouwregister, als getuige van Anna Cornelia, maar later is doorgekrast.

Al snel werd het Jan Jacob allemaal te veel. Met ‘schreiende oogen’ ging hij voor zijn vrouw op zijn knieën liggen en vroeg haar of ze alsjeblieft wilde vertellen waar ze heen ging en wat ze deed. Hij benadrukte hierbij dat hij haar man was en haar beminde en vroeg of zij ‘geen liefde’ voor hem had. Als ze daar niet op wilde antwoorden moest hij wel concluderen dat ze niet van hem hield.

Hoewel Anna Cornelia meteen beterschap beloofde en zei dat ze Hoijman niet meer zou ontmoeten en het contact zou verbreken, bleef ze in de daaropvolgende periode wél contact houden. Jan Jacob, de wanhoop nabij, doorzocht de spullen van Anna Cornelia en vond brieven van Hoijman en Anna Cornelia, waar hij zijn echtgenote mee confronteerde.

‘Lieve gesuykerde’

De geheime liefdesbrieven van Anna Cornelia en Hoijman geven een unieke inkijk in hun relatie. Hoijman noemde Anna Cornelia liefkozend ‘mij altoos getrouwe Keesje’ en schreef aan haar: ‘Ik bemin u als de appels mijner ogen, sonder u is ’t mij onmooglijk te leven.’ Anna Cornelia schreef op haar beurt ook heel liefdevol aan Hoijman en begon een stiekem met potlood geschreven briefje met ‘lieve gesuykerde’.

Ze misten elkaar hartstochtelijk, want Anna Cornelia schreef aan Hoijman: ‘Og mijn God srijft my dog alle dage’, en Hoijman wilde haar ‘nog alleen spreeken voor beurstijd’. Het verliefde stel was duidelijk bang om betrapt te worden; Hoijman moest voortdurend aan haar denken, maar was bang dat Jan Jacob hen in de gaten hield en schreef: ‘…mij dagt hij had ons gister bespied, en toen gij thuijs kwam had hij uw gedrijgt als ik kwam mij het huijs uyt te stooten, ik ben bevreest bij U te komen.’

De spanning van de geheime ontmoetingen en de briefwisseling had klaarblijkelijk effect op Anna Cornelia, want ze schreef dat ze ‘in bet’ lag en ‘soo swak’ was dat ze niet meer kon staan. Ze hield het met Jan Jacob niet meer uit, zozeer dat ze ‘liever met het kint wil gaan swerven’ en klaagde tegen Hoijman: ‘Wat komt ons over ken niet meer srijve ben te siek mijn hooft.’

De brieven hadden ook grote invloed op de gezondheid van Jan Jacob. Na het vinden van de liefdesbrieven waren hem ‘verscheidene maalen flaauwtens’ overkomen, iets wat hem volgens de diensmeid Catharina nog niet eerder was gebeurd. Het was zo heftig dat hij soms ‘wel een quartier uurs op de grond buiten zich zelven lag’ en zich moest laten aderlaten.

Loze beloftes

Ondertussen deden vrienden pogingen om het echtpaar zich met elkaar te laten verzoenen. Anna Cornelia, bang dat ze zou worden opgesloten in het Verbeterhuis, bleef Jan Jacob excuses aanbieden en beloofde wederom ‘nimmer of ooit weeder eenige brieven’ te schrijven. Ze gaf haar echtgenoot zelfs al het papier, de inkt, de pennen én het potloodje waar ze haar geheime brieven mee schreef.

Het waren opnieuw loze beloftes. Op 18 augustus 1770, slechts twee dagen voor het eenjarig huwelijksjubileum, pakte Anna Cornelia heimelijk haar spullen én de obligaties van Jan Jacob en vertrok naar een onbekend adres in de stad. Jan Jacob schakelde ‘met zeer veel aandoening, en schreijende’ zijn vrienden in om te zoeken naar zijn echtgenote. Een dagenlange zoektocht begon, tot de mannen haar op 23 augustus in de Korte Keizerstraat een kelder in zagen gaan.

Ze hingen een middag en een avond als spionnen bij de kelder rond en zagen toen dat er een heer met ‘een zwarte rok’ de kelder in werd gelaten, waarna Anna Cornelia de kelder uitkwam samen met de man. De twee, onbewust van hun achtervolgers, werden gevolgd naar de Kalverstraat, waar ze het huis van Petrus Schouten ingingen, de zwager van Anna Cornelia.

Jan Jacob had inmiddels genoeg van de spanningen. Niet alleen leek het onmogelijk om de affaire van Anna Cornelia te stoppen, ze verspreidde ook nog eens roddels over hem. Ze beschuldigde hem van overspel: een van zijn belangrijkste getuigen, de dienstmeid Catharina, zou zwanger van hem zijn.

In een notariële akte verklaarde Catharina echter dat ze ‘nimmer nog ooit’ met Jan Jacob ‘eenige vleeschelijke gemeenschap’ had gehad, maar dat dit een roddel was die ‘in alle opzichten valschelijk en bezijden de waarheid’ was en door ‘quaadaardige lieden’, onder wie Anna Cornelia, werd rondgestrooid. In februari 1771 kreeg Catharina een kind, dat werd gedoopt als Johanna Louisa. Als vader werd bij de doop ene Isaak Horen vermeld. Over hem is verder niets te vinden.

Twee kinderen

Jan Jacob liet het er niet bij zitten. Begin 1771 komt hij voor in het archief van de Hoge Raad, de hoogste rechtbank die er in de Republiek bestond. Er was een ‘verbaal accord’ gesloten, maar de inhoud daarvan is onduidelijk. Mocht Jan Jacob het doel hebben gehad om van Anna Cornelia te separeren of te scheiden, dan is dat in ieder geval niet gelukt. De twee zouden getrouwd blijven.

Het huwelijk werd niet ontbonden, aan de affaire tussen Anna Cornelia en Hoijman kwam wel een einde. In 1774 verhuisden Jan Jacob en Anna Cornelia naar Lochem, ver weg van Amsterdam. Daar kreeg het echtpaar twee kinderen: Geertruijd in 1774 en Johannes Philippus in 1777. Ze bleven getrouwd tot de dood van Jan Jacob hen scheidde.