1609 was een gedenkwaardig jaar. Er gebeurde veel, heel veel. Al in de eerste maand werd – “Ghecundicht den lesten Januarij anno een duisent ses hondert neghen” ¬– de Amsterdanse Wisselbank opgericht. Een bank die in haar ruim 200-jarig bestaan wereldfaam zou krijgen én houden. Niet alleen de Franse denker Voltaire, maar ook de Schotse econoom Adam Smith en de Duitse revolutionair Karl Marx schreven later vele bladzijden vol over het belang van deze bank.
Niet minder baanbrekend was een dikke maand later de publicatie in Leiden van een boek over het principe van de “vrije zee” (‘Mare Liberum’) door Hugo de Groot. In dit boek wordt uitgelegd dat de Hollanders even veel recht op buiten-Europese vaarten hadden als anderen: “De zee is van iedereen.” Daarmee werkte hij, in opdracht van de Amsterdamse Kamer van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), het standpunt uit dat de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden had ingenomen in de bestandsonderhandelingen met het koninkrijk Spanje.
Op 9 april was er zowaar een Twaalfjarig Bestand getekend: een volgend feit van groot belang. Tot 1621 zou er tussen de Republiek en Spanje niet meer gevochten worden. De Republiek was daarmee in feite door Spanje als soevereine staat erkend. Een van de belangrijkste consequenties voor haar handelspositie was dat de vaart op de “buitengebieden” daadwerkelijk vrij werd. Het verbaast dan ook niet dat Amsterdam uiterst tevreden was met dit resultaat.
Ondertussen was begin april de 80-tonner ‘Halve Maen’ uitgevaren. In opdracht van de VOC zeilde het schip onder commando van de Engelse kapitein Henry Hudson richting het noordwesten om ‘via de Noord’ een doorvaart naar Azië te zoeken. Na vele omzwervingen belandde Hudson op 28 augustus als eerste Europeaan in wat nu de Delaware Bay heet, maar dáár vond hij niet de verhoopte diepe doorvaart naar Indië. Uiteindelijk zeilde hij verder naar het noorden en voer in de late zomer de baai van het huidige New York binnen. Het kustgehucht kreeg aanvankelijk de naam Nieuw Amsterdam – en zou uitgroeien tot the big apple, het financiële hart van de wereld.
In mei 1609 sloten de Staten Generaal ook een handelsverdrag met de heerser van Marokko. Dat was uiterst belangrijk voor de ‘Straatvaart’ (de vaart door de Straat van Gibraltar) en daarmee voor de Levant-handel. Zo veroverde de Republiek een plaatsje in het mediterrane handelsgebied, hetgeen vooral ten koste ging van de vroeger bijna monopolistische positie van Venetië. Niet lang daarna, op 25 juli, sloot Nederland eveneens een unieke deal met Japan. De sjogoen van Japan verleende daarbij een handelspas aan de VOC, waarmee hij toestemming tot de vestiging van een handelspost gaf en vrije handel tussen Nederland en Japan een feit was.
In augustus 1609 werd voor het eerst dividend aangekondigd door de VOC (en in april 1610 uitgekeerd), met positieve gevolgen voor haar aandelenkoers. De aankondiging volgde op de aankomst van een retourvloot met kostbare vracht uit Indië. De aandeelhouders waren uitzinnig van vreugde. Geen wonder, want na zeven magere jaren van dividendpolitiek waren ze knap ongeduldig.

Nieuw: een girorekening

Opvallend aan het jaar 1609 is de enorme waaier aan activiteiten, verspreid over de hele wereld. Nederland stond aan de vooravond van de Gouden Eeuw. Een periode vol geopolitieke verschuivingen, technologische ontdekkingen en innovaties, en met een ongekende bloei van handel, nijverheid en financiën en met vele institutionele vernieuwingen. Frappant is ook dat bij vrijwel alle activiteiten de VOC direct of indirect betrokken was. Deze Compagnie was in 1602 opgericht, als geoctrooieerde opvolger van de zogenoemde Voorcompagniën uit de periode 1595-1602.
De stad Amsterdam ontwikkelde zich al snel tot het onbetwiste middelpunt van die groeiende wereldeconomie. Korter en krachtiger – én vleiender – dan de Amerikaanse historica Violet Barbour dat ooit deed, is die ontwikkeling niet samen te vatten: “Als in vroegere eeuwen alle wegen naar Rome leidden, dan leidden in de 17de eeuw alle wegen naar Amsterdam – de economische hoofdstad van Europa.” Opmerkelijk was ook het enorme tempo waarin dit gebeurde. Of in haar woorden: “Plotseling, zo leek het, was de Stad er.”
In 1602 ging de VOC als eerste bedrijf ter wereld ‘naar de beurs’, tot dan toe het domein van individuele handelaren. De Amsterdamse beurs werd daarmee de bakermat werd van de mondiale effectenhandel. Daar hoorde natuurlijk ook een indrukwekkend beursgebouw bij, zo werd in 1607 besloten. De beroemde architect Hendrick de Keyser kreeg de prestigieuze opdracht en vier jaar later ging het pand aan het Rokin (dat in 1835 weer werd afgebroken) open. Steeds meer financiële instellingen duiken op in Amsterdam: zoals in 1614 de Bank van Lening en in 1616 de Korenbeurs. Amsterdam werd een heus financieel centrum, met als toef op de taart de oprichting van de Wisselbank, naar Italiaans model, in het oude raadhuis van Amsterdam.
De Wisselbank werd de spil van dat Amsterdamse financiële centrum. Zij zorgde voor de broodnodige monetaire “rust, reinheid en regelmaat” en fungeerde daarmee in feite als een centrale bank avant la lettre. Vóór de oprichting van de bank bestond de geldcirculatie hoofdzakelijk uit munten en dan vooral uit veel verschillende soorten munten die uit alle windstreken kwamen. Muntverwarring, muntinflatie en frauduleuze praktijken (“snoeien en knoeien”) waren dan ook aan de orde van de dag. Bovendien was het muntgeld bij grotere handelstransacties wel heel onhandig: je moest letterlijk met kilo’s edelmetaal sjouwen.
Bij de Wisselbank kon iedereen boven een bepaald bedrag met zijn munten terecht. De bank keurde ze en wisselde onvolwaardige munten voor de tegenwaarde van goede en volwaardige handelsmunten. Ook konden klanten er een ‘girorekening’ openen, waarbij de metaalwaarde van de munten tegen bankguldens werd gecrediteerd. Via dit girocircuit kon je geldbedragen met andere rekeninghouders verrekenen, zonder dat er tastbaar geld aan te pas kwamen. Het spreekt vanzelf dat dit een enorme aantrekkingskracht had op handelaren en kooplieden, nationaal én internationaal. De munten bleven vanaf dat moment in de kluis van de bank (“de goud- en deviezenvoorraad”) en het betalingsverkeer kreeg een vast en solide anker.
Het bankgeld bracht nog méér voordelen met zich mee. Voordelen die 400 jaar geleden van groot belang waren, maar die door alle tijden heen steeds opnieuw hun belang hebben bewezen. Allereerst was de bewaring van het bankgeld hier zekerder dan wáár ook. De bankschat was immers in de kelders van het stadhuis beschermd tegen gevaren als brand, diefstal en ander onheil en bovendien stond de rijke stad Amsterdam borg voor die schat.
Ten tweede had iedereen het grootste vertrouwen in de integriteit van het bankbestuur, dus werd het bezit van bankgeld als volkomen zeker beschouwd. Ten derde was het gebruiksgemak groot, (een eenvoudige afschrijving in de boeken verving een omslachtige betaling met muntgeld) en waren de kosten van het betalingsverkeer laag. En ten slotte: de vrijheid van opnemen en storten van bankgeld vond iedereen een groot voordeel, vooral ook door buitenlanders die in eigen land veel minder vrijheid hadden.
Van groot belang was dat in álle handelsbetrekkingen van de VOC alleen het bankgeld werd gebruikt en de afwikkeling van die transacties dus via de Wisselbank moest plaatsvinden. Door deze ‘gedwongen winkelnering’ was de bank meteen verzekerd van een bepaalde omzet, vooral door de uitstralingseffecten van deze maatregel. Maar die nauwe verbondenheid bleek later wel degelijk een Januskop, met één gezicht van bruisende opkomst en voorspoed en het andere van tegenspoed en ondergang.

Voorloper van de euro

Amsterdam was in de Gouden Eeuw niet alleen dé stapelmarkt van de wereld voor goederen en diensten. De stad werd met de Wisselbank en de haar omringende financiële partijen ook dé financiële stapelmarkt van de wereld, met inbegrip van de grootste markt voor edelmetalen. Amsterdam werd daarmee het eerste Internationaal financieel centrum van de wereld.
Daar hoorde ook een mondiale sleutelvaluta bij: de bankgulden, die je wel als de voorloper van de euro kunt zien. Die dubbelrol werd grofweg in de 17de en 18de eeuw vervuld door Amsterdam, in de 19de eeuw door Londen (en het pond) en in de 20ste eeuw door New York (en de dollar). Je zou kunnen zeggen dat met the big apple de cirkel met Amsterdam weer rond is. Zeker nu de betrokken effectenbeurzen zijn samengesmolten in het NYSE Euronext-verband. Bijzonder is ook dat het betalingsverkeer in de kern nog net zo hiërarchisch gestructureerd is als bij de Wisselbank. Aan de top van de geldpiramide bevindt zich het zuivere en goede centralebankgeld. Daaronder komen de geldlagen van de kassiers en bankiers, vervolgens die van de kooplieden en bedrijven en tenslotte het geld van het grote publiek. Ook andere blijvende monetaire innovaties kunnen op het conto van de Wisselbank geschreven worden.
De Wisselbank heeft in haar eeuwenlange leven ook enkele crises meegemaakt. Beroemd is Voltaires schets van de lotgevallen van de bank in het rampjaar 1672. Bij de situatie op 20 augustus van dat jaar schrijft hij over de waarschijnlijk eerste bankrun in de wereld. “Particulieren die bankpapieren in bezit hadden, haastten zich massaal naar de Bank van Amsterdam. Ze waren bang voor plunderingen van de schatkist. IJlings liet ieder zich het sommetje geld uitbetalen waarvan hij hoopte dat het nog voorhanden was. Toen lieten de magistraten de kelders openmaken waar het geld bewaard wordt. Het bleek er geheel onaangeroerd te liggen, zoals het er al zestig jaar lag. Het geld zag zelfs nog zwart vanwege het vuur dat een paar jaar tevoren het stadhuis in de as had gelegd.”
Het ging dus om driemaal vertrouwen: vertrouwen in terugbetaling, vertrouwen in goede bewaring en vertrouwen in het ‘papieren’ geld waardoor de munten niet eens aangeraakt hoefden te worden. Sindsdien kon de reputatie van de bank bijna niet meer kapot. Een sterke munt, een lage inflatie en een lage rente waren daar onlosmakelijk mee verbonden.
Een eeuw later moest de bank alle hens aan dek brengen bij de kredietcrisis van 1763 en de beurscrisis van 1773. De kredietcrisis was even erg als die van nu. Vele instellingen vielen om. De kassiers en bankiers konden een noodfonds voor de rampgevallen niet rond krijgen. Uiteindelijk werd tot ‘centrale hulp’ besloten, met een mogelijkheid tot beroep op fondsen van de bank. In 1773 werd wél een noodfonds opgericht, ook weer met hulp van de Wisselbank. Bij deze crisis werd de naam van Amsterdam aangetast. De concurrentie van Londen was bovendien sterk toegenomen.
Niet alleen kreeg de Wisselbank rond 1780 de genadeklap, ook Amsterdam en de Republiek. Door de (vierde) oorlog met Engeland kwamen handel en financiën vrijwel stil te liggen. De VOC ging onderuit en trok de bank mee in haar val doordat veel onderhands verstrekte kredieten niet meer afgelost konden worden. De bank kwam die problemen niet meer te boven. Na 211 jaar sloot zij in 1820 haar deuren. De VOC en de Republiek waren toen al opgeheven. In het koninkrijk van Willem I had De Nederlandsche Bank in 1814 inmiddels het monetaire vaandel overgenomen.