Volgens de Amerikaanse schrijver Benjamin Moser wist Jacob van Ruisdael de geestdodende Noord-Nederlandse natuur iets van grandeur te geven. Over Ruisdael zelf tast hij echter in het duister. Er is weinig over de schilder bekend, behalve de bekende feiten: zijn Haarlemse achtergrond, zijn vriendschap met collega-schilder Nicolaes Berchem en zijn herhaalde bezoeken aan het kasteel te Bentheim, doch geen reizen naar exotischere oorden.

In zijn vrijgezellenbestaan en een groepje naaktzwemmers op zijn schilderij van Huis Kostverloren ziet Moser een aanwijzing voor Ruisdaels latente homoseksualiteit. Maar op grond van die ongehuwdheid en spartelende blote kereltjes valt weinig concreets te zeggen over het seksleven van de kunstenaar.

Beursstraat

Om Ruisdael beter te leren kennen, moet je hem opzoeken in zijn Amsterdamse biotoop. De landschapsschilder vestigde zich rond 1656 in de stad, kort na de inwijding van het nieuwe stadhuis. Mogelijk hielden de bezoekjes aan Bentheim hiermee verband: het ‘achtste wereldwonder’ van Van Campen bestond immers grotendeels uit Bentheimer zandsteen, waarvoor zelfs een aparte steenhouwerscompagnie was opgericht. Amsterdamse kooplieden en regenten zullen belangstelling hebben gehad voor Ruisdaels geromantiseerde weergave van de burcht.

In 1657 deed de toen 28-jarige schilder in Amsterdam belijdenis voor de gereformeerde kerk. Uit de kerkenraadsnotulen blijkt dat hij was neergestreken bij de Dam, omringd door collega-schilders, belangwekkende opdrachtgevers, kunst- en prentverkopers en hippe herbergen.

Ruisdael huurde een bovenkamer in de Beursstraat, aan de westzijde van het Rokin tussen Dam en Koophandelsbeurs. Het uithangbord daar toonde een ‘Silveren Trompet’, maar een muziekwinkel zat er niet: in het straatje woonden de Beursknecht, een notaris, schoenmaker, een Keulse ijzerkramer, hoedenkramer, horlogemaker en de erfgenamen van courantier Jan van Hilten. Ruisdaels huisbaas was mogelijkerwijs de textielfabrikant Balthasar Beuns, eveneens recentelijk uit Haarlem naar de stad gekomen.

Thuis had de kunstschilder gezelschap van Meindert Lubbertsz (Hobbema), een weesjongen die hem assisteerde en schilderles van hem kreeg. Een seksuele relatie tussen meester en leerling lijkt onwaarschijnlijk, want in 1668 huwde Hobbema de dienstbode van een burgemeester. Dankzij dat contact kreeg Hobbema een baantje als wijnroeier; zo moest hij geregeld op kroegentocht langs alle tappers, om hun voorraden te peilen voor het vaststellen van de accijnsheffingen.

Toplocatie

Vóór 1667 moet Ruisdael zijn verhuisd, zo blijkt uit zijn testament uit dat jaar. Het verplaatsen van zijn meubels, doeken en andere schildersbenodigdheden kostte weinig moeite, want hij betrok een verdieping om de hoek, aan het begin van de Kalverstraat. In dit vrolijke en volkrijke stuk straat huurde hij een etage boven een van de prentenwinkels. Zijn huis lag recht tegenover herberg Het Hof van Holland en schuin tegenover De Graaf van Holland, een al even gerenommeerd drankhuis in eigendom van de regent Jan Six, bekend van het Rembrandt-portret.

Achter de toog van De Graaf stond landschapsschilder Aert van der Neer, die Ruisdael als kunstbroeder gekend zal hebben. De Haarlemmer woonde dus in een dynamische buurt, waar het nachtleven tot in de kleine uurtjes voortduurde. In de avond transformeerde zijn woonstraat tot het domein van tippelaarsters, of ‘kalverstraets hoeren’, in de woorden van dichter Tengnagel.

Rond 1670 verhuisde Ruisdael wederom binnen hetzelfde huizenblok. Zijn laatste woonlocatie was op een bovenverdieping aan de Dam, rechts naast het hoekhuis bij de Beursstraat. In 1869 zou dit pand plaatsmaken voor het sigarenmagazijn van Hajenius, om in 1914 met het complete blok te verdwijnen voor modewarenhuis Peek & Cloppenburg. Ten tijde van Ruisdael was het huis stadseigendom, zodat gemeentearchivaris Oldewelt indertijd de hoofdhuurder kon opsporen.

De schilder zat in onderhuur bij de kunstverkoper Pieter Voskuyl. Deze onderhuurconstructie was vastgelegd omdat Voskuyl in 1672 failliet ging; als onderhuurder moest Ruisdael zijn huur toen direct aan de stad betalen. Ruisdaels jaarhuur (44 gulden) was bescheiden voor een etagewoning op deze toplocatie.

Zwangere dienstbode

Voskuyl bracht op de begane grond prentkunst, pamfletten en ander drukwerk aan de man, terwijl Ruisdael op de bovenverdieping woonde en werkte. Hij beschikte er over een voor- en achterkamer, met zijn atelier – vanwege de gunstige lichtinval – stellig aan de Damzijde, op het noorden. In het pand ernaast, De Wakkere Hond, zat de kunstwinkel van Hieronymus Sweerts. Deze naaste buurman was uitgever van de serie ‘Amstel-Gesichies’ met prenten van Abraham Blooteling naar werk van Ruisdael.

Ruisdaels bekende schilderij van het Damrak en de haven is geschilderd vanaf zijn bovenverdieping aan de Dam. Of de vrijgezelle kunstschilder hier ‘een betrekkelijk teruggetrokken leven leidde’ zoals zijn biograaf Wijnman suggereerde, valt te betwijfelen. Enkele notariële akten geven een glimp van Ruisdaels sociale omgeving.

Begin november 1671 meldde de voormalige dienstbode van zijn huisbaas Voskuyl zich bij de kunstschilder met het bericht dat ze zwanger van hem was. Ruisdael zou de vrouw, Grietje Hendricksdochter, hebben gedwongen om een andere man als vader aan te wijzen. Deze Johannes Mahu was een gehuwde katholieke kruidenier aan het Damrak.

Ruisdael liet getuigen verklaren dat Grietje een akkoord met Mahu had gesloten. De overspelige kruidenier betaalde haar een afkoopsom van 250 gulden. Hij adviseerde haar de baby na de bevalling te vondeling te leggen en verder haar mond te houden, anders zou hij haar ‘de beck’ opensnijden. Mahu bevestigde uiteindelijk dat de dienstbode Jacob van Ruisdael valselijk had beschuldigd. Twijfels over zijn geaardheid lijkt de dienstbode niet te hebben gehad, toen zij zich zwanger bij hem meldde.

Vuyle boekjens

De schilder en zijn huisbaas Voskuyl waren gezamenlijk opgetrokken in de affaire. Mogelijk werkten ze ook in commercieel-artistiek opzicht samen. Pieter Voskuyls kunsthandel was weinig florissant: na zijn faillissement in het Rampjaar ging hij noodgedwongen weer thuis wonen bij zijn moeder, die pluimvee verkocht achter de vleeshal in de Nes. Onder de toonbank sleet Voskuyl ‘vuyle boekjens’.

De maker van dit zinnenprikkelende materiaal, prentkunstenaar Romeyn de Hooghe, kwam in 1676 naast Ruisdael op de Dam wonen. Met een ex-huisbaas en een naaste buurman die lustopwekkende lectuur produceerden, was het geen gezelschap van brave hendriken, met wie de landschapsschilder zijn Amsterdamse jaren doorbracht. Door dit illustere gezelschap en het bruisende uitgaansleven in zijn nabije omgeving ligt een teruggetrokken bestaan niet erg voor de hand.

Aan het eind van zijn leven keerde Ruisdael terug naar zijn geboortestad, waar hij in 1682 werd begraven in de St. Bavokerk.