De veelkleurige bezettingsgeschiedenis van het hoofdstedelijke trambedrijf beroert nu al meer dan 65 jaar de gemoederen. Gerenommeerde historici als Loe de Jong en Ben Sijes hebben sinds de jaren zestig nadrukkelijk gewezen op de doorslaggevende rol die het communistische trampersoneel speelde bij het uitbreken van de Februaristaking. Maar vanaf omstreeks 1990 is door journalisten van zowel linkse (Geert Mak) als rechtse (Sylvain Ephimenco) pluimage ook veel aandacht besteed aan de medewerking die het gemeentebedrijf vanaf juli 1942 verleende aan de deportatie van meer dan 80.000 Joodse Amsterdammers. Het bedrijf stond destijds onder leiding van ir. Willem Barend Isaac Hofman.
Kenmerkend is dat opiniemakers de twee meest opzienbarende hoofdstukken uit het oorlogsverleden van de Gemeentetram – de Februaristaking en de medewerking aan de deportaties – als twee morele uitersten tegenover elkaar plaatsen. Het linksradicale personeel, dat in de vroege ochtend van 25 februari 1941 pogingen deed om meer gematigde collega’s te overtuigen van de noodzaak van een algehele staking, verdient volgens deze auteurs alle lof. Maar tramdirecteur Hofman wordt afgeschilderd als een gewetenloze schurk, die juist had geprobeerd om de unieke verzetsmanifestatie te voorkomen en later (zomer 1942) ook nog eens besloot om de bezetter met trammaterieel en -personeel van dienst te zijn bij het deporteren van tienduizenden Joden.
Als de achtergronden zorgvuldig bestudeerd worden, ontstaat echter een genuanceerder beeld. Diensthoofd Hofman opereerde in een politiek mijnenveld, met enerzijds oproerige ondergeschikten en anderzijds een bezettingsmacht die pas geleidelijk haar ware gezicht toonde. Daarover later meer.

Langlopend conflict

Voordat Hofman in de zomer van 1933 op 40-jarige leeftijd door de Amsterdamse gemeenteraad werd benoemd tot directeur van de Gemeentetram, had hij als hoofd van het studiebureau van de vervoersdienst al enkele jaren intensief onderzoek gedaan naar de problemen van het noodlijdende gemeentebedrijf. Vlak na zijn aantreden kreeg hij, doordat de SDAP het pluche verruilde voor de oppositie en er voor het eerst sinds lange tijd een christelijk-liberaal stadsbestuur kwam, de mogelijkheid om een ingrijpende reorganisatie door te voeren (1933-1936), die onder meer gepaard ging met een loonsverlaging van 3%.
Hoewel hij buiten het bedrijf in burgerlijke kringen bewondering oogstte met zijn maatregelen, stuitte zijn rigoureuze aanpak bij het rijdend personeel op verzet. Het overgrote deel van de gematigde trambestuurders en -conducteurs werd in die tijd vertegenwoordigd door de Algemene Bond van Overheidspersoneel in Nederland. Nadat Hofman eind 1934 in De Telegraaf naar aanleiding van klachten van passagiers over het “verschrikkelijke schokken en schudden” van de tram koeltjes de schuld in de schoenen schoof van te wild rijdende bestuurders, diende de bond een klacht in bij de verantwoordelijk wethouder. Ook werd er een openbare vergadering bijeengeroepen. Op het pamflet dat aan de vooravond van deze bijeenkomst in de remises werd verspreid, werden de klachten van het personeel samengevat; vooral het ‘afjakker-systeem’ van de nieuwe directie moest het ontgelden. Tenslotte was het onverteerbaar dat Hofman zich zo negatief had uitgelaten in de ‘openbare pers’.
Hoewel de agressieve toon van de anders toch zo “kalm ageerende vereniging” bij de directie tot gefronste wenkbrauwen leidde, zal de aanwezigheid van een kleine, maar actieve communistische bedrijfscel (ongeveer 40 werklieden) als een nog grotere bedreiging zijn ervaren. Met krantjes en pamfletten werden de gematigde trambestuurders en conducteurs door deze rode trammannen tegen de bedrijfsleiding opgezet. Ambtenaren mochten sinds 1933 officieel geen lid zijn van ‘extremistische organisaties’ als de Communistische Partij Nederland. Desondanks vormden de communisten wel degelijk een factor van belang. Zij zouden dit tijdens de bezetting, maar vooral ook daarna blijven.

De Ariërverklaring

Toen Hofman op 10 mei 1940 omstreeks vijf uur ’s ochtends de gordijnen van de slaapkamer van zijn woning in de Volkerakstraat in Zuid opende, kon hij zijn ogen nauwelijks geloven. Hoewel de tramdirecteur enkele dagen eerder op een receptie in het Rijksmuseum van de garnizoenscommandant had begrepen dat een Duitse inval een reële dreiging was, kwamen de gitzwarte rookwolken boven de zuidwestelijke stadsrand toch als een onaangename verrassing. Schiphol werd gebombardeerd, de oorlog was begonnen. Hofman was vanaf 1925 actief lid van de vrijmetselarij en besefte dat hijzelf om die reden onder nationaalsocialistisch bewind op weinig sympathie van de nieuwe machthebbers hoefde te rekenen. Daarnaast moet hij zich direct gerealiseerd hebben dat de machtsovername ook ingrijpende gevolgen zou hebben voor zijn positie binnen de organisatie.
Aanvankelijk leek er in de eerste maanden na de inval weinig te veranderen. De meeste overheidsfunctionarissen op hun post, geheel in lijn met de geheime Aanwijzingen van 1937. Zo ook Hofman. De tramdirecteur waande zich als diensthoofd in eerste instantie veilig onder de vleugels van het hem vertrouwde gemeentebestuur, maar werd tegelijkertijd steeds vaker geconfronteerd met zorgwekkende beleidsmaatregelen van de Duitse bezettingsautoriteiten. Bijvoorbeeld de Ariërverklaring.
Op 9 oktober 1940 stuurde Hofman met tegenzin een Kennisgeving aan de ambtenaren en werklieden der Gemeentetram en -Veren, waarin het personeel werd opgeroepen om een verklaring te tekenen omtrent het “al of niet van Joodschen bloede zijn”. Hij vermeldde er uitdrukkelijk bij dat dit op verzoek van de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken diende te gebeuren. Doordat hogere bestuurslagen zich stukje bij beetje hadden laten verleiden om steeds verder mee te gaan in de wensen van de bezetter, was het voor lagere ambtenaren bijna onmogelijk om zelf een minder volgzame weg in te slaan. Half november kreeg het diensthoofd van zijn wethouder de mededeling dat 40 Joodse werknemers op non-actief moesten worden gesteld. Op 21 februari 1941 ontvingen deze mensen het bericht dat ze per 1 maart uit de gemeentedienst werden verwijderd.

‘U hoeft niet bang te zijn’

Intussen leidden de antisemitische maatregelen van de bezetter onder de stadbevolking tot steeds meer onvrede en woede. Nadat agenten van de Ordnungspolizei op 22 februari op het Jonas Daniël Meijerplein meer dan 400 Joodse mannen hadden opgepakt, voelden de communistisch gezinde gemeentearbeiders Willem Kraan en Piet Nak, werkzaam bij de Stadsreiniging, haarfijn aan dat met dit optreden voor veel Amsterdammers de grens van het toelaatbare bereikt was. Twee dagen later probeerden deze mannen nog tevergeefs om met de hulp van gelijkgestemde collega’s een proteststaking van de grond te krijgen. Wel wisten ze met name communistische ‘trammannen’ voor hun idee warm te krijgen.
In de vroege ochtend van dinsdag 25 februari gebeurde het dan toch. Vlak voordat de eerste tram uit de hoofdremise in de Kromme Mijdrechtstraat wilde vertrekken, werd het aanwezige personeel door een plotseling verschenen medewerker van de Stadsreiniging aangespoord om niet uit te rijden. Een grote groep trammachinisten en -conducteurs gaf gehoor aan deze oproep. Sommige stakers gingen naar huis, anderen bleven voor de ingang van de remise hangen om de twijfelaars over de streep te trekken en de werkwilligen tegen te houden. Bij andere remises speelden zich vergelijkbare taferelen af.
Rond zeven uur ’s ochtends werd Hofman thuis gebeld met de mededeling dat er ‘moeilijkheden’ waren. Nadat hij onmiddellijk de wethouder en de waarnemend hoofdcommissaris van de politie had ingelicht, reed hij in zijn dienstauto naar de hoofdremise. Daar riep de directeur het personeel bijeen en hield hij een korte toespraak. Hij wees zijn personeel op het stakingsverbod voor ambtenaren, zei niettemin begrip te hebben voor de motieven van de bestuurders en conducteurs, maar waarschuwde tegelijkertijd dat de Duitse autoriteiten de staking “zeer zeker als een vijandige daad” zouden opvatten. Hij vroeg de werklieden om aan hun gezinnen te denken. Een mondig personeelslid voegde hem daarop toe: “Gooit u toch die deuren dicht! U hoeft niet bang te zijn, wij staan als één man achter u!” Hofman deed er in de uren daarna alles aan om het openbaar vervoer weer in beweging te krijgen.

In de houdgreep

Na de oorlog hebben Februaristakers van links en rechts alle lof gekregen, al werd er stevig geruzied over de vraag hoe belangrijk de rol van de communisten was geweest. Ben Sijes (Oorlogsdocumentatie), die in 1954 de eerste wetenschappelijke studie over de Februaristaking publiceerde, moest echter óók vaststellen dat deze unieke verzetsmanifestatie voor de bezetter een welkome aanleiding was om haar greep op het lokale bestuur te verstevigen. Er kwam een Duitsgezinde burgemeester (Edward Voûte), met door hem benoemde NSB-wethouders. Een van hen was C.J. Neiszen, hoofdingenieur en directielid van de Gemeentetram. Daar was Hofman niet rouwig om: hij was hem liever kwijt, dan rijk. De fanatieke, klikgrage nationaalsocialistische wagenbestuurder Johannes Heesbeen werd bovendien door de directeur ‘ingekapseld’ door hem te vereren met de titel ‘vertrouwenspersoon voor het personeel’. Diens talloze rapporten verdwenen in Hofmans onderste bureaula. Hij deed ook zijn best om personeelsleden uit de wind te houden bij de Duitsers: toen conducteur Knoop na een handgemeen met een Duitse militair gevangen werd genomen, bewoog hij hemel en aarde om hem vrij te krijgen. Hofmans rol als ‘stakingsbreker’ verkleinde de kans dat hijzelf door een NSB’er vervangen werd. Maar de beschermende laag van niet-foute wethouders verdween en hij kreeg direct met de bezettingsautoriteiten te maken.
Op 18 juni 1942 vernam Hofman van Generalkommissar für das Sicherheitswesen Hanns Rauter dat Joden vanaf 30 juni geen gebruik meer mochten maken van het openbaar vervoer. Boze Joodse passagiers liet de directeur weten dat hij het besluit van de commissaris-generaal onmogelijk naast zich neer kon leggen. Kort daarop kreeg de directeur van Hauptsturmführer Karl Wörlein de opdracht om in de nacht van 15 juli trams en personeel ter beschikking te stellen om jonge en bejaarde joden, opgeroepen voor ‘tewerkstelling’ in Duitsland, naar het Centraal Station te vervoeren. Hofman stemde hiermee in, naar zijn eigen zeggen op verzoek van de Joodsche Raad, omdat de oudjes en kinderen “anders moesten gaan lopen”. Bewijs daarvan ontbreekt.
Pas na november 1942 handelde Hofman duidelijk ondermijnend, vooral omdat zijn bedrijf last kreeg van de Arbeitseinsatz. Maar ook omdat de Duitsers aan het oostfront grote verliezen leden. Op basis van gemanipuleerde cijfers wist hij burgemeester Voûte te overtuigen dat een verdere personeelsafname desastreuze gevolgen zou hebben voor de exploitatie van het Amsterdamse tramnet. Toen het diensthoofd in het laatste oorlogsjaar door de Duitsers onder druk werd gezet om een vijfde deel van het trammateriaal af te staan, probeerde hij dit met wisselend succes te traineren.

Onzuivere zuivering

Kort nadat de bezetting op 5 mei 1945 was beëindigd, laaide de strijd tussen de rode bedrijfscel en de directeur van de Amsterdamse Gemeentetram opnieuw op. Terwijl de meeste Amsterdammers hun bevrijdingsroes nog lagen uit te slapen, meldden de gepensioneerde conducteur Louwinger en trambestuurder Peeters zich op 11 mei op het hoofdkantoor op de Stadhouderskade bij de waarnemend directeur (Hofman was afwezig). Zij vroegen toestemming om “een bedrijfsvergadering te mogen beleggen teneinde de onder het personeel levende gevoelens en grieven ten aanzien van de directie te kunnen uiten”.
In de volgende maanden verzamelden enkele personeelsleden op initiatief van de recent opgerichte communistisch gezinde Eenheidsvakcentrale (EVC) klachten tegen het optreden van de directeur in oorlogstijd. Nadat die waren gebundeld, werd Hofman uitgenodigd om voor een zuiveringscommissie te verschijnen. De commissie – voor drievijfde EVC-leden – boog zich vooral over de beschuldiging dat de directeur met zijn “optreden gedurende en na de proteststaking in 1941” een “onvaderlandsche houding” had aangenomen. Het werd hem zeer kwalijk genomen dat hij een lijst van 59 stakers, samengesteld door NSB’ers, aan de Sicherheitsdienst had doorgestuurd. Opmerkelijk genoeg werd in de klachten nauwelijks ingegaan op de medewerking die het bedrijf onder zijn leiding verleende aan de Jodentransporten.
Hofman beet flink van zich af, nadat hij zich bij de minister van Binnenlandse Zaken had beklaagd over de samenstelling en daarmee samenhangende partijdigheid van de commissie. Op 11 december 1946 werd hij door burgemeester Arnold d’Ailly vrijgesproken. Hoewel de drie EVC-leden van de zuiveringscommissie eerder hadden aangedrongen op een strenge berisping, besloot het college van B&W geen zuiveringsmaatregelen op te leggen. Met name omdat Hofman leiding had moeten geven aan een “uiterst moeilijk te bestieren bedrijf”.

Gewetenloze schurk?

Het is opmerkelijk dat het oordeel dat door historici, journalisten en schrijvers over het beleid van Hofman is geveld, met het verstrijken van de jaren steeds harder werd. Ten dele komt dat doordat voor latere generaties, anders dan voor de zuiveringscommissie, de inzet van de Gemeentetram bij de deportaties een zware zaak is geworden. Zo bezien kwam Hofman er in 1946 nog goed af. Toch moet worden vastgesteld dat het onder meer door Geert Mak geschetste zwarte beeld van Hofman nogal kort door de bocht is. Meer dan eerst wordt als bewijs van zijn schuld aangevoerd dat hij voor een zuiveringscommissie moest verschijnen, zonder te vermelden dat sancties uitbleven.
B&W hadden begrip voor het feit dat hij niet al te veel te kiezen had. Hofman was zeker geen held, maar ook geen gewetenloze schurk. Hij is hét prototype van de ‘inheemse’ topambtenaar die apolitiek opereert en zich alleen bezighoudt met zijn werk (het vervoerbedrijf), maar onder druk van de bezetter betrokken raakte bij zaken die het daglicht niet konden en kunnen verdragen. Bovendien waren de motieven van de meerderheid van de zuiveringscommissie niet geheel zuiver. Het lijkt erop dat de aangevoerde klachten in hoge mate de voortzetting waren van een machtsstrijd tussen de directeur van de vervoerdienst en het communistische trampersoneel, die vanaf het begin van de jaren dertig gaande was.