In 1841 kwam de jurist G.Buys met een plan om het Amsterdamse grachtenwater door verdamping geschikt te maken voor consumptie. Het project kon deels betaald worden uit een inrichting van liefdadigheid die dankzij de “opgewekte warmte” mensen zou herbergen en koffie en brood verschaffen. Het plan strandde, maar er was voldoende startkapitaal om in 1844 in een oude paardenstal op Passeerdersgracht 17 een tehuis voor behoeftigen en onbehuisden te stichten, genaamd De Toevlucht.

De instelling voorzag in een enorme behoefte, want voor Amsterdamse daklozen was letterlijk nergens een heenkomen. Als ze niet op straat of in een park overnachtten, konden ze eigenlijk alleen terecht bij een van de talloze goedkope pensions. Maar zo’n logement konden ze niet betalen en de omstandigheden waren er miserabel. Armenzorg was en bleef vooral een zaak van particulier initiatief.

Tussen 1877 en 1900 steeg het aantal inwoners van 300.000 naar ruim een half miljoen, en de situatie aan de onderkant van de woningmarkt verslechterde snel. Er ontstond een enorm woningtekort, waar huisjesmelkers van profiteerden met snel stijgende huren. Niet betalen leidde onherroepelijk tot huisuitzetting. Het aantal daklozen werd pas werkelijk schrikbarend toen de gemeente, dankzij de Woningwet van 1901, krotwoningen begon te slopen. De verdreven bewoners konden de huur van een betere woning meestal niet betalen en belandden op straat.

Tijdens de strenge winter van 1890 waren zoveel dakloze zwervers doodgevroren, dat het Leger des Heils – sinds 1887 in Amsterdam actief – besloot onbehuisden ’s nachts in hun warme bijeenkomstzalen aan de Lijnbaansgracht en op Rapenburg te laten slapen. Na de samenkomst werd er over de vloer een dikke laag stro uitgespreid. Een nobel streven, maar immer onder Gods strikte hoede. Tjitte Jonker (1866-1922) en Jannetta Cornelia Clauzer (1872-1921) waren twee van de heilsoldaten. Zij kwamen in botsing met het Leger toen zij wilden gaan trouwen. Het stel stapte eruit en bood in 1898 hun diensten aan bij De Toevlucht voor Onbehuisden, een logement met gaarkeuken in een voormalige diamantslijperij op Zwanenburgerstraat 18. Daar werd voor geen enkele levensovertuiging of godsdienst propaganda gemaakt. Twee jaren later waren ze er directeur en directrice.

Neutraal

Het echtpaar Jonker-Clauzer kreeg in 1903 moeilijkheden met het bestuur van De Toevlucht, vertrok en opende in september een onderkomen voor vrouwen en kinderen aan de Bloemgracht (nummer 24), dat plaats bood aan vijftien vrouwen, dertig kinderen en zes zuigelingen. Verhuurder was het Roomsch Catholijk Oude Armen Kantoor (RCOAK). Op 12 november volgde de opening van een tehuis voor zo’n zestig mannelijke zwervers in een voormalige fabriek op Haarlemmer Houttuinen 15. Er was een volkslogementmeteen gaarkeuken bij.

Tjitte Jonker en Jannetta Clauzer ontpopten zich tot twee pijlers onder de Amsterdamse zorg “voor ongelukkigen en schipbreukelingen der maatschappij”, zoals ze het zelf formuleerden. In februari 1904 verstuurden ze een circulaire over hun dan nog naamloze initiatief onder de titel Verschaffing van directe hulp aan Onbehuisde Mannen, Vrouwen en Kinderen. “Wij helpen mensen van alle gezindten, dus ieder kan ook onzen arbeid steunen.” Stevige geldschieters waren nodig. In Tjitte Jonker bleek zowel een meester-inzamelaar als een groot lobbytalent te schuilen. Er kwam een bestuur met prominente Amsterdammers als de bankier Jan Herman van Eeghen en de latere wethouder van armenzorg Nicolaas Josephus Jitta.Zo kreeg Jonker gehoor bij het stadsbestuuren de stedelijke armenzorg.De waardering voor het initiatief was groot. Ook het Koninklijk Huis steunde de Jonkers financieel.

Hulp voor Onbehuisden (HVO) was zijn tijd vooruit wat betreft fondsenwerving en personeel. Om een zo groot mogelijk draagvlak onder de burgerij te krijgen, was HVO opgezet als vereniging, en binnen korte tijd waren er al honderden leden. En terwijl armenzorg destijds vooral werd gedragen door vrijwilligers en door de kerk, nam HVO betaald personeel in dienst en stelde zich nadrukkelijk geloofsneutraal op.

Paria’s

Op 5 maart 1904 nam De Telegraaf een kijkje op de Bloemgracht en de Haarlemmer Houttuinen. Jonker kwam ruim aan het woord: “In onze groote stad met ruim een half millioen inwoners waren rond 1900 een groot aantal arme mannen en vrouwen zoowel als kinderen die medelijden verdienden, en verachting ontvingen. Ze doolden als paria’s langs wegen en straten zonder voedsel en voldoende kleeding. Wij wilden trachten onderdak te bieden aan eenieder die daarom vroeg, werk en brood geven aan alle ellendigen die anders een gewissen ondergang te gemoet gaan… Het werk der liefde, dat wij begonnen zijn, willen wij voortzetten door te trachten hen nuttige leden der maatschappij te doen worden. Er moet voor hen een plek zijn waar ze terecht kunnen voor de nacht, zonder daarvoor eerst arbeid te verrichten of daarvoor te moeten betalen. Wij steken de hand toe aan oudgevangenen, aan den dronkaard, aan den zedelijk zwakke, die hulp noodig heeft en geholpen wil worden. Wij bewaren hen voor drank, bandeloosheid en gevangenis, leeren hen werken om straks in de maatschappij terug te keeren, gewapend met de kracht, die zij in onze inrichtingen ontvingen, om als eerbare mannen, dikwijls tot toonbeeld voor velen, te worden.”

HVO was een onmiddellijk succes. Al in het oprichtingsjaar verleende de organisatie 31.665 keer gratis onderdak. In de ogen van het echtpaar Jonker-Clauzer schoten de faciliteiten zwaar tekort. Ze trokken bij de gemeente aan de bel, waarop de vereniging in 1905 voor het symbolische bedrag van f1,- per jaar het Oude Buitengasthuis of Pesthuis uit 1635 aan de Tweede Constantijn Huygensstraat in bruikleen kreeg. Het grote pand werd ingericht als nachtasiel met 105 bedden voor mannen en 60 voor vrouwen.

Internaat

Wie er wilde overnachten, moest zich eerst bij de politie melden, en kreeg dan een “kaartje voor Jonker” uitgereikt, waarmee hij/zij zich bij het asiel kon vervoegen, “mits zij niet onder den invloed zijn van sterken drank en zich aan de voorschriften van de vereeniging willen onderwerpen”. Ieder moest zich laten wassen en de kleren werden ’s nachts gewassen – niet elke zwerver had daar zin in. Je kon er slechts een paar nachten achtereen terecht.

Tjitte Jonker hield zich bezig met de mannenafdeling, met de aanmeldingen en met het zoeken van werk voor de bewoners; Jannetta Clauzer bekommerde zich om de vrouwen en kinderen. Als de politie met een noodgeval naar het al snel overbelaste HVO telefoneerde, luidde het antwoord van de onvermoeibare Jonker steevast: “Breng de menschen maar hier, dan zal ik enige plaatsjes maken. Maar jelui zorgen voor hun meubeltjes hoor, want die kan ik hier niet erbij velen.”

Langdurige opvang bood het internaat, waar hij of zij ook hulp kreeg bij het zoeken naar werk en een huis. Als tegenprestatie en als therapie moesten de mannelijke internaatbewoners oud papier, kleren en lompen, meubelen, kruiken en flessen ophalen en sorteren. Inwonende vrouwen werkten mee in de huishouding. In 1906 vroeg een journalist aan Jonker of HVO voorzag in een behoefte. Hij antwoordde: “Wilt u een paar cijfers noteeren? We hebben in 1906 gratis nachtverblijf verleend aan 92.281 personen, waarbij 57.271 kinderen, 25.397 mannen, 1237 doortrekkende werklieden en 8376 vrouwen.” Waar al die mensen dan gebleven waren, wilde de verslaggever weten. Jonker: “Het merendeel is door ons afdoend geholpen. Ik sta met verschillende groote fabrieken in Duitschland in verbinding die zeer veel werkkrachten van hier betrekken. Anderen hebben hier in Holland door onze bemiddeling werk gekregen, weer anderen zijn hier in de inrichting gebleven.”

Kinderafdeling

Het lukte “groot-bedelaar Jonker” in 1909 om f 5000,- bijeen te krijgen voor een kinderafdeling. De kinderen konden in de buurt van het Oude Buitengasthuis naar school en voor wie daar niet thuishoorde richtte hij een interne school op. Jonker maakte er in brochures ijverig reclame voor: “O, zij willen zoo graag. Zulk een dankbare leerling is B., hij is elf jaar en heeft in geen vier jaren de school bezocht. Hij was niet dankbaar toen men hem hier bracht, liefst zou hij dadelijk weer wegloopen. En nu? ’t is dezelfde jongen niet meer. Wie hem nu op school ziet, gebogen over zijn werk, met lust en ijver de eenvoudige woordjes schrijvend, zou hem niet meer herkennen.”

Nadat hij ’s avonds mijmerend door de gangen van het Oude Buitengasthuis was gelopen, noteerde Jonker eens: “Daar liggen ze dan, moe van het zwerven door de straten van onze groote stad. Wat een verschil van leeftijd en, wanneer wij eens gingen onderzoeken, wat een verschil in afkomst. Enkele hunner gezichten vertellen zelfs dat zij afstammen van zeer gegoede families. Zwarte schapen van de kudde. Wat is toch den oorzaak van hun diepe val? Heeft het hun misschien aan leiding in hunne jeugd ontbroken of waren zij erfelijk met verschillende gebreken belast? Ziedaar vragen, die zich elke dag aan mij opdringen. Wij kunnen heel lang denken over de oorzaken hunner ellende, maar dat verbetert hun toestand nu niet. Nu moet er gehandeld worden, want zij kunnen niet altijd blijven zwerven.”

De bemoeienissen met minderbedeelden kregen een extra impuls door de opkomst van de reclassering en de kinderbescherming. HVO richtte diverse nieuwe instellingen op, waaronder in Amsterdam een ‘observatiehuis’ voortachtig verwaarloosde jongensin de Vosmaerstraat, het eigen logement De Hoop in de Warmoesstraat, met zestig kamers en café-restaurant, en een jongenshuis aan de Prins Hendrikkade 165. In de omgeving van Appelscha kwam een landbouwkolonie, “om jongens op te leiden in het boerenbedrijf en hen tot nuttige leden der maatschappij te maken […]”.

Penibel

De jaren van de Eerste Wereldoorlog waren moeilijk voor de armenzorg. Er heerste voedselschaarste, grote groepen Belgische vluchtelingen klopten aan en tot overmaat van ramp werd Waterland op 13 en 14 januari 1916 getroffen door watersnood. Jonker versierde matrassen en dekens voor de vluchtelingen, en organiseerde een 200-tal slaapplaatsen in het Tolhuisrestaurant. HVO zonk “elken dag dieper in de ellende”. De situatie werd zo penibel dat de gemeente te hulp schoot.

In 1921 overleed Jannetta Jonker-Clauzer. Ze werd postuum geroemd om haar toewijding en werklust, haar weldadige vriendelijkheid en woorden van vertroosting. “Mevrouw Jonker behoort tot die gelukkigen die door de bewondering der wereld niet zijn bedorven”, klonk het op de begrafenis. Een halfjaar later bezweek echtgenoot Tjitte, verzwakt door verdriet en rouw, op 55-jarige leeftijd aan de gevolgen van een blindedarmoperatie. De kranten waren vol lof. “De groote verdienste van het echtpaar Jonker is geweest, dat er te Amsterdam, waar zooveel menschelijk wrakhout te zamen drijft en zoveel ellende geleden wordt, één deur is die nimmer voor iemand gesloten werd.”

Kader

HVO-Querido

Maatschappelijk werk en geestelijke gezondheidszorg gingen samen, toen Hulp Voor Onbehuisden in 2000 fuseerde met de Prof. dr. A. Querido Stichting. Sindsdien biedt zorgorganisatie HVO-Querido in de wijde omtrek van Amsterdam opvang, woonbegeleiding en dagbesteding aan dak- en thuislozen. Het aantal daklozen in Nederland is de afgelopen tien jaar verdubbeld naar 40.000 (cijfer Centraal Bureau voor Statistiek). Vermoedelijk ligt het werkelijke aantal veel hoger. De Amsterdamse GGD gaat uit van 500 tot 1000 geregistreerde nachtzwervers. Tijdelijke opvanglocaties zitten overvol en er is amper doorstroming.

MARGIT WILLEMS IS SCHRIJVER EN JOURNALIST.

MEER WETEN: HVOQUERIDO.NL

Decembernummer 2019

Beeld: Tjitte Jonker greep in 1913 het tienjarig bestaan aan voor fondsenwerving: het Guldens Jubilee Fonds. Ontwerp: Daan Hoeksema, druk: Kotting. Collectie HVO