“Op de scheepswerven te Amsterdam is de arbeid met kracht en lust hervat”, meldt de Delftsche Courantop 21 mei 1869. Na ruim drie weken is de staking voorbij die de geschiedenisboekjes is ingegaan als de eerste staking van geschoolde arbeiders in Nederland. Het is geen toeval dat die juist op de Oostelijke Eilanden is uitgebroken. De arbeidsomstandigheden en de economische situatie onder de scheepstimmerlieden die werken op de kleine werven van Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg zijn slecht. Voor hen heeft de tijd nagenoeg stilgestaan. De voortschrijdende techniek zorgt ervoor dat in de tweede helft van de 19de eeuw steeds meer schepen met onderdelen van ijzer worden gebouwd en door stoomkracht aangedreven. Op de Oostelijke Eilanden haken de Marinewerf en de Koninklijke Fabriek van Stoom- en Andere Werktuigen van Paul van Vlissingen (1797-1876) en Abraham Dudok van Heel (1802-1873) – twee van de grootste werkgevers van Amsterdam – aan bij de nieuwe omstandigheden. Maar de kleine werven zijn nog niet zo ver. Nederland heeft nog altijd een grote vloot houten zeilschepen, reden genoeg om bij ‘zeil en hout’ te blijven, en dus vast te houden aan het oude en vertrouwde maakproces.

Als in 1857 de internationale vrachtmarkt instort, blijkt de positie van Nederland als zeevarende mogendheid kwetsbaar. De Nederlandsche Handel-Maatschappij staat toe dat op de Indische route ook in het buitenland gebouwde schepen mogen worden ingezet, mits ze onder Nederlandse vlag varen. De vraag naar schepen daalt, het werk op de werven stagneert en er is steeds minder reparatiewerk. Op de Oostelijke Eilanden heerst werkloosheid. Een bekwame scheepstimmerman kan per dag ƒ 1,80 verdienen, maar vooral ’s winters is er weinig te doen. Bij slecht weer kan er niet gewerkt worden en dan wordt er dus niet uitbetaald. Ook de lange werktijden zijn een doorn in het oog van de scheepstimmerlieden. Na de werkdag kan de baas nog aan zijn mannen vragen om allerlei klusjes op te knappen, het ‘allegaren’. Bovendien worden ze ook nog eens geacht hun eigen gereedschap te bekostigen. Dat leidt tot onvrede onder de ‘Bijltjes’, zoals de Amsterdamse scheepstimmerlieden bekend staan, naar het gereedschap dat zij op de werf gebruiken.

Eisen

Die Bijltjes op de Oostelijke Eilanden zijn een gemeenschap op zichzelf. Ze hebben weinig op met de rest van de stad; ze vinden zichzelf niet eens Amsterdammers. Op een urinoir staat in 1869 gekrast: “Dood aan de Amsterdammers, leven de scheepstimmerlieden.” In de 19de eeuw is het op de Eilanden regelmatig onrustig: dreigbrieven aan de deur van de Oosterkerk, protest op de Botermarkt en plannen voor een hongeroptocht naar de burgemeester. In maart 1869 worden de scheepstimmerlieden van de particuliere werven opgeroepen om naar een vergadering te komen over loonsverhoging en de vorming van een vakvereniging. De bijeenkomst is niet bedoeld voor de arbeiders van de Marinewerf. De arbeidsomstandigheden daar zijn beduidend beter: een kortere arbeidsdag, gegarandeerd 52 weken per jaar werk en geen ‘allegaren’.

De politie krijgt lucht van de vergadering. De onderwerpen en de reputatie van de Bijltjes zijn redenen genoeg om ze in de gaten te houden. Met zo’n 400 man is het gebouw Tot Heil Des Volks aan de Rechtboomssloot propvol. Niet iedereen kan naar binnen. Voorzitter is Hermanus Akkerman, een scheepstimmerman uit de Paternostersteeg.

De aanwezigen klagen volgens een politierapport “dat de financiële toestand der werklieden achteruitgaat en de bazen rijker worden”. Drie eisen worden geformuleerd. De eerste is loonsverhoging: ƒ 2,- per gewerkte dag in plaats van ƒ 1,80. De tweede is arbeidstijdverkorting: de werkdag van twaalf naar tien uur. De derde: afschaffing van het allegaren. En er wordt een vakvereniging opgericht: Eendracht.

De nieuwe vereniging van ambachtslieden past in de tijd. De schilders stichtten een paar jaar eerder Vooruitgang Zij Ons Doel, de meubelmakers Amstels Eendracht en de timmerlieden Concordia Inter Nos. De inspiratie is het ondersteunen van de minderbedeelde collega’s, niet de door Karl Marx en Friedrich Engels gepropageerde klassenstrijd. Eendracht is ook geen echte vakbond, maar een vereniging tot het verkrijgen van loonsverhoging.

Staking

De informatie die de politie tijdens de bijeenkomst verzamelt, komt al snel onder ogen van de procureur-generaal van Noord-Holland. Akkerman moet op het politiebureau komen voor een stevig gesprek en de eigenaar van de zaal waar Eendracht wil vergaderen wordt onder druk gezet. Hij zwicht: Eendracht moet op zoek naar een andere zaal. Die wordt gevonden in de Plantage in lokaal Vliedzorg en in De Warmoesstraat in gebouw de Vereeniging. De gezagsdragers hoeven niet veel moeite te doen om daarachter te komen, want de vakvereniging adverteert gewoon in het Algemeen Handelsblad. Scheepstimmerlieden die zich als lid willen aanmelden kunnen terecht “in het Bierhuis van P. van der Pluym, Lange Niezel M376”. Daar houdt het bestuur van Eendracht kantoor. Fijntjes wordt in de advertentie opgemerkt dat alleen werklieden worden toegelaten.

Begin april wordt op een tweede vergadering een adres aan de eigenaren van de scheepswerven opgesteld met de drie eerdere eisen, nu kracht bijgezet met het dreigement om te gaan staken. De vermoedelijke auteur van het adres is Coenraad Geesink, korte tijd secretaris van de Algemeene Nederlandsche Typografenbond.

Er is een uiterste datum genoemd waarop de bazen moeten antwoorden: 19 april. Burgemeester Cornelis den Tex doet nog een halfslachtige bemiddelingspoging. Het enige wat hij bereikt is een verlenging van de termijn. Uiteindelijk vergaderen de Bijltjes op 27 april weer. Het besluit valt om de volgende dag niet voor zes uur ’s ochtends aan het werk gaan. Normaliter begint hun werkdag om vijf uur! Door een uur later te beginnen willen ze de eis tot arbeidstijdverkorting kracht bijzetten. In die tijd werden laatkomers gestraft door hun geen eerste schaft toe te staan. Als de bazen dat nu ook doen, zo is de strategie, volgt een algehele staking. Die ochtend verzamelen de scheepstimmerlieden zich om vijf uur bij de werven, zonder naar binnen te gaan. Een uur later wordt hun de toegang geweigerd en is de staking een feit. Het politierapport van 28 april spreekt van een opmerkelijke stilte.

Solidariteit

De meeste scheepstimmerlieden bij de particuliere werven besluiten te staken. In totaal verschijnen volgens de kranten zo’n 800 mannen niet op het werk. Er zijn slechts enkele werkwilligen of onderkruipers. De werknemers van de Marinewerf en de fabriek van Paul van Vlissingen doen niet mee, evenmin als de meeste scheepstimmerlieden van de Westelijke Eilanden. Er lijkt over en weer geen contact te zijn tussen de beide buurten.

Er is geen stakingskas. Dat betekent dat er een beroep gedaan wordt op de onderlinge solidariteit van de stakers: wie kan, helpt een armlastige medestaker. Werknemers van de Marinewerf doneren een deel van hun salaris en Amsterdamse typografen, timmerlieden en meubelmakers geven steun. De middenstand verleent sneller krediet. Ook worden de stakers gesteund door de Algemene Raad van de Internationale Arbeiders uit België, maar onduidelijk is of het ook om geld gaat. Op 5 mei verschijnt er in het Algemeen Handelsbladweer een advertentie van de Scheepstimmermans-Vereeniging: van alle kanten stromen donaties toe. De bijdragen gaan alle verwachtingen te boven. De solidariteit is groot in de eerste weken.

De Amsterdamse staking haalt de landelijke pers. Het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagbladtypeert de stakingsleiders als raddraaiers. De loonsverhoging is een slecht idee, maar de eis tot arbeidstijdverkorting vindt de krant wel billijk. In de rubriek ‘Amsterdamsche Brieven’ van de Nieuwe Rotterdamsche Courantvraagt een lezer zich af waarom de scheepsbouwers de lonen niet laten stijgen, terwijl de kosten voor het levensonderhoud wel omhooggaan: “Wat hebben de meesters aan den arbeid van levende geraamten?” Maar over het algemeen hebben de kranten meer belangstelling voor arbeidsonrust in België en Duitsland.

Succes

De staking duurt enige weken. Het wordt steeds moeilijker voor de stakers om het hoofd boven water te houden. In totaal is ongeveer ƒ 400,- verzameld voor 800 stakers en hun gezinnen. Mondjesmaat melden werkwilligen zich weer bij de werven. Zij krijgen de hoon over zich heen van met name de stakersvrouwen. De politie moet de onderkruipers bescherming bieden. Voor de zekerheid worden 25 huzaren op de Eilanden gedetacheerd. Werfeigenaar Theodorus Boelen laat op 13 mei “in haast” een briefje bij de politie bezorgen: “Brigadier, Zend mij om 8 uur en tegen 8 1/2 een paar agenten - aan de werf en Oosterkerk daar het volk mijn volk gisteren gedreigd heeft af te ranselen en er staan een massa bij de kerk […] – zij willen mijn volk bang maken opdat ze ook uitschijden.”

Op 18 mei besluit Eendracht de staking voort te zetten, maar twee dagen later overleggen de Bijltjes bij elke werf afzonderlijk al over hervatting van het werk. Op 21 mei gaan 220 scheepstimmerlieden weer aan het werk. Een dag later is de staking definitief gebroken.

Is de staking verloren? Nee, het succes komt, zij het pas een maand later. Op vrijwel alle werven gaat het loon omhoog tot de gevraagde ƒ 2,- per dag en behoort het ‘allegaren’ vanaf dan tot het verleden. Voor de stakingsleiders, onder wie Hermanus Akkerman, zijn de gevolgen zuur: zij hoeven zich niet meer te melden bij de poorten. Akkerman vindt werk bij de Maatschappij voor Meel- en Broodfabrieken.

Knieval

De scheepstimmerliedenstaking van 1869 is voor de meeste Bijltjes en hun families een grote overwinning. Daarnaast markeert de staking een belangrijk moment van de opkomende arbeidersbeweging in Nederland: de oprichting nog in hetzelfde jaar van de Nederlandse afdeling van de Internationale is mede het gevolg van de staking op de Oostelijke Eilanden. De achterliggende motieven zijn de geringe steun van andere arbeiders aan de stakers en het ontslag van de leiders. De Bijltjes zelf kiezen niet voor de Internationale. Die is in hun ogen een te radicale beweging.

Met de vereniging Eendracht gaat het in de maanden na de staking niet goed. Het gerucht gaat dat de club is ontbonden, maar Eendracht blijft bestaan. In 1872 is er nóg een belangrijk succes: de scheepsbouwmeesters gaan akkoord met de tien-urenwerkdag. De Bijltjes maken een knieval: de nieuwe werktijden zullen pas op 1 maart 1873 ingaan, want op de werven zijn drie schepen in aanbouw. Om die voor de afgesproken prijs af te leveren, zijn de scheepstimmerlieden bereid nog bijna een jaar lang twaalf uur per dag te werken.

Meer successen oogst Eendracht niet. Een staking in 1875 naar aanleiding van een nieuwe manier van loonberekening loopt op een teleurstelling uit. De vereniging blijft tot 1912 bestaan, maar zo prominent als in 1869 is zij nooit meer geweest.

DAAN MEIJER IS HISTORICUS EN WERKT ALS CONSERVATOR BIJ DE NOTARIËLE STICHTING.

Bijltjes: een geuzennaam

De scheepstimmerlieden op Kattenburg, de ‘Bijltjes’, hadden een aanzienlijke macht in de stad. Ze waren sterk Oranjegezind en deden meer dan eens gewelddadig van zich spreken: in 1748, 1787 en in 1813. Het woord ‘Bijltjesdag’ als dag van afrekening herinnert eraan tot op de dag van vandaag. Meer lezen: Ons Amsterdam, april 2003 en oktober 2013.

Beeld header: Scheepswerven aan de Nieuwe Vaart op Wittenburg en links de Oostelijke Eilanden, in het verschiet de Oosterkerk en rechts nog net zichtbaar molen De Gooyer. Stadsarchief Amsterdam

Aprilnummer 2019