“Hé, ouwe koopman, luister eens, loop je me zomaar voorbij? Dat kun je niet maken man! Waar heb je je oog op laten vallen, op een zwaan van overzee, een rotgans of een eend? Ik heb net uit Koog aan de Zaan een partij woerden en talingen binnengekregen. Kijk dit zijn brileenden, daar hebben we smienten, dat is een vogel om u tegen te zeggen! En hier heb ik een pijlstaart, het edelste beestje dat in de lucht vliegt, daarvan heb ik er nog een stel. Wil je geen Kamper vogels, helemaal geplukt”? Levendig beschrijft Gerbrand Adriaansz. Bredero in Moortje (1615) een Amsterdamse markt door de ogen van ene Kackerlack, die met een oude kennis door de stad loopt.

Kackerlack had geen belangstelling voor de vogels, de hoender- en vogelkopers ongetwijfeld wel. In Amsterdam was het poeliersbedrijf eeuwenlang in handen van het Hoender- en Vogelkopersgilde. Aanvankelijk zaten ze in één gilde met de vleeshouwers en de viskopers, maar vanaf 1660 gingen ze zelfstandig verder. Hoenderkopers verhandelden voornamelijk kippen, en verder fazanten, patrijzen, duiven en pauwen. Vogelkopers legden zich toe op eenden, ook ganzen, zwanen, kalkoenen en snippen behoorden tot hun waar. Er viel veel te kiezen. Op de schilderijen van Melchior d’Hondecoeter prijken die kleurrijke vogels en hoenders in al hun pracht. Bijvoorbeeld kippenrassen als het Hollandse hoen, het Assendelftse hoen, het Barnevelder en het Drentse hoen. Van overzee kwamen exotische rassen, zoals de chabo uit Japan.

Monopolie

Uit de jaarlijkse voordracht voor overlieden (bestuursleden) van het Hoenderkopersgilde tussen 1731 en 1760 blijkt dat ‘hoenderkopers’ van ‘vogelkopers’ werden onderscheiden. Zelfs was het enige tijd zo dat het bestuur moest bestaan uit twee hoenderkopers en twee vogelkopers. Maar het verschil was niet altijd even duidelijk en extra verwarrend is dat ook hoenderwinkeliers zich bij het gilde konden aansluiten. Het liep door elkaar heen. Neem Jan Abbing: hij had eerst een hoenderwinkel en heette later een vogelkoper. En Hendrik Bievink was geruime tijd hoenderkoper én vogelkoper, maar deed kennelijk ook in konijnen, want zijn winkel op Binnen Bantammerstraat 16 werd in 1784 aangeduid als “het huis daar de twee konijnen uithangen en vogelwinkel in gedaan wordt”. Claas van den Hof en Reijnier Schepper gingen in 1740 voor vogelkopers door, maar in 1742 waren ze hoenderkopers.

Het gilde had het monopolie op de handel. De marktplaatsen voor hoenderen en vogels waren het Halplein tussen de Grote en de Kleine Vleeshal aan de Nes (nu een deel van het plein voor de Brakke Grond) en de Kippenhoek, de oostkant van de Botermarkt, het huidige Rembrandtplein. Niet-gildeleden – ‘buitenlieden’ – mochten alleen op maandag op de Botermarkt hun waar aanbieden. Het was strikt verboden om met geplukte of ongeplukte hoenderen, kapoenen en kalkoenen langs de deuren te lopen. Boetes gingen naar het gilde. Pas in 1742 kregen buitenlieden tegen betaling van f 2,50 per jaar de vrijheid om binnen de stad te verkopen.

Amsterdam had een grote behoefte aan kippen en eenden, vooral voor eigen consumptie. Ze waren gemakkelijk te krijgen en goedkoop. Als levende have gingen ze op kleine schaal ook mee met VOC-schepen. Het pluimvee leverde bovendien veel bijproducten op, zoals eieren, dons en veren. Pennenmakers konden de slagpennen van de grotere vogels gebruiken voor de productie van ganzenveren, een verzamelnaam voor schrijfwaar van diverse komaf -niet alleen van ganzen. Zo was de kraaienveer goed voor het maken van dunne lijnen.

Eendenkooien

De hoenderen liepen in groten getale rond op boerenerven, boomgaarden en weilanden buiten Amsterdam en zullen door veel boeren met boter, kaas en eieren op de markt zijn aangeboden of rechtstreeks aan de hoenderkopers verkocht. Met de eenden was het anders. Die waren jachtwild, afkomstig van eendenkooien in Noord-Holland, op de Waddeneilanden en in Wieringen, in Friesland, Utrecht en de Kop van Overijssel.

De kooien waren vaak (deels) eigendom van de Amsterdamse vogelkopers. Ze leenden geld aan de kooiker, die kon terugbetalen in natura. Zo leende Gerrit Noot (1748-1811) aan de kooien Vanglust in de Zijpepolder (Noord-Holland) en die te Hallum (Friesland). Hij was ook eigenaar van de kooi in de Gemeenschapspolder (Bloemendalerpolder) bij Muiden. In de Zijpepolder waren meer kooien, waaronder Quelderbeek, aangelegd door de Amsterdamse koopman Willem Ockers (1682-1732) op de plaats waar nu het vliegveld De Kooy ligt. Ook de Amsterdamse vogelkoper Jan Groenedijck was rond 1650 deelgenoot van zo’n kooi. Zijn broer Pieter probeerde in 1669 vergeefs de vogelkooi in het Friese Piaam te kopen. In 1683 kreeg hij wel de helft van de kooi in het Heidenschap bij Workum in handen. Ook waren er banden van Amsterdamse vogelkopers met de Friese kooien in Tjerkgaast (1707) en Teroele (1705-1709).

Vogelkoper Gerrit Abbink was in 1798 huurder van de grote eendenkooi bij het Naardermeer en eigenaar van de ‘oude kooi’ in Castricum, die nog altijd bestaat als de eendenkooi Van der Eng. Abbink klaagde dat jaar dat de lokale boeren vergezeld van Franse militairen alle eenden en konijnen hadden doodgeschoten of doodgeslagen. Hij verzocht om een schadevergoeding van f 4000,-. De kooi in Castricum was al in 1732 eigendom van een van zijn voorvaderen.

Eierhandel

De vogels bereikten Amsterdam met de reguliere beurtschippers, die ‘lijndiensten’ onderhielden met alle vogelgebieden, ook met de Waddeneilanden. Bekend is dat vanaf Wieringen, waar veel kooien waren, iedere woensdag in de zomer een speciale schuit richting de stad ging met manden vol gevangen vogels. Het waterwild uit de Kop van Overijssel (‘de Staphorster landen’) ging via Meppel met de beurtschipper naar Amsterdam voor poelier Dirk Gerritsen in de Nes. Het verhaal gaat dat de kooiker in strenge winters de schaatsen onderbond om zijn uitstaande vorderingen te komen innen.

De Rouveense kooikers gaven hun wild mee aan Olde Jan Groen, die met zijn wagen ook boter en eieren meenam. Onderwijzer Jan Poortman (1897-1984) uit Meppel, van wie deze informatie afkomstig is, noemt ook de ‘eiergelegenheid’ van Spekman in de Kalverstraat, een etablissement dat ook voorkomt in de roman Publieke Werken van Thomas Rosenboom. Spekman was gespecialiseerd in gekookte eieren met augurken. Je kon er voor 25 cent een portie van vier eieren met zuur bestellen: zacht, halfzacht of hard. Hij zou jaarlijks wel 40.000 à 50.000 eieren verkopen. De belangstelling van Thomas Roosenboom voor de eierhandel hangt niet samen met het feit dat in het belastingregister van 1742 ene Hermanus Rooseboom wordt vermeld als ‘hoenderkoper in de Nes’: hij is geen nazaat van zijn (bijna) naamgenoot.

Families

Het Amsterdamse Hoender- en Vogelkopersgilde was niet bijzonder groot. Een lijst van gildebroeders uit 1688 bevat 47 namen en door de eeuwen heen domineert een klein aantal families de bedrijfstak. Tot aan de ontbinding van het gilde in 1798 – en de definitieve afschaffing in 1818 – waren lieden als Jan Brackonje, Gerrit Noot, Hendrik Noot, Pieter Oijens en Dirk Florijn meerdere keren overman.

Deze hoenderfamilies waren onderling door huwelijken met elkaar verbonden en vormden zo een hecht netwerk. Een van die families had een keten van zeker zeventien hoender‐en vogelkopers (en ‐koopsters) die zich uitstrekte over minstens 188 jaar en zes generaties, beginnend bij Gerrit Noot (1748-1811), afwisselend hoenderkoper en vogelkoper. Hij woonde in de Nes bij de Hal, tussen de Hermietensteeg en de Nadorststeeg en trouwde in 1771 met Margrieta Brackonje (1748-1801), dochter van een hoenderkoper. Drie van hun kinderen – Teodoris, Barendje en Henderik – gaan door in het bedrijf. Dochter Barendje (1770-1845) trouwde met Hendrik Kloekjes uit Leer (overleden in 1843), die eerst schoenmaker was en daarna poelier in de Herenstraat. Hun dochter Margareta (1806-1852) zette de zaak voort met haar man, Franz Spaink (1810-1849), een ‘reiziger’ uit Jever, Noord-Duitsland. Hun zoon Herman (1837-1905) werd poelier in de Herenstraat (nummer 13), en diens zoon Herman Jr. (1866-1938) was poelier in de Huidenstraat (18), op de Westermarkt en in de Jacob van Lennepstraat (66). De zaak in de Herenstraat werd voortgezet door Gerrit Rigter (geboren in 1907), als de Firma Spaink & Rigter, wildhandel. Pas in 1938 kwam aan de lijn een einde. Schrijfster en publiciste Karin Spaink is een directe nazaat van genoemde Franz Spaink uit Jever.

Joodse poeliers

De gilden werden in 1818 definitief afgeschaft. Zo verdween het monopolie op de uitoefening van het beroep van hoenderkoper en vogelkoper en werd ook het monopolie op de markt bij de vleeshal aan de Nes doorbroken. De beroepsnaam ‘poelier’ werd gemeengoed. Met de burgerlijke gelijkstelling in 1796 konden ook de Joden voor het eerst het beroep van poelier gaan uitoefenen. Een van de eerste Joodse poeliers in Amsterdam was Philip Levie Soester (ca. 1754-1812), waarna nog zes generaties Soester in het vak volgden: zijn achterkleinzoon Hartog (1857-1918) adverteerde in 1893 voor “Gemeste, jonge eendvogels” en “Oude Eendvogels” op Jodenbreestraat 62; Hartogs zoon Benjamin (1891-1942) adverteerde in 1932 met de slogan “Kip, ik heb je – goedkoop” op Jodenbreestraat 37.

Benjamin Sander Levie-Cousin (of Couzijn, 1767-1836) werd in 1812 als ‘Huhnerkoifer’ (hoenderkoper) en ‘Huhnerman’ vermeld. Moses Machiel Serlui (1841-1914) stond omstreeks 1887 bekend als poelier en “koopman in zwanen- en ganzenvellen; alle soorten pluimveeren en pennen”. Hij was getrouwd met Benjamin Couzijns kleindochter Schoontje (1840-1927); hun kinderen Sara (1875-1941) en Wessel (1879-1943) dreven in 1940 een poelierszaak op Weesperstraat 49. Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog hield Hijman Couzijn (1884-1943) een zaak op de Nieuwe Herengracht en Philip Veerman (1892-1939) deed op Jodenbreestraat 17 in “soep- en braadkippen, soephanen, prima jonge eenden, kuikens en gemeste ganzen”.

Slot

Met poelier Verhoef jr. in de Van Woustraat verloor De Pijp zo’n vijftien jaar geleden de laatste poelierswinkel. Zijn vader, Cornelis, was begonnen op de markt, en adverteerde in 1953 met “Heden opening van de Hazenjacht” voor “Wild en Gevogelte”. Amsterdam telt nog een tiental poeliers; ook op de Albert Cuyp zijn er nog een paar over, van wie ‘ChrisKip’ (uw poelier Babak) en Benny’s chicken (“kakelverse kip”) de bekendsten zijn. De hoenderen en de vogels worden nu geleverd door grote pluimveeslachterijen.

Beeld: De Amsterdammer Willem Jodocus Mattheus Engelberts (1809-1887) schilderde rond 1830 dit tafereel van twee vrouwen die hun inkopen doen bij de kraam van een poelierster, collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Meinummer 2019