Het gebeurt in De Bijenkorf, op de vierde verdieping. Tussen een tentoonstelling en een boekpresentatie in doodt de journaliste Henriëtte Boas haar tijd aan de leestafel. Ze drinkt een kop koffie en maakt, al lezende, aantekeningen. Als ze opstapt ziet ze Ischa Meijer zitten. Ze denkt: gelukkig, over mij zal hij niet schrijven, we hebben geen woord gewisseld.
Maar de volgende dag blijkt het tegendeel: "De DIKKE MAN zat in de lunchroom van Het Grote Warenhuis, toen daar de notoire ingezonden brievenschrijfster binnentrad", begint Meijer zijn column in Het Parool van 13 september 1991. "Zij was een bijkans systematisch verslonsde vrouw van over de 70, die zich volstrekt ingekeerd voortbewoog, immer een dreigende, propvol gevulde aktetas tegen de verweesde borst geklemd. Een intellectuele clocharde." Ooit was er iets misgegaan en had zich in haar "die naar particulier terrorisme neigende manie" ontwikkeld van de 'Ingezonden Brief'. Waarom en welk genoegen verschafte dit haar? "Met welke inzet creëerde zij die niet aflatende stroom van epistolaire verongelijktheid, verachting, woede en smart?" Nu ontwaarde hij haar, terwijl zij zat te lezen en met rode ballpoint aantekeningen maakte, 'De Leraar', volmaakt tevreden, verheven boven alles en iedereen, een schooljuffrouw "die alle mensen een onvoldoende moest geven".
Flauwekul, zal Henriette Boas (roepnaam Jetty) kort daarop in een speech op haar 80ste verjaardag zeggen, haar motieven om veel te schrijven zijn heel andere: liefde voor het Jodendom en voor Israël, behoefte aan wetenschappelijke nauwkeurigheid, en verzet tegen verkeerde voorstellingen van zaken – waarbij ze niemand wil kwetsen, want haar kritiek is opbouwend bedoeld.

Den Texstraat

De in Amsterdam geboren (op 10 oktober 1911) en getogen Jetty Boas is een opvallende verschijning in het Amsterdam van de tweede helft van de vorige eeuw. Het is haar nooit voorgelegd, maar als ze had moeten antwoorden op de vraag: "Wat ben je: Nederlandse, Amsterdamse, Joodse?", had ze waarschijnlijk geantwoord: "Een Joodse Amsterdamse." Om er meteen aan toe te voegen: "En zionist." Ze is, zegt ze in een interview, "getrouwd met de Joodse zaak" en haar met boeken en kranten overladen huis is in feite "een klein stukje Israël".
Haar moeders familie is "nogal deftig", zegt ze zelf. Haar vader, zoon van een diamantwerker in de Jodenhoek, wordt via de volksschool op Kattenburg, het Stedelijk Gymnasium en de Universiteit van Amsterdam (de eerste student in de familie!) doctor in de klassieke letteren. Kort na Jetty's geboorte vestigt hij zich als privé-opleider Latijn en Grieks. Zes dagen per week stoomt hij thuis leerlingen klaar voor het staatsexamen gymnasium, veelal jongens.
Thuis is de Den Texstraat, eerst 31, later nummer 35. Een straat waarin veel Joodse gezinnen wonen, al is het geen typisch Joodse straat en zijn de bewoners nog maar weinig betrokken bij de Joodse gemeenschap. Aan het eind van haar leven zal ze het boekje Terug in de Den Texstraat. De bewoners en de omgeving schrijven. Haar jeugd – Jetty is de oudste van vier kinderen – speelt zich af rond de Weteringschans: het huis van haar grootmoeder aan de Amstel tegenover Carré; de Elisabeth Wolffschool, een openbare school voor meisjes vlakbij de Vijzelgracht; en het gym, vanaf midden jaren twintig het Barlaeus Gymnasium geheten, aan het begin van de Weteringschans. Op woensdagmiddag en zondagmorgen is er de 'Joodse school' in de Dufaystraat. Daar wordt haar een levenslange liefde voor het Jodendom en het zionisme bijgebracht, net als later in wat ze haar "derde milieu" noemt, de (zionistische) Joodse Jeugdfederatie.

Palestina

La petite Larousse wordt zij genoemd en op school is Jetty altijd de beste van de klas. Maar op de Universiteit van Amsterdam, waar ze in 1929 als zeventienjarige klassieke talen gaat studeren, kan ze pas echt haar intellectuele dorst lessen. Ze is ook actief in de N.Z.S.O., de zionistische studentenorganisatie. Ze studeert af in de Oude Geschiedenis en Godsdienstgeschiedenis en in 1938 promoveert ze 26 jaar oud bij prof. David Cohen cum laude op een historisch commentaar op Vergilius' Aeneas. Een jaar later haalt ze ook haar doctoraalexamen psychologie – in de klassieke talen is in die jaren geen droog brood te verdienen.
Anders dan haar zus en jongste broer gaat Jetty niet naar Palestina, maar vertrekt ze in februari 1940 als 'postdoc' op een Franse studiebeurs voor enkele maanden naar Parijs. Als in juni de Duitsers in Frankrijk oprukken, ontvlucht ze de stad. Ze bereikt Bordeaux, van waar ze op het Nederlands schip De Nigerstroom naar Engeland weet te ontkomen. Zeven jaar woont en werkt ze in Londen, als secretaresse en later bij de Nederlandse sectie van de BBC.
Na de oorlog bezoekt ze Amsterdam. Haar vader is in 1941 overleden, haar moeder en oudste broer zijn teruggekeerd uit Theresienstadt. "Alles ging nog z'n oude gangetje", schrijft ze later. Maar, hoe nu verder? Ze keert terug naar Londen en besluit voorjaar 1947 naar Palestina te gaan in de hoop daar werk te vinden. Maar dat valt tegen, evenals de samenleving daar. Aan classici is geen behoefte en journalisten zijn er al te veel. Ze voelt zich een outsider en eind 1951 keert ze zwaar teleurgesteld naar Nederland terug. Tijdelijk, denkt ze ten onrechte.

Israël

Toch steunt en verdedigt Boas Israël haar leven lang. Met brieven aan redacties, met artikelen en met news letters, wekelijkse brieven aan de Israëlische vertegenwoordiging in Nederland vol Nederlands nieuws en ook persoonlijke aangelegenheden. Fanatiek, vaak drammerig, signaleert ze zaken die haar niet bevallen. Zoals bij een bezoekje aan het Barlaeus Gymnasium, begin jaren vijftig. Op de gang naast de rectorskamer ziet ze een bronzen plaquette met de namen van zo'n twintig omgekomen oud-leerlingen. Ze mist er een aantal uit haar eigen tijd en vraagt de rector ernaar. "Hierop zei Van Paassen: 'O, dat waren allemaal Joodse leerlingen. Dat waren er zoveel. Die te vermelden, daar is geen beginnen aan.'"
Het lukt haar niet een bestaan als journalist op te bouwen. Kranten houden haar buiten de deur en ook Joodse bladen moeten haar niet. Alleen van enige Israëlische kranten kan ze zich correspondent noemen. Zomer 1953 vervult ze voor het eerst de rol van klokkenluider. Het betreft de leegstaande Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan, van waaruit in de oorlog veel Joden gedeporteerd zijn. Als ze hoort van een plan dat de gemeente het gebouw voor een symbolisch bedrag aan de staat Israël ter beschikking wil stellen voor een 'Israel Centrum', is ze verbijsterd. Wat een onzalig idee! Ze stuurt meteen een brief naar het Nieuw Israëlietisch Weekblad: waarom juist die lelijke Hollandsche Schouwburg als Joods monument in stand houden, terwijl er in Nederland al zo veel synagogen zijn verkocht, die nu gebruikt worden als opslagplaats? "Een cultureel Israëlisch centrum in de voormalige H.S. zal vele Joodse Amsterdammers (...) al even weinig op z'n plaats lijken als het standbeeld van de Amsterdamse dokwerker (...) op ons oude Meijerplein."

Joods Historisch Centrum

Binnen de kortste keren escaleert de zaak en is iedereen boos. De storm gaat pas liggen als Israël in november 1953 van het plan afziet vanwege "de in Joodse kring gerezen tegenstand". Daar is Boas vijf jaar later nog heel trots op: toen ze van de plannen hoorde, wist ze die bijna in haar eentje te verhinderen. Steun kreeg ze niet – "hoewel bijna iedereen het met mij eens was".
Ook in de kwestie van de leegstaande synagogen aan het Jonas Daniël Meijerplein steekt ze haar nek uit. Zij zijn in 1954 voor een symbolisch bedrag aan de gemeente Amsterdam verkocht en staan al jaren te verpieteren. Af en toe gaan er geruchten over een bestemming: het Amsterdams Historisch Museum, een architectuurmuseum en een academie voor dramatische kunst. Onwaardige bestemmingen, vindt Boas. Waarom, vraagt ze in februari 1968 in Het Parool, zou het Joods Historisch Museum, nu in het Waaggebouw, er niet in gevestigd kunnen worden, maar dan veel uitgebreider? Een dergelijk museum zou een daad van piëteit zijn en passend liggen tegenover de Dokwerker.
Het bestuur van het museum, al in gesprek met de gemeente, voelt er niet voor. Maar dat belet haar niet om aan burgemeester Ivo Samkalden een nadere uitwerking van haar ideeën te sturen. Het moest om een "Joods Historisch Centrum" gaan, breder dan alleen Amsterdam: een historisch museum, een bibliotheek met leeszaal, een researchcentrum inzake de geschiedenis der Joden in Nederland en een auditorium. De weinigzeggende reactie van Samkalden doet haar in september een nieuwe brief schrijven: het huidige Joodse museum is toch wel een pover geheel dat veel minder belangstelling trekt dan het Anne Frankhuis. En dát is feitelijk slechts gewijd aan de verheerlijking van één enkel meisje.

Klokkenluider

Ze geeft niet op en deelt haar ideeën met diverse invloedrijke Amsterdammers. Een uitvoerig artikel wordt echter door het Algemeen Handelsblad niet opgenomen, waarna ze het voorlopig maar afwacht. Haar geduld wordt beloond. In 1974 wordt het synagogencomplex aangekocht door het Joods Historisch Museum, dat er in 1987 intrekt.
Sinds augustus 1959 heeft Boas ook een baan. Ze is lerares klassieke talen op diverse scholen en vanaf 1964 op het Haarlemmermeer Lyceum in Badhoevedorp. Kleine klasjes, die ze vaak zelf laat werken terwijl zij kranten leest en via haar transistorradiootje het nieuws over Israël volgt. Het werk verhindert haar niet zich in allerlei zaken te mengen. Zoals in de Weinreb-affaire, waarbij ze lijnrecht tegenover de historicus Jacob Presser en Vrij Nederland-columniste Renate Rubinstein komt te staan. Voor haar staat (in tegenstelling tot deze twee) vast dat de in 1948 wegens collaboratie, oplichting en verraad veroordeelde Friedrich Weinreb een fantast en een bedrieger is. Het Weinreb-rapport zal haar gelijk geven.
Klokkenluider is zij opnieuw in de zaak-Menten. Zij tipt in mei 1976 een collega-journalist in Israël over een in Amsterdam te houden veiling met kunst uit het bezit van de eind 1949 wegens collaboratie veroordeelde Pieter Menten. Maar dat niet alleen: ook informeert zij journalist Hans Knoop, hoofdredacteur van het weekblad Accent, die in zijn tijdschrift zeer gedocumenteerde artikelen over Mentens handel en wandel zal schrijven. De politiek geladen affaire houdt de gemoederen jaren bezig en leidt in juli 1980 tot een (nieuwe) veroordeling van Menten.

Postuum

In februari 1987 richt Boas zich tegen een initiatief van het Comité Joods Verzet 1940-1945 om bij het Waterlooplein een gedenkteken op te richten. Onjuist, stelt ze in Het Parool, het 'Joodse verzet' is niet meer dan een romantisch cliché. Zij oogst een stroom aan woedende brieven. Haar bezwaren, schrijft ze in een weerwoord, gelden vooral de plaats van het monument. De meeste Joodse Amsterdammers woonden destijds niet meer in de Jodenbuurt. Bovendien wordt de betekenis van de volgens haar naïeve vechtpartij op 11 februari 1941 tussen de Joodse knokploeg en WA-leden sterk overdreven. Het was meer een voortzetting van oude schermutselingen met NSB'ers dan het begin van verzet tegen de Duitsers. Tragisch is dat het juist de felle reactie van de Duitsers is geweest (de razzia's op 22 en 23 februari) die deze actie tot anti-Duits verzet heeft bestempeld. Tot een afblazen van het plan leidt de commotie niet. Het monument wordt in 1988 vlakbij de Blauwbrug onthuld.
Postuum komt Henriëtte Boas in 2004, drie jaar na haar dood, nog in beeld in de documentaire Ik lees de krant met een schaar. Ze wandelt in 1998 door de Den Texstraat (met het antiquariaat Spinoza) en bezoekt de Bibliotheca Rosenthaliana in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam en de Gerard Dousjoel. Belangrijke Joodse plekken in haar Amsterdamse leven, zoals ze zelf zegt.