“Op een mooien Zondag trekt half Amsterdam naar buiten; de andere helft – eenige overdrijving hierbij neme men voor lief – gaat van frissche lucht en groen genieten in het Vondelpark.” Het is 12 juli 1926 en de wereld zit nog prettig overzichtelijk in elkaar. Althans voor deze journalist van het Algemeen Handelsblad. Hij is de dag daarvoor bij een muziekmiddag in het Vondelpark geweest. Hoogtepunt was het optreden van een Turks orkest, opvarenden van het tentoonstellingsschip SS Karadeniz. “Er waren duizenden en duizenden, die naar de muzikale prestaties van de mannen, getooid met de fez, hebben geluisterd.”
Die laatste zin is opvallend. Niet vanwege de duizenden toehoorders, want zo’n exotisch optreden maakte je niet elke dag mee in het Amsterdam van 1926. Het vooruitzicht ‘echte’ Turken te zien, zal vast heel wat publiek hebben getrokken. Nee, opvallend zijn die musici “getooid met de fez”. De fez was namelijk sinds een jaar verboden in Turkije. En niet zo’n beetje ook: op het dragen van het traditionele Turkse hoofddeksel stond de doodstraf.
Waarom zouden deze Turken in Amsterdam, onder het oog van al die toeschouwers, dat risico lopen? Natuurlijk deden ze dat ook niet – ze zouden wel gek zijn. Op foto’s van het concert in het Vondelpark is geen enkele Turk te zien die een fez draagt. Sommigen hebben een hoed op, anderen zijn blootshoofds, maar een fez is nergens te zien. Behalve dan in het hoofd van de journalist van het Algemeen Handelsblad. Stereotiepe beelden kunnen verbazend hardnekkig zijn.
Mustafa Kemal Pasja, beter bekend als Atatürk, moet in het verre Turkije stevig hebben gestampvoet, tenminste als hem verslag is gedaan. Doel van het optreden in het Vondelpark was om te laten zien dat moderne Turken juist géén fez of sluier meer droegen. En dat ze bovendien uitstekend Westerse muziek konden spelen – jazz bijvoorbeeld of Schubert, zoals die zondag in Amsterdam. Maar dat stond dan weer niet in de krant. Gelukkig is de kans niet heel groot dat de president van Turkije het Algemeen Handelsblad is voorgelezen.

Seculiere elite

Het verbod op de fez was onderdeel van een radicaal hervormingsprogramma van Atatürk, wat zoveel betekent als ‘Vader der Turken’. Nog maar drie jaar eerder had hij de republiek Turkije uitgeroepen. In 1923 kwam er een definitief einde aan het eeuwenoude Ottomaanse Rijk (‘de zieke man van Europa’) en de tijd van de sultans, de tulband en de fez. Voortaan moest Turkije modern zijn. Atatürk trok ten strijde tegen alles wat hem te religieus, te ouderwets of te Oosters was. Het nieuwe Turkije moest republikeins zijn, seculier en vooral: Europees. Als er in de jaren twintig een Europese Unie had bestaan, had Atatürk als eerste aangeklopt.
Om het nieuwe Turkije te promoten reisde in de zomer van 1926 een tentoonstellingsschip langs een aantal grote Europese havens: de SS Karadeniz (‘Zwarte Zee’). Het stoomschip kwam oorspronkelijk uit Rotterdam. Als de SS Wilis had het jarenlang op Nederlands-Indië gevaren voor de Rotterdamsche Lloyd. In 1924 werd de Wilis verkocht aan Turkije, waar het een nieuwe naam kreeg en werd omgebouwd tot een drijvende tentoonstelling over het moderne Turkije. Met aan boord allerlei Turkse producten en een select gezelschap uit de seculiere elite. Schrijvers, journalisten, architecten, filosofen, zakenlui, een heel bankkantoor... En het voltallige staatsorkest, 50 man sterk.
De Karadeniz vertrok in juni 1926 uit Constantinopel (vanaf 1930 officieel Istanbul). Via Algiers voer het naar Barcelona, Le Havre, Liverpool en Londen, om op 10 juli af te koersen op Amsterdam. “Het was zwaar bewolkt. Met de liefkozing van kleine golven gingen we op weg naar Amsterdam. Het schip deint lichtjes, als de heup van een vrouw.” Zo beschrijft kapitein Süreya Gürsu in zijn memoires de tocht van IJmuiden naar Amsterdam. Daar was de Karadeniz vier dagen te bezichtigen aan de steiger van de Holland-Amerika Lijn, aan de Westerdoksdijk. Daarna ging het schip verder naar Hamburg, Stockholm, Leningrad, Kopenhagen, Antwerpen, Marseille, Napels en tenslotte weer Constantinopel.

Aai over het hoofd

In 2004, vlak voor een besluit van de Europese Unie over toetreding van Turkije, zond het geschiedenisprogramma Andere Tijden een programma uit over de Karadeniz (twee jaar later gevolgd door de documentaire ‘A Voyage into the Future’). In Andere Tijden vertelde een van de laatst overgebleven opvarenden over de reis. Nevin Demirhan Pertev was nog maar 16 jaar toen ze mee mocht op de reis, met haar vader, een generaal in het Turkse leger die in Duitsland had gestudeerd. Ze herinnert zich hoe de Turkse president aan boord kwam in Mudanya om het gezelschap persoonlijk een goede reis te wensen. Ze wilde zijn hand kussen, maar hij wimpelde het gebaar af. In plaats daarvan gaf hij haar een aai over het sluierloze hoofd en zei dat ze vooral haar studie moest afmaken.
Onderwijs was een van de speerpunten van Atatürk. Niet alleen voor mannen, maar ook voor vrouwen. Hij was uitzonderlijk geëmancipeerd voor die tijd. Zo voerde hij direct bij zijn aantreden in 1923 het vrouwenkiesrecht in. (Ter vergelijking: de Belgen deden dat pas in 1948 en Nederland was net iets eerder, in 1919). Atatürk was ook een verklaard tegenstander van de sluier voor vrouwen. Helemaal verboden is de sluier nooit geweest, maar geen van de vrouwen aan boord van de Karadeniz droeg er een – tot verbazing van velen, onder wie de Amsterdamse burgemeester, Willem de Vlugt.
De Vlugt kreeg een rondleiding van Bedia Arseven, een vrouwelijke journaliste die ook meereisde op de Karadeniz. Voor het Turkse Het geïllustreerde tijdschrift schreef ze “brieven van de boot”. Daarin vertelt ze dat de burgemeester haar complimenteerde met haar “moderne elegantie”, maar zich verbaasde over het feit dat ze geen sluier droeg. Dat laatste gold voor meer bezoekers van de tentoonstelling. Kapitein Gürsu schreef in zijn memoires: “Door onze revolutie zijn veertien eeuwen van traditie ingestort en zijn onze vrouwen onder hun zwarte doeken en sluiers te voorschijn gekomen. Ze zijn nu modern en zien er aantrekkelijk en waardig uit.” Ook het Algemeen Handelsblad was aangenaam verrast door de “bekoorlijke kortgeknipte dochteren uit het land van Kemal Pasja” die de bezoekers rondleidden op de Karadeniz.

Tapijten, rozenolie en opium

Ook verder waren de bezoekers in Amsterdam onder de indruk. De Nieuwe Rotterdamsche Courant schreef: “Het is wèl een verscheidenheid van producten, die we hedenochtend aanschouwden aan boord van de Kara-Deniz.” Er volgt een opsomming van al het moois aan boord: tapijten, zijde, mohair, wol, amandelen, rozenolie, zeep, amber, meerschuim (een Turkse steensoort). En de “voortbrengselen uit het plantenrijk”. Vlas, katoen uit Adana (“welke direct van den katoenboom wordt geoogst en waarvan vooral Tsjecho-Slowakije afneemster is”), tabak en sigaretten, opium uit Smyrna etc.
Opium? De drug wordt in één adem genoemd met tabak en sigaretten alsof het de normaalste zaak van de wereld is. En dat was het in zekere zin ook. Dankzij de koloniën had Nederland al eeuwenlang ervaring met opium. Sterker nog, de invoer, distributie en bereiding van opium in Nederlands-Indië waren in handen van de Nederlandse staat. Er bestond sinds 1919 wel een opiumwet, maar het zou tot na de Tweede Wereldoorlog duren voor opium echt op de zwarte lijst kwam. Vandaar dat een Turks schip zonder enig probleem met een voorraad in Nederland kon aanmeren – in heel Europa trouwens. Volgens de NRC importeerde Nederland in 1923 maar liefst 111,651 kilo uit Turkije. Daarmee was ons land de grootste internationale afnemer van opium uit Smyrna. Wel, voegt de krant eraan toe “in hoofdzaak echter voor transito-verkeer.”
Een aparte ruimte in de Karadeniz was met beelden en schilderijen ingericht door de Turkse Hogeschool voor de Kunsten. Vanzelfsprekend hing er ook een groot portret van Atatürk in het schip. Bezoekers konden aan boord niet alleen kijken, maar ook kopen. Sigarenpijpjes bijvoorbeeld, of halskettingen. Behalve de burgemeester, brachten ook de vice-voorzitters van de Amsterdamse Kamer van Koophandel, de heren H. R. du Mosch en Lousbergh, en havenmeester W.M. van de Poll een bezoek aan de drijvende tentoonstelling. En natuurlijk de Turkse consul. Al met al was het een zeer geslaagd bezoek.

Lovende woorden

Terwijl de Karadeniz in Amsterdam lag, was Turkije in de ban van een van de grootste politieke processen uit de geschiedenis van de jonge republiek. In juni was Atatürk ternauwernood ontkomen aan een moordaanslag. De politie had een grote groep samenzweerders opgepakt, onder wie een diverse kopstukken van de oppositie. Een aantal beschuldigden werd veroordeeld tot dwangarbeid; vijftien kregen de doodstraf. Ze werden publiekelijk opgehangen. Of ze allemaal echt schuldig waren is de vraag, maar het was een belangrijke stap in de consolidatie van Atatürks macht. Dinsdag 13 juli was de uitspraak van de rechter in Ankara: precies de dag dat de Karadeniz de haven van Amsterdam verliet om verder te stomen richting Hamburg.
Terwijl het in Turkije zelf rommelde, was het pr-offensief in Europa een groot succes. Niets dan lovende woorden stonden er over de Karadeniz in de kranten. Maar toch. De anekdote over de fezzen, die er niet waren, zegt nog steeds genoeg. Vooroordelen zijn hardnekkig. In de publieke opinie is Turkije een niet-Europees land gebleven. Exotisch, mooi en inmiddels ook een geliefd vakantieland, maar niet Europees. Ze kunnen dragen wat ze willen, ze kunnen zeggen wat ze willen. In dat opzicht is er weinig veranderd sinds 1926. Wel overigens op Europees politiek niveau, waar al jaren wordt gepraat over toetreding van Turkije tot de Europese Unie. Istanbul is dit jaar ook een van de drie culturele hoofdsteden van Europa.