Uit de peuterjaren van de stadsfotografie is de allereerste Amsterdamse foto niet bewaard gebleven. De maker in 1839 was, blijkens een krantenbericht, de handelaar in kunstenaarsbenodigdheden Christiaan J.L. Portman. De oudste nog bestaande foto's zijn vage opnamen van de Munt, zes jaar later genomen door advocaat Eduard Isaac Asser. Dat was een halve eeuw vóór er meer dan een enkeling met een camera op pad ging. Fotograferen bleef lange tijd razend duur en ingewikkeld. Inspannend ook, door het gesjouw met loeizware houten camera's met grote glasnegatieven. En dan al die aandacht! Een 'photograaf' moest er tegen kunnen dat hij prompt het middelpunt van een nieuwsgierige meute werd als hij zich met zo'n grote kast op statief op een straathoek posteerde.

Die allereerste fotografen waren bemiddelde amateurs. Rond 1860 werd fotograferen duidelijk een beroep, al had de voortvarende Pieter Oosterhuis (1816-1885) al in 1852 een "atelier voor daguerrotypie" geopend. De grote mode waren in die tijd de 'cartes de visite': portretfoto's op klein formaat. De opdrachtgevers moesten daar minutenlang roerloos voor poseren. Sommige fotografen legden al rond 1850 ook het stadsbeeld vast, maar de straten lijken leeg: wie zich bewoog was hooguit als een grijze veeg op de afdruk herkenbaar. Toen rond 1870 het toerisme opkwam (al was dat nog een zeer elitaire zaak) ontstond er zowaar een markt voor fotografische stadsgezichten, bij wijze van souvenirs. Die werden op een wat groter formaat afgedrukt: 11 x 16,5 cm. Oosterhuis maakte heel wat van deze 'kabinetfoto's'. Maar daarnaast verdiende hij een goede boterham met het in opdracht van Rijkswaterstaat vereeuwigen van talloze gloednieuwe spoorwegen, bruggen, stations, kanalen en sluizen.

Handcamera's

In 1888 introduceerde de Amerikaanse firma Eastman Kodak een relatief kleine handcamera, met zeer lichtgevoelige platen. Nu werd fotograferen een stuk makkelijker: met die toestellen kon je veel wendbaarder en onopvallender het stadse gewoel betrappen. Een man die beide tijdperken meemaakte was Jacob Olie (1816-1885). Als jonge timmerman en assistent-architect, niet bang voor techniek, fotografeerde hij rond 1860 zijn ouderlijk huis op de Zandhoek en geduldig poserende familie en buren, en legde hij ook de bijzondere sfeer van het Bickerseiland vast. Zijn actieradius was heel klein, want vlak voor de opname moest de glasplaat worden besmeerd met een zelfbereid chemisch mengsel.

Toen hij in 1865 directeur werd van de Ambachtsschool op de Weteringschans stopte hij wegens tijdnood met fotograferen. Pas na zijn 'prepensioen' in 1890 pakte hij de draad weer op. De stad was intussen veel moderner en hectischer geworden en Olie vond dat heel boeiend. Met zijn zelfgebouwde nieuwe handcamera bewoog hij zich nu soepel door de hele stad (geprepareerde glasnegatieven waren intussen in fotowinkels te koop) en fotografeerde de nieuwe 'boulevards' en drukke winkelstraten van zijn stad. Daar keek bijna niemand meer van op.

Anno 2016 behoort Jacob Olie tot de befaamdste fotografen van rond 1900. Maar in zijn tijd was hij als fotograaf bijna alleen bekend bij familie en vrienden, voor wie hij soms zijn lichtbeelden vertoonde. Soms trad hij ook weleens met zijn toverlantaarn op in buurthuizen en scholen, maar daarvan verschenen geen verslagen. Hij kreeg pas echt naam toen bestuursleden van het Genootschap Amstelodamum in 1959 op zolder bij zijn dochter duizenden negatieven ontdekten en besloten er een fotoboek van te maken. Het werd een bestseller.

Passie

Ook George H. Breitner (1856-1923) was bij leven niet zozeer bekend als fotograaf, maar des te beroemder als kunstschilder. Hij liep er niet mee te koop dat hij als voorstudie van zijn schilderijen behalve schetsjes ook foto's gebruikte. Bij hem niet de haarscherpe precisie die de opnamen van Olie kenmerkt, maar (vaart suggererende) onscherpte en gewaagde perspectieven. "Een wandelaar met een camera,", typeert Anneke van Veen hem. Als schilder ging het hem allereerst om de sfeer en dat zien we ook op zijn foto's. Hij koesterde de schilderachtigheid van de oude stad. Anders dan Jacob Olie had hij het erg moeilijk met de drastische modernisering van de stad.

Toch fotografeerde (en schilderde) Breitner ook grote bouwputten, wat anderen vrijwel nooit deden. Ging het hem om het vastleggen van de verandering of meer om het portretteren van de zwoegende arbeiders? Hij was gefascineerd door dames, dienstbodes en zwoegende bouwvakkers, maar had ook een passie voor paarden. Die van de paardentram kende hij zelfs deels bij naam. Van Veen is dan ook heel blij dat ze in een particuliere collectie een nog onbekende Breitner-foto vond van een trekpaard in de bouwput van de Raadhuisstraat.

Generatiegenoot, geestverwant en vriend van Breitner was schilder/fotograaf Willem Witsen (1860-1923), sociaal middelpunt van de 'beweging van Tachtig'. Breitner en hij deelden zelfs een tijdje een atelier. Witsens foto's dienden veel minder als basis voor zijn schilderijen en hij deed ook bepaald niet geheimzinnig over zijn fotohobby. Hij maakte een aantal melancholieke stadsfoto's, maar was minstens zo virtuoos als fotografisch portrettist van vrienden als Willem Kloos, Hein Boeken, Arnold Aletrino – en George Breitner.

Lichtbeeldkunst

Tot de bekendste Amsterdamse fotografen van een eeuw terug behoorde ook de wat jongere Bernard F. Eilers (1878-1958). Hij begon als schildersknecht, werd daarna leerling bij de Amsterdamsche Lithografeer-Inrichting Van Leer en bleek daar zo talentvol dat zijn baas hem vroeg het terrein van de fotochemie te verkennen. In 1907 begon hij een eigen 'zincografie-inrichting' (drukken met zinken platen). Hij was toen al actief als amateurfotograaf, exposeerde op tentoonstellingen in binnen- en buitenland en won in 1909 en 1910 internationale prijzen. In 1911 opende hij op Amstelveenseweg 83 zijn Inrichting voor Artistieke Lichtbeeldkunst.

Toch zag hij zich zelf niet alleen als beroepsfotograaf: hij bleef prominent lid van de in 1887 opgerichte Amateur Fotografen Vereeniging (inmiddels de 128-jarige NAFVA). In zijn stadsgezichten interesseerden de "geziene en gevoelde stemmingen" Eilers veel meer dan de plek zelf: hij gaf zijn foto's titels als 'Frissche wandeling' en 'Nog aarzelt het licht'. Daarmee was hij een uitgesproken vertegenwoordiger van de internationale stroming van het picturalisme, zeg maar het schilderkunstig fotograferen.

Geen vetpot

Jacob Olie, George Breitner, Willem Witsen en Bernard Eilers: het zijn grote namen. Maar het aardige van de tentoonstelling Amsterdam 1900 is dat er ook werk zien is van heel wat tamelijk onbekende of zelfs anonieme fotografen. Niet zo verwonderlijk overigens, want volgens Hans Roosenboom (De schaduw van de fotograaf. Positie en status van een nieuw beroep 1839-1889) waren er in 1889 in Amsterdam al 62 zelfstandige beroepsfotografen, met gemiddeld één assistent. Bekende adressen waren Max Büttinghausen (in gebouw Helios, Spui 15-17), Max Cosman (Galerij 48), Albert Greiner (Nieuwendijk 89/Damrak 24, W.G. Kuijer & Zonen (Westermarkt 19), M.H. Laddé (Nieuwendijk 59) en Cornelis Leenheer (Utrechtsestraat 45).

Uitzonderingen daargelaten, zoals de hoffotografen Greiner en Kuijer, was het fotovak voor weinigen een vetpot, zodat sommigen er een tweede baan bij hadden. Een aantal was (net als Breitner en Witsen en ooit Pieter Oosterhuis) kunstschilder of had het ooit willen worden. Maar het hele scala van hun oorspronkelijke beroepen dan wel nevenberoepen was veel diverser: tekenleraren, winkeliers, kooplui, ambachtslieden.

Portretten maken was hun hoofdbezigheid, al gingen ze soms op eigen aandrang de straat op. Zoals de 21-jarige Johan Bickhoff (1881-1968), tijdens de grote Spoorwegstaking van 1903. Zelf was bepaald geen revolutionair (later zou hij zich specialiseren in het portretteren van katholieke prelaten), vond hij het allemaal wel heel spannend. Aan hem danken we de enige foto's van deze massale arbeidersactie, die het hele land in rep en roer bracht. Hij exposeerde ze in de etalage van een vriend, A. Favier, die een sigarenwinkel had op het Koningsplein.

Magnesiumbommetjes

Sommige beroepsfotografen zochten hun opdrachtgevers buiten de sfeer van de standaard-portretfotografie. Denk aan de sinds 1883 actieve Nico Schuitvlot (1959-1947), die sinds 1892 de huisfotograaf was van het Amsterdamsch Studenten Corps (net als later zijn gelijknamige zoon) en menigmaal door zijn benevelde cliëntèle uit bed werd gebeld. Schuitvlot: "Wie kans ziet, bij allerlei studentenfeesten zijn werk goed te doen, kan de lastigste baby makkelijk baas." Hij kiekte ook heel andere gezelschappen, zoals in 1908 het congres van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht in het Concertgebouw. "Hier ter stede was hij de eerste die opnamen met kunstlicht maakte", meldde het Algemeen Handelsblad in 1929 bij Schuitvlots 70ste verjaardag. Dat ging met magnesiumbommetjes, waarvan de wolk werd opgevangen met speciale parapluutjes.

Een categorie apart was en bleef de firma Phot. P. Oosterhuis. Na de dood van zijn vader in 1885 zette Gustaaf Oosterhuis (1858-1938) het bedrijf voort. Hij bleef grote infrastructurele projecten fotograferen en vond daarin een geheel eigen esthetiek. Hij fotografeerde onder meer de bouw van de Westergasfabriek (1885), de aanleg van het Merwedekanaal (1892) en vanaf 1894 de scheepswerf NSM.

Enkelen bedienden de prille 'toeristenindustrie': Andreas T. Rooswinkel (1838-1907) bijvoorbeeld, in 1868 van Leeuwarden naar Amsterdam verhuisd, werkte voor de latere kunsthandel fa. Gebr. Douwes, die zich rond 1900 nog vooral profileerde als uitgever van prentbriefkaarten, een nieuw fenomeen. Weer een heel ander specialisme koos de Duitser Alex Bratsch (1869-na 1926). Hij fotografeerde vooral interieurs van bedrijven en nieuw opgeleverde woningen, in opdracht van de architect. Vaak was dat Ed. Cuypers, die van 1905 tot 1927 het blad Het Huis, oud en nieuw uitgaf.
Een categorie apart werd de persfotografie. Belangrijke pionier was het in 1906 begonnen geïllustreerde weekblad Het Leven. Namen van fotografen werden daarin hoogstzelden genoemd, maar toch kreeg C.J. (Kees) Hofker (1886-1936) redelijke bekendheid – mede dankzij zijn indrukwekkende baard. De strijdbare sociaaldemocraat werd in 1931 de eerste voorzitter van de Nederlandsche Vereeniging van Persfotografen.

Beeldjagers

Het was vooral aan de handzamere en goedkopere camera's uit de Kodak-fabriek te danken dat vanaf ongeveer 1890 de amateurfotografie weer opbloeide. Johan Rombouts (1843-1913; steevast eerbiedig aangeduid als 'Dr. J.E. Rombouts') had daar niet op gewacht. In 1888 publiceerde hij een boek met Artis-foto's: Kijkjes in de dierentuin. Fototechnisch ging geen zee hem te hoog. Hij was opgeleid tot apotheker en drogist; in 1873 schreef hij een proefschrift over het gebruik van microfotografie in de plantkunde. Later werd hij leraar, maar hij bleef een ijverig fotograaf en schreef ook een leerboek en vele artikelen over fotografie. Hij betrapte graag het dagelijks leven op straat en gaf strategische tips: "Als men, met een hand-camera wandelende, iets waarneemt dat men fotografeeren wil, dan moet op hetzelfde oogenblik de opname plaats hebben. Dan moet men met de camera werken als een jager met het geweer, n.l.: aanleggen en afdrukken."

Een veelzijdig man was de handelaar in stoffen Jan Zeegers (1872-1937). Naast zijn werk en zijn fotohobby was hij ook een bekend zwemmer en de sportliefde bracht hij over op al zijn kinderen. Zijn gelijknamige zoon (tussen beide wereldoorlogen een bekende langeafstandsloper) schreef in zijn memoires: "Iedere zondagmiddag van het jaar 1913 konden voorbijgangers op de brug Herengracht en Amstel in Amsterdam een al wat oudere heer zien staan, die met hoog geheven wandelstok een sein gaf aan vijf jongens en een meisje die op onderlinge afstand van 25 meter langs de Amstel stonden opgesteld. De man was mijn vader en als zijn wandelstok naar beneden ging renden wij zessen of ons leven er van afhing om het eerst bij hem te zijn." Die vijf kinderen stofferen regelmatig Zeegers stadsgezichten en interieuropnamen; we zien ze ook rond een Zandvoortse strandstoel op de omslag van het zomernummer van Ons Amsterdam in 2006. Zeegers is postuum vooral beroemd om zijn knappe geëxperimenteer met een van de eerste kleurenfotografieprocédés: de 'autochrome', waarbij oranje, groen en violet geverfde zetmeelkorreltjes heel nauwkeurig op een zwart-wit glasnegatief werden geperst.

De vele prachtige stadsbeelden van Johan L. Scherpenisse (1888-1966) raakten vergeten en werden pas aan de vergetelheid ontrukt door zijn kleinzoon Peter Scherpenisse, die ze vanaf 2003 digitaliseerde en er in 2008 een boek van maakte. Als 17-jarige magazijnbediende (later beambte bij de Nederlandsche Spoorwegen) begon Johan in 1905 met fotograferen en hield er in 1913 om onduidelijke redenen abrupt mee op. Hij portretteerde de stad zoals die intussen geworden was: met veel venters, dienstmeiden, koetsiers, schoenenpoetsers en poppenkastspelers, maar ook met moderne kantoren, gedempte grachten, elektrische trams en heel wat fietsen en al een enkele auto. Zoals Anneke van Veen schrijft in haar boek bij deze tentoonstelling: "Op zijn foto's heeft de moderne tijd het pleit gewonnen."