De locatie van het Nationaal Holocaustmuseum aan de Plantage Middenlaan is vol betekenis. Het hoofdgebouw is de voormalige Hervormde Kweekschool, gesticht in 1907. Twee deuren verder bevond zich de crèche van de Vereeniging Zuigelingen-Inrichting en Kinderhuis, opgericht in 1906. De twee instellingen hebben een belangrijke rol gespeeld in het verzet tegen de deportaties van Joodse kinderen.

Dit begon toen de Hollandsche Schouwburg, aan de overkant van de straat, op 20 juli 1942 door de Duitsers werd gevorderd als verzamelplaats voor Joden in afwachting van hun deportatie. Duizenden mensen werden in de theaterzaal bij elkaar gepropt onder erbarmelijke omstandigheden; de crèche werd ingezet als opvangplaats voor Joodse baby’s en kinderen tot twaalf jaar.

Door de registratie op een ingenieuze manier te vervalsen bleek het mogelijk kinderen uit handen van de bezetter te houden. De directrice van de crèche, Henriëtte Henriquez Pimentel, werkte samen met Walter Süskind, directeur van de Hollandsche Schouwburg. Ze riep ook de hulp in van haar buurman Johan van Hulst, van 1942 tot 1960 directeur van de Kweekschool.

De tuin van de crèche grensde aan die van de Kweekschool en over de ligusterheg en de schutting werden de kinderen doorgegeven, alles in het verborgene. Van Hulst zorgde er vervolgens voor dat de peuters en kleuters door leden van het verzet werden meegenomen naar onderduikadressen. Op die manier werden tussen de zeshonderd en achthonderd kinderen gered. Op 23 juli 1943 werd de crèche door de bezetter leeggehaald, twee maanden later werd Pimentel met vele anderen in Auschwitz-Birkenau vermoord.

Onwaardige situatie

In de jaren zestig wordt de Kweekschool omgedoopt tot Hervormde Pedagogische Akademie, die in 1985 fuseert met de Christelijke Opleiding tot Kleuterleidsters en de Christelijke Pedagogische Akademie tot de Protestants-Christelijke Pabo. Als de Pabo in 1984 verhuist komt het IVKO in het pand, een montessori kunstvakschool voor mavo en havo.

De Schouwburg wordt in 1944 verkocht aan twee fabrikanten uit Deventer, die het gebouw na de bevrijding heropenen als theater. De gemeente keurt de terugkeer van amusement op de plek af, maar kan er formeel weinig tegen doen. Onder leiding van Johan Winkler, adjunct-hoofdredacteur van Het Parool, wordt geld ingezameld om de Hollandsche Schouwburg terug te kopen en de plaats een waardige bestemming te geven.

De overdracht vindt plaats in 1947. In dat jaar wordt ook de Stichting De Hollandsche Schouwburg opgericht, die het pand in 1950 aan de stad schenkt onder de voorwaarde dat er geen amusement zal plaatsvinden en dat er een rouwkamer zal worden ingericht.

Er worden verschillende scenario’s onderzocht, maar pas in juli 1958 valt het besluit om de Hollandsche Schouwburg te bestemmen als herdenkingsplaats. Het gebouw ondergaat dan een grootschalige verbouwing. Het dak wordt verwijderd, in de open ruimte komt een centrale pylon en een eeuwige vlam. Het beheer valt onder de Dienst Begraafplaatsen en Crematoria van de gemeente.

De herdenkingsplaats laat echter veel te wensen over. Bezoekers, veelal uit de Verenigde Staten en Israël, zien wel dat het een plechtig herdenkingsoord is, maar ze begrijpen het gebouw en de plek niet goed, ze weten niet wat zich daar heeft afgespeeld. Als de Dienst wordt opgeheven komt de Schouwburg in 1987 tijdelijk in beheer bij het Amsterdam Historisch Museum. De toenmalige directeur, Norbert van den Berg zegt verbijsterd te zijn ‘door de treurige toestand van dat alles. Vooral die eeuwige vlam, met die dode cactussen. Het was een onwaardige situatie’.

Levende cultuur

De directeur van Joods Historisch Museum, Judith Belinfante, krijgt het verzoek de Schouwburg onder haar hoede te nemen. Ook zij constateert ‘dat het monument beneden alle peil was, vreselijk en beschamend. Er was een meneer die wel of niet de deur open deed. Het was slecht onderhouden. We zouden helemaal opnieuw moeten beginnen’.

De staf van het museum heeft echter reserves. Het Joods Historisch museum is net verhuisd naar het complex van voormalige synagogen aan de Weesperstraat, de komst van een Holocaustmuseum zou bezoek daar kunnen wegtrekken. Maar belangrijker is dat de Holocaust tot dan toe – opmerkelijk genoeg – een ondergeschikte rol heeft gespeeld in het museum.

Het Joods Historisch Museum was in 1932 geopend in de Waag op de Nieuwmarkt als een museum waar het Nederlandse Jodendom zich kon presenteren als een zelfbewuste minderheid, trots op zijn verleden, gericht op de toekomst. Ook in het nieuwe museum aan de Weesperstraat is de missie dat de Joodse geschiedenis een geschiedenis is van levende mensen en een levende cultuur, niet van dood en vernietiging. De Sjoa mag niet de overhand krijgen.

In de vaste opstelling worden de bezetting en Jodenvervolging gepresenteerd als één van vijf grote thema’s. De fysieke presentatie is beperkt; bezoekers kunnen er langs lopen zonder er naar te hoeven kijken. Holocaust-educatie wordt gedaan door de verzetsmusea en het Anne Frank Huis, voor ‘herdenken’ was er de Hollandsche Schouwburg.

Jonger publiek

Toch neemt het Joods Historisch Museum het project aan. De Schouwburg moet voor oudere generaties een plek van herinnering worden, en voor jongere een plaats van educatie, met een Holocaust-presentatie die veel breder is dan in de eigen vaste opstelling. Het gebouw wordt in 1993 heropend.

Onder de nieuwe directeur van het museum Joël Cahen wordt in 2002 voor het eerst een onderzoek gedaan naar de totstandkoming van een ‘Nederlands Sjoa-museum en Centrum’. Op de achtergrond speelt dat ‘oorlogsgerelateerde’ musea binnen en buiten Nederland sterk in ontwikkeling zijn. Het aanspreken van nieuwe generaties en het toepassen van innovatieve manieren om een jonger publiek aan te spreken houdt musea sterk bezig. Het Joods Museum in Berlijn en Yad Vashem in Israël ondergaan grote renovaties en nieuwbouw; in de Verenigde Staten opent in 1993 het United States Holocaust Memorial Museum. De Nederlandse overheid formuleert nieuw beleid voor musea en scholen, waarin instellingen als Westerbork, het Anne Frank Huis én het Joods Historisch Museum een centrale rol krijgen.

Het onderzoek wijst echter uit dat de Hollandsche Schouwburg te klein is voor een volwaardig museum. De Schouwburg kan worden verbeterd als gedenkplaats, maar voor een museum is extra ruimte nodig. In 2011 doet zich een kans voor: het IVKO vertrekt uit de voormalige Kweekschool, en het gebouw komt vrij. Wethouder Lodewijk Asscher zorgt ervoor dat het een maatschappelijke bestemming moet houden, zodat het geen hotel kan worden.

Tijdelijk museum

In 2015 huurt het Joods Historisch Museum de benedenverdieping van de Kweekschool en richt er het ‘tijdelijke Nationaal Holocaustmuseum’ in. Burgemeester Van der Laan verwoordt in zijn openingstoespraak de bestaansgrond voor het museum: ‘Omdat de eerste generatie oorlogsoverlevenden aan het uitsterven is. De tweede generatie ziet in dat wat zij willen vergeten, door de volgende generatie niet vergeten wíl worden. De derde en de vierde generatie willen alles weten: wat is er met hun opa, oma of familie gebeurd?” Ik voeg daar aan toe: “En iedereen wil weten: hoe heeft het kunnen gebeuren?” Dáárom een Holocaustmuseum.’

In 2019 worden de plannen definitief. Een campagne voor fondsenwerving begint. Er komen belangrijke bijdragen van het Rijk en de gemeente Amsterdam, maar ook van de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk. Vele tientallen mensen uit de Joodse gemeenschap, vaak nazaten van Holocaustslachtoffers, doen grote schenkingen.

Een punt van discussie is de naam, ‘Holocaustmuseum’ of ‘Sjoamuseum’. De term ‘Sjoa’ is in 1951 ingevoerd door de regering van Israël; ‘Holocaust’ is 2005 door de Verenigde Naties gebruikt bij de invoering van de International Holocaust Day, een internationale term, herkenbaar voor iedereen. De directie besluit tot Holocaustmuseum, en ook tot Nationaal Holocaustmuseum, voor de complete geschiedenis van de Holocaust in Nederland.

Actuele relevantie

Het museum wil de geschiedenis ‘in zijn geheel’ gaan vertellen: hoe de nazi’s stap voor stap hun gruweldaden voorbereidden en steeds verdergaande maatregelen namen om Joden eerst uit het openbare leven te bannen, daarna te deporteren en uiteindelijk te vermoorden. Het museum zal de kennis over de volkerenmoord onder de aandacht van nieuwe Nederlanders brengen; het zal ook aandacht schenken aan hoe de oorlog na 1945 doorwerkte, de gevolgen die de Holocaust gehad heeft voor het naoorlogse Jodendom, voor de naoorlogse Joodse identiteit, en de Nederlandse maatschappij in zijn geheel.

De huidige directeur, Emile Schrijver, zegt daarover: ‘De geschiedenis van de Holocaust confronteert ons met de gevolgen van onverschilligheid, discriminatie en segregatie, toen en nu. Kennis daarvan wakkert het besef aan dat ieder van ons de democratie en rechtstaat dient te bewaken en dat wij moeten staan voor een samenleving waarin ieders rechten worden beschermd.’

‘De wereld waarin wij leven verandert voortdurend, er zijn nieuwe maatschappelijke tegenstellingen ontstaan en de informatiemaatschappij zorgt ervoor dat niet alleen alle goede, maar ook alle slechte informatie onder ieders vingertoppen beschikbaar is. Het antisemitisme is weer terug in onze straten. In het museum zal de actuele relevantie van de Holocaust een belangrijke plaats hebben, net als het zoeken van verbinding en het bevorderen van tolerantie en van wederzijds begrip.’

VOOR DIT ARTIKEL IS GEBRUIK GEMAAKT VAN HET BOEK CHAI – LEVEN – LIFE. GESPREKKEN MET DE WEGBEREIDERS VAN HET NATIONAAL HOLOCAUSTMUSEUM, DOOR MARC NOYONS (WALBURG PERS, 2024). CITATEN IN HET ARTIKEL ZIJN UIT DIE PUBLICATIE AFKOMSTIG.