Generaties lang waren de inwoners van 't Blauwe Zand nauwelijks vertegenwoordigd in het voortgezet onderwijs. In 1971 had 58% van de beroepsbevolking hoogstens basisonderwijs gedaan, begon geen brugklasser hoger dan de mavo en gingen verreweg de meesten naar het lager beroepsonderwijs. Hoe kwam dat? Het lage gemiddelde inkomen van de buurtbewoners verklaarde lang niet alles, leerde landelijk onderzoek in andere volksbuurten. Ook als een langere opleiding voor de ouders best betaalbaar was, ging die niet door. Onderzoekers vermoedden dat in het gezin en de buurt gekoesterde waarden een grote invloed hadden op de schoolloopbaan van de kinderen. Was dat ook zo Tuindorp Buiksloot? En zo ja, hoe dan?
De start was laat, dat allereerst. Slechts een enkeling bezocht een kleuterschool. Het gemiddelde Blauwe Zandkind ging op zesjarige leeftijd naar de lagere school. Welke hing af van waar het in het tuindorp woonde. De Waddenweg was een barrière met al dat verkeer. Niet-kerkelijke ouders ten westen van die weg stuurden hun spruit liefst naar de Rozenburgschool (Waddendijk 1), ten oosten naar de Beijerlandschool of de IJselmondeschool op de Hoekschewaardweg. Katholieken kozen vanzelf de Thomas van Villanovaschool (ook Hoekschewaardweg) en protestanten de C.F. Capelleschool in de Rode Kruisstraat vlak ten noorden van het dorp.
De generatie Blauwe Zanders die in de jaren vijftig de lagere school verliet, overwoog amper om langer door te leren dan de wet gebood: tot de twaalfde verjaardag (vanaf 1969 vijftien jaar). Zeker, bij sommigen kwam dat door geldgebrek. Greet Veldstra (*1944) zat twee jaar op de IJsselmondeschool en nog eens twee op de Beatrixschool (huishoudschool) in de Meeuwenlaan. "Er was geen geld om naar de hogere school te gaan. Als je geld had, kon je leren."

Uitsloverij

Maar ook zonder financiële druk gingen veel anderen werken zodra het kon. Zoals Nel (*1945): "Je had natuurlijk kinderen die wel goed konden leren; die gingen dan naar de hogere school. Maar het groepje waar ik mee omging, ging naar de huishoudschool. Dat was normaal. Wij waren altijd in het buurthuis. Daar werden inschrijvingen gedaan voor werken bij Verkade en Albert Heijn. Ik ben als veertienjarige begonnen bij de koekjesfabriek van Verkade in Zaandam. Dan werd je 's morgens met bussen opgehaald."
Ook Jettie de Jong (*1953) leerde alleen zolang het moest, al wilden haar ouders doorleren best betalen. "Na twee jaar huishoudschool had ik geen zin meer. Ik was vijftien en ben gaan werken. Wij mochten kiezen: naar school of werken. Je mocht wel leren, maar dan moest je ook echt je best doen." Jongeren kozen dus vaak zelf voor werk in plaats van school en hun ouders accepteerden dit klakkeloos. Wie een hogere opleiding dan gemiddeld volgde, viel in 't Blauwe Zand al snel buiten de boot.
Zo iemand die door de Blauwe Zanders als 'anders' werd gezien was Nico Hofman (*1947), later kapper op de Waddenweg. En niet alleen omdat hij katholiek was – zijn ouders stemden KVP, geen CPN zoals de meesten – en omdat zijn ouderlijk huis vlak buiten 't Blauwe Zand stond, op de Nieuwendammerdijk. "We kwamen uit een net iets beter milieu." Na de middelbare school volgde hij de kappersschool en zijn drie broers werden nog beter opgeleid. "De oudste is de zeevaart in gegaan, de ander deed hts-werktuigbouwkunde en daarna de TH-Delft. De derde ging naar de sociale academie en is hoofd personeelszaken bij Hoogovens geworden."
Zelfs het volgen van de mulo gold in Tuindorp Buiksloot als uitsloverij. Wie de mulo deed nam afstand van het dorp. Nel: "Die trokken dan weg, hè. Mijn oudste neefje, de zoon van m'n zus, heeft ook op de mulo en zo gezeten. Die was verwaand, zeiden we. We vonden die mulo'ers een beetje uit de hoogte, kakkers. Ze kregen dan ook een vriend of vriendin die wat hoger was, waarmee ze trouwden. En dan gingen ze het dorp uit."

Mammoetwet

In 1968 werd de Mammoetwet ingevoerd. Het schoolsysteem veranderde radicaal. Voortaan moesten intelligentie en aanleg bepalen welk schooltype kinderen volgden, niet meer hun maatschappelijke afkomst. Er kwamen brugklassen en scholengemeenschappen (met meerdere onderwijstypes) om beter te kunnen kiezen. Het gewenste effect bleef uit. In 1959 was 8% van de studenten op universiteit en hogeschool afkomstig uit een arbeidersmilieu, in 1977 nog altijd slechts 16%.
Al in 1970 had het Amsterdamse stadsbestuur besloten om een "aktief beleid van positieve diskriminatie" te voeren om ook arbeiderskinderen langer te laten leren. Ter ondersteuning van de scholen werd het Advies en Begeleidingscentrum voor Onderwijs (ABC) opgericht. Tuindorp Buiksloot werd een ABC-gebied, net als Tuindorp Nieuwendam. De ABC-teams kregen de indruk dat het ouderlijk milieu en de buurtstatus meer invloed hadden op de schoolresultaten van de leerlingen dan de kwaliteit van het onderwijs. De benarde huisvesting van de gezinnen (geen eigen kamer om te studeren!) versterkte dit negatieve effect.
Om de leefwereld van de jongeren uit Tuindorp Buiksloot te verkennen richtte het ABC het Onderzoeksteam Amsterdam-Noord op. Als snel kwam men erachter dat de problemen pas begonnen in het voortgezet onderwijs. De jongeren waren meestal erg te spreken over hun tijd op de lagere school. Maar ze hadden moeite met het grootschalige en anonieme karakter van de middelbare school en velen begonnen ook te twijfelen aan de waarde van wat ze leerden voor hun latere werk of verdere scholing. Op de middelbare school werd een vocabulaire gebruikt dat jongeren afstootte. Bijna altijd noemden ze ruzie met leraren als hoofdoorzaak van het schoolverlaten.
Daar kwamen dan nog belangrijke factoren bij als het ontbreken van stimulans thuis, de buurtnormen en de status van geld. Thuis was er weinig waardering voor goede schoolprestaties en geld verdienen had een veel hogere status dan scholing. Zo ook voor de zonen van kapper Nico Hofman, die anders dan hun vader geen diploma's hebben behaald: "Dat was natuurlijk ook mijn schuld: ik nam ze mee naar het werk, mochten ze meewerken, kregen ze geld. Dat geld vonden ze heerlijk, en ze hadden aan mij een goed voorbeeld, dus..."

Doe normaal

Toch heeft de Mammoetwet zeker effect gehad, ook op 't Blauwe Zand. De kinderen van Nel volgden langer onderwijs dan zijzelf: "Zij deden ook de middelbare school in de buurt. De oudste zit nu op de ambulance en de jongste doet iets loonadministratiefs. Die heeft vier mensen onder zich. Mijn dochter werkt bij een Italiaans bedrijf als hoofd inkoop. Alle drie hebben ze een goede baan."
De jongeren gingen gemiddeld langer naar school, maar de havo werd in Tuindorp Buiksloot nog steeds door slechts zeer weinigen gehaald. Jacqueline K. verliet de basisschool in 1974, zes jaar na de Mammoetwet, maar ook haar schoolkeuze werd sterk bepaald door wat de buurt 'normaal' vond. "Pa zei: 'Ga maar naar de mavo, die is om de hoek.' Dan hoefde je niet na te denken; dat was gewoon in de buurt. Dan ga je toch geen havo doen?"
Beleidsmakers legden lang de nadruk op het lage inkomen als oorzaak van onderwijsgelijkheid. Tot ver in de 20ste eeuw sneed dit argument zeker hout, maar sinds de grote welvaarstijging in de jaren zestig toch een stuk minder. Het belang van de normen in het ouderlijk milieu is lang onderschat. Dat geldt zeker voor een vanouds zo hechte gemeenschap als het 't Blauwe Zand. Wie koos voor hoger onderwijs dan de mulo/mavo stapte in feite uit de groep. De veelgeprezen 'sociale cohesie', hier nog altijd op een hoog niveau, kan de individuele ontplooiing dus ook afremmen. De enkelen die hier voor een dubbeltje werden geboren en er in slaagden een kwartje te worden, kwamen daarmee buiten het warme sociale verband van hun jeugd te staan.