Niemand weet meer precies waar de droom ontstond. De droom die uiteindelijk steen zou worden en die nu alweer 350 jaar als stadspaleis het hart van Nederland regeert. Ik doe een gok. Ik neem u ruim drie en een halve eeuw mee terug, naar Keizersgracht 65, het Amsterdamse huis van Pieter Corneliszoon Hooft, drost van Muiden, notabel en kunstliefhebber. Het is de avond van de 20ste februari 1640. De Keizersgracht is dichtgevroren. In de grote zaal branden de haardvuren, de wijn vloeit rijkelijk en er zal uitbundig gegeten zijn: vis, wild, pasteien van pruimen en konijn, kippen met gember, peren met peper en wellicht een enorm suikerwerk als pièce de résistance, al die merkwaardige schotels uit de keuken van het 17de-eeuwse Amsterdam. De conversatie is een kunst op zich, vol citaten, grapjes, dichtregels, liedjes, dansende woorden. En er wordt gemusiceerd, reken maar.

Waarom dit verhaal openen met zo’n luchtige avond, zo lang geleden? Allereerst vanwege sfeer. Zelden waren zoveel Amsterdamse straatnamen in levenden lijve bijeen als op deze avond. Mag ik u voorstellen: de hooggeleerden Gerardus Vossius en Caspar Barlaeus, de katholieke middenstander Joost van den Vondel, de verpletterende zusters Anna en Maria Tesselschade Visser, de weerbarstige schilder, architect en zuipschuit Jacob van Campen en ten slotte de prinselijke secretaris Constantijn Huygens, componist, dichter, uitvinder en algemeen genie. Zo’n beetje dezelfde mensen die in de warme maanden vaak langskwamen op het Muiderslot, Hoofts zomerverblijf – de ‘Muiderkring’. Dit was de zenith van het culturele leven van de stad. Hier werden de ideeën geboren.

Dan is er de geschiedenis. Bijna nooit blijft een feestje drie en een halve eeuw in de herinnering bestaan. Dit partijtje komt echter in meerdere bronnen terug, het moet opvallend feestelijk en flitsend zijn geweest. Constantijn Huygens zou de volgende dag weer vertrekken, hij zou met de slee over de bevroren Haarlemmermeer naar Den Haag ‘verreizen’, maar toen hij wilde opstappen mocht hij niet weg. Door een kring van zeven dames werd hem belet te vertrekken - een incident waarvan vervolgens iedereen op zijn eigen manier iets maakte. Jacob van Campen pakte zijn pen en schetste het tafereel. En Barleaus maakte weer een gedicht over de tekenende Van Campen:

Op de schets van de vrouwenkrans rondom Constantijn Huygens

die het won van de standvastigheid van Constantijns aard,

terwijl de schilder en architect Van Campen het tekende:

Teken de man, Van Campen, teken

de overwonnen dichter,

Teken het bevallig werk van vrouwelijke razernij,

Teken de wisseling der dingen, schilder Constantijn

als Proteus...”

Tesselschade en Huygens schreven ondertussen een puntdicht over de hele situatie:

“Wat meende dit verraed? Men wilde mij doen willen,

En wild’ick, soo verkracht?

Oh nee, myn will, in ’t eerst Weer-will van seven Willen,

Hadd nu geen’ willens macht..”

En ten slotte is er het tijdstip. Dit feestje was zo’n klein, terloops moment in de geschiedenis waarvan je achteraf denkt: eigenlijk was het een hoogtepunt. De opstand tegen Spanje was bijna voltooid. De Amsterdamse handel bezat de hegemonie in bijna alle werelddelen. Geld en mensen stroomden de stad binnen. Rond het oude centrum werd een hele ring gelegd van waterboulevards, met links en rechts honderden kleine paleisjes, een stadsuitbreiding van een nooit vertoonde schaal in Europa, en dat niet voor een vorst en een hofhouding, maar voor de republikeinse burger, de ‘mercator sapiens’ (wijze koopman).

Avontuurlijke voorpost

Amsterdam was, kortom, rond het midden van de 17de eeuw een kleine, avontuurlijke en liberale voorpost in een Europa dat voor de rest nog grotendeels middeleeuws was. En daarbinnen vormde zich, op dezelfde wijze, een eigenzinnig cultureel leven. Dit waren Nederlandse kunstenaars die over de grenzen keken, ze spraken, nee, ze dichtten zelfs in het Latijn, ze waren perfect op de hoogte van de laatste Franse liedteksten, van de jongste Engelse vindingen, van de chicste Spaanse vormen, van de nieuwste Italiaanse architectuur. Ze correspondeerden door heel Europa. Ze hoorden niet tot het internationale circuit van vorstelijke hoven, republikeinen als ze waren. Maar toch schiepen ze onderling een soort hofcultuur, een wijze van omgang waarin wellevendheid, esprit en bedrevenheid in de schone kunsten op een bijna on-Nederlandse manier de toon zette. De Amsterdamse mercator sapiens moest zich, net een Europese hoveling, kunnen handhaven in de hoogste kringen, maar hij moest ook geestig zijn, en ieder moment met een pikant verhaal, een woordspeling, een puntdicht of een vrolijke lied te voorschijn kunnen komen.

Nog geen tien jaar later zouden de eerste sporen van verval al zichtbaar worden, maar op dat moment liepen, heel, heel even, talloze onzichtbare draden uit Europa naar die zaal in dat Amsterdamse grachtenhuis. Twee weken eerder had de stad Amsterdam besloten om het oude stadhuis te vervangen door een nieuw stadspaleis, groter en luisterrijker dan alles wat eerder aan seculiere gebouwen was neergezet in de Lage Landen. Op dat moment wist Van Campen nog niet wat hem boven het hoofd hing: hijzelf zou de grote architect worden, de ‘vinder’ van het ‘wereldwonder’. Maar de geest van dit gezelschap zou hij met zich blijven meedragen, in zijn idealen, in zijn stenen droom.

De realiteit zou uiteraard bezaaid zijn met distels, doornen en praktische bezwaren. Het gebouw was een statussymbool van jewelste, maar tegelijk moest het in de praktijk ook fungeren als regeringscentrum van een wereldstad. De bouwgeschiedenis was lang en stormachtig, vooral de eerste jaren. Van Campen, luimig en kortaf, moest zijn oorspronkelijke ontwerp “vanwege de quade tyden” ettelijke malen omgooien. In de zomer van 1653 - de eerste oorlog met de Engelsen woedde in volle hevigheid - werd besloten het stadhuis maar half af te bouwen en de bovenste twee verdiepingen te laten vervallen. Aan de tekeningen is nog altijd te zien hoe Van Campen worstelde om de hoge Burgerzaal toch nog in dit nieuwe ontwerp te laten passen. In februari 1655 werd het oude stadhuisplan opeens toch weer opgepakt, maar Jacob van Campen was toen al met ruzie vertrokken. Niet lang daarna, op 13 september 1657, overleed hij.

Inmiddels was, buiten zijn aanwezigheid, zijn halfvoltooide schepping op 29 juli 1655 alvast plechtig ingewijd. Joost van den Vondel vergeleek het gebouw op die zomerse dag met een “Bruyt, daar ’t al om danst en die, zo fier en rijck, / op haeren schoonsten dagh op ’t kussen zit te prijck”. Het duurde echter nog een halve eeuw voordat het wonder werkelijk was voltooid: pas op oudejaarsavond 1705 was de laatste grote plafondschildering, die van de Burgerzaal, gereed.

Verdrietige woning

De eerste anderhalve eeuw van zijn bestaan vormde het huidige paleis een bijna onvoorstelbare combinatie van raadhuis, gerechtsgebouw, centrale bank, hoofdbu­reau van politie, kunstgalerie, raad voor de kinderbescherming, wapenkamer, commandobunker, huis van bewaring, belastingkantoor en nog zo wat. Vrijwel alle toenmalige overheidsfuncties werden erin samengebracht. Het was een stad in de stad, met de Burgerzaal als markt, ontmoetingsplaats, politiek centrum, ‘agora’ in de meest letterlijke zin van het woord.

Vanaf 1808, onder koning Lodewijk Napoleon, kreeg al deze republikeinse grandeur een ander gebruik: het werd het paleis waarmee Amsterdam zich ‘hoofdstad’ mocht noemen. Opnieuw ontstond een spanning tussen droom en werkelijkheid. Als immers één gebouw in Nederland een vorstelijk uitstraling had, dan was het wel het paleis op de Dam - al ontbrak bijvoorbeeld een monumentale entree. Maar nog lange tijd was het tegelijk een weerbarstig 17de-eeuws kantoorgebouw dat slechts met moeite kon worden aangepast aan de speciale eisen die van een paleis werden gevraagd. De eerste koninklijke bewoonster, Napoleons stiefdochter Hortense de Beauharnais, noemde haar nieuwe kamers, “versierd met een fries van wit- en zwartmarmeren doodskoppen”, direct al het ‘Paleis van Inquisitie’: “Nooit heeft een woning er verdrietiger uitgezien.” En de toenmalige adviseur van de koning, mr. Johan Valckenaer, voorzag toen al problemen die soms nog actueel zijn: “De aparte ligging van het gebouw stelt het aan alle kanten bloot aan de nieuwsgierigheid en onbescheidenheid van leeglopers en nietsdoeners.”

Van Campens ‘Bruyt daer ’t al om danst’ werd zo, door de “wisseling der dingen”, een soort emigrante. Het oude stadhuis was geboren uit een gevoel van grootsheid en allure dat bijna vorstelijk genoemd kon worden. Tegelijkertijd was het een typisch burgergebouw. Als paleis moest het nu een centrale rol spelen in een monarchie. Bovendien kreeg het een prestigieuze nationale status - waarmee het wel de vanzelfsprekende functie in het stadsleven verloor. Onze ‘Bruyt’ had zich met liefde en overgave aangepast, aan haar nieuwe rol in nieuwe omstandigheden. Tegelijk waren, onvermijdelijk, elementen van het oude gebleven. Een terugkeer werd gaandeweg onmogelijk - ook haar oude wereld was immers totaal veranderd. Dat werd haar eeuwige tragiek.

De orde van Gods schepping

Je zou de mentaliteit waaruit het Amsterdamse stadspaleis voortkwam in één man kunnen samenballen, een gouden eeuw in een gouden figuur: Van Campens vriend Constantijn Huygens. Huygens kon letterlijk alles. Vanaf zijn vierde sprak hij vloeiend Latijn. Als ventje van zes mocht hij al, onder leiding van de grote componist Sweelinck, de viola da gamba spelen - hij raakte, zoals hij later schreef, door onoplettendheid “van de lijn af” en barstte in “bitter en ontroostbaar huilen” uit. Hij was een voortreffelijk dichter, hij schreef tijdens zijn leven zo’n 800 composities (waarvan er trouwens maar een handvol bewaard zijn gebleven), hij prees Rembrandt al de hemel in toen die nog een jonge gezel was, hij was betoverd door de vreemde en geniale schilder Torrentius, hij experimenteerde met lenzen en microscopen, was bevriend met Descartes, hij schreef in drie dagen tijd de ruigste klucht uit de 17de eeuw, Trijntje Cornelis, en tegelijk was hij de persoonlijke secretaris van drie stadhouders achter elkaar.

Huygens kwam heel dichtbij het Renaissance-ideaal, de homo universalis, volop levend, tegelijk altijd op zoek naar een andere, ‘volcomen’ wereld. Net als het menselijk lichaam, ieder gebouw, en in iedere stad, en in ieder geschapen landschap de orde van Gods schepping weerspiegelen.

Haalt u zich maar eens de regelmaat van de Amsterdamse grachtengordel voor de geest, het patroon van de wegen en vaarten in de toen drooggemaakte Beemster, de verhoudingen van de Burgerzaal in het Amsterdamse stadhuis: 120 voet lang, 60 voet breed, en 120+60:2= 90 voet hoog. Jacob van Campen was, net als Constantijn Huygens, bezeten van het gedachtegoed van de Romeinse architect Vitruvius, waarin voortdurend werd verwezen naar de ‘volmaaktheid’ van het universum, die zou worden weerspiegeld in de maten van de mens. In Van Campens stadhuisontwerp kwam deze overeenkomst tussen mens en gebouw op allerlei manieren terug. Niet toevallig gaat het lofdicht op het stadhuis van Van Campens andere feestgenoot, Joost van den Vondel, over het middenlijf, armen en hoofd van het gebouw: “Het heeft zijn ingewanden/ Elck lidt, elck ingewant zijn ampte, gebruick en standen…” Uiteindelijk ging - dat vermoeden kunsthistorici althans - de breuk tussen Van Campen en zijn opdrachtgevers eveneens om het ijzeren principe van de harmonie: door alle bezuinigingsplannen dreigde de hele maatvoering van dit ‘volcomen’ gebouw verstoord te worden.

Ook dat was de 17de eeuw: het streven naar de weerspiegeling van Gods orde, in stad, land, en in het menselijk bestaan. Wat ingetoomd moest worden was de chaos in de geest, de melancholie waaraan Hooft zo vaak leed, het “vastgelopen uurwerck” waar Huygens over dichtte, de drankzucht van de tomeloze Jacob van Campen, de razernij van de geleerde Caspar Barlaeus die soms waande dat hij van stro was, of van boter, of van glas. Dezelfde Barlaeus, die acht jaar na deze vrolijke bijeenkomst zichzelf in een put verdronk, naar men later zei omdat hij meende dat zijn stro in brand gevlogen was. Muziek en harmonische architectuur vormden, in deze chaos van de geest, een glimp van de eeuwige harmonie, een gave Gods, een troost voor de mens in dit angstige, duistere dal.

Herkennen we nog iets van de mentaliteit waaruit ons stadspaleis is geboren? De bezoekers van die avond bij Hooft zijn in veel opzichten van ons vervreemd, met hun onhollandse hoffelijkheid en, tegelijk, hun informele gedrag, met hun avontuurlijkheid en hun zucht naar orde, met hun tomeloze gretigheid om alles te omvatten, en hun intense angst om te eindigen als strovuur. Maar in alles zijn ze ook onze voorouders. Onze interessantste voorouders, denk ik wel eens. En nog altijd troosten ze ons. Met hun muziek en literatuur, met hun streven naar harmonie in huizen, grachten, beeldhouwwerken, schilderijen en poldersloten, en met hun ongekend moedige greep naar ‘volcomenheid’ op de Amsterdamse Dam.

Mr. G.L. Mak is schrijver en journalist. In 1997 schreef hij Het stadspaleis. De geschiedenis van het paleis op de Dam.

Dit artikel is een licht bewerkte voorpublicatie van zijn inleiding in het boek Stadhuis van Oranje, dat verschijnt bij de gelijknamige zomertentoonstelling in het paleis.

Het ‘Stadspaleis’ in data

1639 Eerste plannen voor een nieuw stadhuis, ter vervanging van het bouwvallig geworden (tweede) stadhuis uit 1452.

1648 Jacob van Campen wordt aangewezen als architect. De eerste van de 13.659 palen wordt geslagen; de eerste steen wordt gelegd.

1652 Het oude stadhuis brandt af. De nieuwbouwplannen worden urgent.

1655 Nog voor het voltooid is, wordt het stadhuis door de vier burgemeesters plechtig in gebruik genomen.

1665 Ook de koepel is nu klaar. De bouw is voltooid.

1808 Onder zachte drang biedt het stadsbestuur het stadhuis aan de import-koning Lodewijk Napoleon aan, om er zijn paleis van te maken. Het paleis krijgt een balkon; de schepenzaal wordt troonzaal. Lodewijk Napoleon laat de Waag op de Dam afbreken. Het stadsbestuur verhuist naar het Prinsenhof op de Oudezijds Voorburgwal.

1810 Lodewijk Napoleon wordt teruggeroepen naar Frankrijk. Het paleis wordt één van de keizerlijke paleizen voor Napoleon.

1813 Napoleon verliest de slag bij Waterloo. Willem I van Oranje wordt de eerste ‘soeverein’ (sinds 1814 koning) van Hollandse makelij en neemt het paleis in gebruik.

1935 Na tientallen jaren durende discussies, ziet Amsterdam af van haar aanspraken op het ‘uitgeleende’ oude stadhuis op de Dam, in ruil voor een rijksbijdrage van ƒ 10 miljoen voor de bouw van een nieuw stadhuis.

‘Paleis van Oranje’

Van 1 juli t/m 31 augustus is in het paleis op de Dam de tentoonstelling Stadhuis van Oranje te zien, over 350 jaar stadhuis/paleis. Dagelijks te bezichtigen van 11 tot 17 uur. Entree € 3,50. In een aantal vertrekken van het paleis wordt met behulp van videobeelden de geschiedenis van die plek belicht. Bij de tentoonstelling verschijnt het boek Stadhuis van Oranje, door diverse auteurs.

In september gaat het paleis twee jaar dicht voor een stevige interne restauratie. Die omvat vooral een broodnodige modernisering van het interieur van de (niet voor publiek toegankelijke) koninklijke vertrekken.

Voor meer informatie (ook over rondleidingen): http://www.paleisamsterdam.nl/.