De dichter in kwestie is Martinus Nijhoff, dan 48 jaar oud. Met het gewapend verzet heeft Nijhoff niks te maken, hij is actief voor het illegale blad Vrij Nederland en de illegale uitgeverij De Blauwe Schuit. Wel is de dichter een wereldoorlog eerder soldaat geweest bij de Genie. Daar heeft hij ervaring opgedaan met het explosief Trotyl, beter bekend als TNT, dat zal worden gebruikt bij de aanslag. Nijhoff adviseert over de plaatsing van de explosieven aan de hand van plattegronden. De groep heeft hierbij echter wel een voorwaarde: er mogen beslist geen doden vallen.

Op de foto zijn de materialen te zien waarmee het register tot ontploffing is gebracht en die achteraf zijn gevonden door de politie. De handschoenen moeten zijn gebruikt door een van de negen mannen die verkleed als politieagenten de aanslag plegen. Eerst schakelen zij de bewaking uit. Daarna storten ze de bakken met registratiekaarten leeg en overgieten de papieren met benzol of petroleum, die in flessen zit. De witte brokken op de foto bestaan uit de brandbare stof Trotyl. Naast de brokken Trotyl zijn slagsnoeren te zien, explosief materiaal in de vorm van draden, waarmee ladingen brandbare stof over tientallen meters ingeleid kunnen worden. De metalen windsels zijn ooit gebruikt voor leukoplast, maar dienen nu in deze zelfgemaakte bommen. Tot slot zijn er de dunne koperen slagpijpjes die de explosieketen in gang zetten. Nijhoffs advies blijkt juist. Binnen korte tijd is de Plantage Kerklaan in een oranje gloed gehuld.

De aanslag slaagt dus, maar het effect blijkt beperkt. Ondanks de brand- en waterschade gaat slechts 15% van de persoonskaarten verloren. Daarnaast komt de Sicherheitsdienst de betrokkenen snel op het spoor. Vrijwel iedereen wordt vermoord, Martinus Nijhoff is een van de weinige overlevenden. Toch heeft de aanslag ook succes, het register in Amsterdam is maandenlang onbruikbaar. Daarnaast biedt de verzetsdaad iets wat in oorlogstijden vaak schaars is: hoop.