Noord is een prachtig voorbeeld van de Nederlandse verzuilde maatschappij. Gescheiden van de grote stad door het IJ groeide daar in een overwegend ‘rood’ stadsdeel een nogal geïsoleerde, verzuilde samenleving, inclusief een protestantse en daarbinnen een hervormde zuil. De hechte geloofsgemeenschap van de Bethlehemkerkgemeente belichaamde die verzuiling.

Na de inpoldering van de Buiksloterham (1832-1851) en de Nieuwendammerham (1879) vestigden zich eind 19de eeuw grote scheepswerven aan de noordkant van het IJ. Vanaf 1912 verrees er omvangrijke woningbouw langs de scheidslijnen van de verzuiling, merendeels voor de geschoolde werfarbeiders. Katholieke, protestantse en socialistische woningcorporaties stampten fraaie, meestal in Amsterdamse School-stijl uitgevoerde huizen uit de grond. Zo kwamen in de Nachtegaalstraat aan de oneven kant in huizen van Patrimonium protestanten te wonen, aan de even kant katholieken in die van de woningstichting Dr. Schaepman.

Voor de katholieken was in 1916 al een hulpkerkje gebouwd aan de Laanweg, dat een paar jaar later werd vervangen door het groots opgezette complex Sint-Rita aan het Hagendoornplein: een zusterklooster met kapel, vijf scholen, woningen en een kerk met pastorie. De protestanten konden natuurlijk niet achterblijven. Voor de gereformeerde noorderlingen kwam er in 1926 de Maranathakerk aan het Mosplein, de hervormden kregen in 1924 de Bethlehemkerk aan het Zwanenplein. In 1953 volgde nog de Saronkapel, voor de bewoners van de Bloemenbuurt.

De grote initiator en voorvechter van een hervormde gemeente in Noord was Ahasverus Voorhoeve (1850-1922). Hij richtte in 1916 de Vereeniging voor Hervormde Wijkbelangen (VvHW) benoorden het IJ op. Voorhoeve was geen predikant, maar het hoofd van het diaconessenwerk en medeoprichter van de Nederlandsche Hervormde Diakonessen-Inrichting (NHDI) te Amsterdam. Als ‘stadszendeling’ zocht hij naar de persoonlijke aanraking “met den mensch” en kwam hij graag thuis langs.

Miesje

De eerste hervormde bewoners vormden aanvankelijk slechts een kleine groep, die samenkomsten hield met gastpredikanten, eerst in een gehuurde woning, daarna in een fabriekshal aan de Hamerstraat, in het wijkgebouw Ooievaarsweg en in een gymnastieklokaal aan de Havikslaan. In 1918 kon een eigen predikant worden beroepen. Dominee Klaas Johan Brouwer (1887-1964) werd in het zaaltje aan de Ooievaarsweg bevestigd tot predikant-evangelist van de Bethlehemkerk in oprichting.

Op 31 maart 1920 gaf de gemeente Amsterdam aan de VvHW een terrein van 440 m2 aan het Zwanenplein in erfpacht voor 75 jaar. In juli 1923 begon de bouw van de kerk, onder toeziend oog van pastor Johannes Jacobus Stam (1891-1975), de opvolger van Brouwer. Zijn dochtertje Mies legde de eerste steen naast de ingang van de Consistoriekamer. De inwijding was op 15 september 1924 in tegenwoordigheid van koningin Wilhelmina, die de kanselbijbel schonk.

In het verslag staat het vertrek van de genodigden beschreven: “Het orgel speelde de melodie van Psalm 150. Langzaam schreed H.M. uit het kerkgebouw, aandachtig het interieur in zich opnemend; soms nog eens omziend om het geheel te beschouwen. H.M. prees de intieme soberheid van het bedehuis en onderhield zich bij de uitgang nog enige tijd met de heren die haar uitgeleide deden: Ds. Stam en Dr. De Hartog. Buiten juichte een brede schare de Vorstin toe.” Het jaar erna nam ook dominee Stam afscheid van de jonge Bethlehemkerkgemeente. Wilhelmina woonde in later jaren nog af en toe diensten bij.

Hoera

Bouwer van de nieuwe kerk was Adriaan Moen (1879-1950), tot dan toe vooral bekend als architect van het modehuis Gerzon. Het stratenplan van de Vogelbuurt was getekend doorJoan Melchior van der Mey. Hij verbond de Koekoeksstraat vanaf de Meeuwenlaan met het Zwanenplein, waarbij het Koekoeksplein een vogelkop lijkt en de zijstraten de veren vormen. Moen ontwierp voor het Zwanenplein een kerk in Amsterdamse School-stijl, vol symboliek. Zo vormt de kansel een kruis met het orgel erboven. De gedachte erachter is dat aan de voet van Christus’ kruis de prediking van het Evangelie plaatsvindt.

Glasschilder Hendrik Jan Winkelman ontwierp de grote gebrandschilderde ramen, met aan de westzijde de aankondiging aan de herders en aan de oostzijde de aanbieding van geschenken door de Wijzen uit het Oosten. Het motief van het kruis is terug te vinden in het raam boven de hoofdingang. De doopvont van gepolitoerd mahonie met ebbenhouten versiering was ontworpen door Hendrik van Dorp en gemaakt door beeldhouwer Jan Schultsz, net als de standaard voor de geldzakjes en de gezangenborden. Buiten werd in de punt van de noordgevel het Christusmonogram (PX) met alfa en omega aangebracht.

De komst van Jacob Christiaan Koningsberger (1896-1956) in 1925 als opvolger van dominee Stam ging met rumoer gepaard. De nieuwe predikant-evangelist – Noord was nog ‘onontgonnen’ en moest als wijkgemeente worden geëvangeliseerd – stond als progressief bekend, misschien nog wel meer dan zijn voorgangers. Bij het conservatieve Ministerie van Predikanten in Amsterdam viel hij niet erg in de smaak. Koningsberger aarzelde, maar aanvaardde uiteindelijk toch het beroep, met de woorden: “Ik kon niet anders doen en wil hopen dat het zoo goed is voor Gods koninkrijk en voor ons allen.” Stam telegrafeerde vanuit Rotterdam, zijn nieuwe predikantsplaats: “Hoera.” Koningsberger werd zeer geliefd. Hij was betrokken bij de arbeiders en de sociaal zwakkeren en solidair met de werkloosheidsrellen in de crisisjaren. Ook deed hij veel voor de christelijke jongerenbeweging.

Kopje koffie

De man die de groeiende Bethlehemkerkgemeente door de Tweede Wereldoorlog leidde, was niet Koningsberger (hij vertrok in 1934), maar Jan Karel Lofvers, die in 1937 aantrad. Ook hij was een betrokken wijkpredikant, zij het vaak afwezig: een groot deel van de oorlog verbleef hij op het Groningse platteland, zijn geboortegrond. Niettemin hield hij intensief contact met de wijkzusters, die vanuit het wijkgebouw aan de Ooievaarsweg hun diaconessenwerk verrichtten, en ook bemiddelde hij bij het uitzenden van kinderen die honger leden en moesten aansterken.

De oorlogsjaren zorgden voor een sterke toename van het kerkbezoek. Op de zondagmorgendiensten ontstonden er zelfs ordeproblemen. Een inderhaast samengestelde bouwcommissie stelde de kerkenraad voor om het aantal plaatsen met 300 stoelen uit te breiden naar 850. Na de oorlog bleek het allemaal niet meer nodig, al bleef de opkomst hoog. Zo bevestigde Lofvers op zondag 14 april 1946 maar liefst tachtig nieuwe lidmaten. Zijn opvolger Willem Volger (1904-1980) kreeg er een collega bij voor de Bloemenbuurt en de Van de Pekbuurt, dominee Petrus Boerma (1899-1978). Ze kwamen tegenover elkaar wonen op de hoek van de Meeuwenlaan, gescheiden door de Nachtegaalstraat.

Vergeleken met zijn voorgangers had Volger een tamelijk orthodoxe geloofsbeleving. Hij hield niet van veranderingen en zeker niet in het protocol van de eredienst. Zelfs wees hij een voorstel van de kerkenraad af om een kopje koffie te schenken voor dienstdoende ambtsdragers en de predikant. Ook was hij tegen vrouwen in het ambt. Geheel conform de verzuilde tijdgeest werkte hij het liefst voor zijn eigen protestantse zuil in Noord. Hij verstevigde het christelijk onderwijs door de oprichting van de Christelijke ULO-Noord en de Christelijke Nijverheidsschool. De omgang met gemeenteleden was formeel en zelfs de diaconale hulp werd vaak afstandelijk en ambtelijk afgewikkeld.

Ingedommeld

Zijn behoudende en sobere stijl had zeker invloed op de gemeente: de kerkenraad, die in zijn jaren (hij bleef tot en met 1964) nauwelijks van samenstelling wijzigde, toonde ontzag voor hun predikant en volgde meestal zijn zienswijze. Een moeizame zoektocht naar een geschikte nieuwe predikant eindigde pas vier jaar na zijn vertrek met het beroep van Walle Bartlema (1918-2007) van de Muiderkerk. Hij was minder behoudend, maar toch niet de vernieuwer die de wat ingedommelde en gezagsgetrouwe gemeente ging opporren. Bovendien had Bartlema de handen vol aan de samenvoeging van de Bethlehemkerkgemeente met de Saronkapel en de Buiksloterkerk. Zo ontstond in 1968 het District Noord van de Hervormde Gemeente Amsterdam.

De tijden waren intussen veranderd. De ontzuiling was begonnen en de kerk had er niet direct een antwoord op. In de Vogelbuurt en de Bloemenbuurt woonden nu veel migranten zonder band met de kerk. Toen de kerk in 1974 haar 50-jarig bestaan vierde, waren het kerkbezoek en het ledental al fors afgenomen. De gemeente vergrijsde, de Saronkapel was gesloten en na het afscheid van Bartlema eerder dat jaar zat Noord ook nog eens zonder wijkpredikant. Pas na vijf jaar werd op 2 september 1979 dominee Adrianus Johannes van der Linden uit Bergem (Friesland) bevestigd als wijkpredikant van de Bethlehem- en Buiksloterkerkgemeente. Hij zou de laatste zijn; in 1988 ging hij met emeritaat.

Dicht

In de zomer van 1992 kwam sluiting steeds dichterbij. Na 68 jaar was op 13 september de allerlaatste dienst. Anders dan haar grootmoeder bij de opening in 1924 liet koningin Beatrix weten dat ze die sluitingsherdenking niet kon bijwonen, wegens een overvolle agenda. Eerder al was op 15 april de kerk voor ƒ 265.000,- verkocht aan een louche vastgoedhandelaar (van de zogenoemde Stichting tot Instandhouding van Gebouwen voor Religieuze doeleinden), die het gebouw nog dezelfde dag bij dezelfde notaris voor ƒ 350.000,- doorverkocht aan het Evangelisch Kerkgenootschap De Bazuin – een wrange constatering in het licht van het idealisme waarmee de kerk jarenlang door vrijwilligers was onderhouden. Later betrok een Hindoestaans-Surinaamse geloofsgemeenschap het ondertussen sterk verwaarloosde gebouw. De marmeren preekstoel was gesloopt ten behoeve van een plastic doopbad. Sinds 2015 zit Muziekstudio 150 in de kerk – die dit jaar weer is opgeknapt.

De overgebleven leden van de Hervormde Gemeente zijn overgegaan naar de van oorsprong gereformeerde kerk De Ark (1967) in de Aakstraat, (Banne Buiksloot). De Ark is nu de enige protestantse kerk (PKN) in midden-Noord, naast de aloude Nieuwendammerkerk en de Bethelkerk in Tuindorp Oostzaan. De prachtige doopvont van de Bethlehemkerk staat nu in De Ark.

COEN MARINUS IS OUD-MEDEWERKER VAN HET INTERNATIONAAL INSTITUUT VOOR SOCIALE GESCHIEDENIS.

Dit artikel komt uit het Septembernummer 2019 .