In 1655 publiceerde Adriaen van der Donck zijn bekende boek Beschrijvinge van Nieuw-Nederlant. Je zou het het best kunnen kwalificeren als een sterke PR-campagne, bedoeld om de gewone man in Nederland te informeren over de geografie van de kolonie, over haar flora en fauna, natuurlijke rijkdommen en mogelijkheden.

Van der Donck schreef ook een interessant hoofdstuk over de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Nederland, een keurig etnografisch beeld van de autochtonen volgens traditionele categorieën: hoe ze eruit zagen, wat ze aten, hoe ze hun huizen en dorpen bouwden, wat voor sociale structuren ze hadden, of ze in God geloofden, enzovoort.

Ze werden bovendien afgebeeld in hun manier van oorlog voeren. Die categorie zou lezers ongetwijfeld reden hebben kunnen geven om niet de oceaan over te steken. Van der Doncks Indianen waren woeste krijgers, wreed, wraaklustig, en bij een overwinning kenden ze geen genade: ze doodden de mannen en namen vrouwen en kinderen mee als buit. Het waren vooral hun oorlogstactieken die de kolonisten nachtmerries bezorgden. Ze zochten niet het open gevecht op het slagveld, maar vielen doorgaans aan in hinderlagen, als guerrillastrijders, altijd bij verrassing. Voor Van der Donck waren de Indianen ‘wilden’.

Ernstige vijandelijkheden

Een van de vele kolonisten die de gruwelijke wreedheid van de Indiaans-Nederlandse conflicten meemaakte was de predikant en dichter Henricus Selijns. In 1660 had de WIC hem, net 24 jaar oud, gevraagd om dominee te worden in de Gereformeerde Kerk van Breuckelen – nu Brooklyn – op Long Island. Hij werd uitgezonden voor een termijn van vier jaar.

Met het schip Vergulde Bever arriveerde hij op 11 juni 1660 in de nieuwe wereld. Omdat bleek dat de kleine gemeente in Breukelen niet zijn hele salaris kon opbrengen sprong directeur-generaal Petrus Stuyvesant bij, op voorwaarde dat Selijns ’s zondagavonds zou komen preken in diens Bouwerij (nu The Bowery) op Manhattan.

Tijdens Selijns vierjarig verblijf in de kolonie deden zich ernstige vijandelijkheden voor tussen de Nederlandse kolonisten en de Indianen. Al meteen bij zijn aankomst in juli 1660 werd Selijns daarmee geconfronteerd. Stuyvesant had natuurlijk, uit hoofde van zijn positie, de nieuwe dominee moeten verwelkomen, maar hij was afwezig: hij was in het dorp Wiltwijck, of Esopus (nu Kingston), verderop in de Hudsonvallei, om te onderhandelen met de Indianen over vrede in de zogenaamde Eerste Esopus-oorlog. Selijns moest daarheen om Stuyvesant zijn geloofsbrieven te presenteren, en hij begon zijn werk in Breukelen pas twee maanden later, in september 1660.

Bloedbad

De volgende confrontatie tussen de oorspronkelijke bewoners en de Nederlandse kolonisten vond plaats in het derde jaar van Selijns termijn, opnieuw in Wiltwijck. Het leidde tot het beruchte Esopus-bloedbad van juni 1663. In lijn met hun gebruikelijke tactiek kwam de overval van de Indianen op het kolonistendorp als een totale verrassing. Ze waren naar Wiltwijck gekomen met ogenschijnlijk vriendelijke bedoelingen, maar zodra zij binnen de omheining waren vielen ze aan.

Omdat niemand een aanval had zien aankomen was het verlies aan mensenlevens en materiaal ongehoord groot. Mannen aan het werk op de akkers werden gedood voor ze hun wapens konden pakken; mannen die tijdens de overval in het dorp waren werden afgeslacht. Huizen werden in brand gestoken, vrouwen gedood of levend verbrand. Ongeveer vijftig mensen werden weggevoerd als gijzelaars; daaronder dertien vrouwen en dertig kinderen.

Het bloedbad veroorzaakte paniek in de hele kolonie, van Nieuw-Amsterdam tot de kleine Nederlandse dorpjes op Long Island. In Breukelen ontving dominee Selijns een proclamatie van directeur-generaal Stuyvesant om een speciale bid- en vastendag te houden. De dominee las hem voor aan zijn gemeenschap, om ‘N.Nederlant tot boetvaardigheyt en bekeeringe’ te bewegen.

Dronkenschap en ontucht

Het bloedbad bij Esopus was Gods straf voor de vele zonden van de kolonie, zo schreef Stuyvesant, het gebrek aan vroomheid, godslastering, dronkenschap, wellust, ontucht, overspel, haat, jaloezie, liegen en bedriegen, pracht en praal. De straf was ‘een Rechtveerdige Vergeldinge en huysbesoeckinge van onse God over onse gruwelycke en Godtergende Sonden en al te grote ondanckbaerheijt voor veele genooten seegeningen en weldaeden.’

Stuyvesant schrijft verder dat God in de maanden daarvoor al twee keer met andere rampen had gewaarschuwd. Eerst had zich een veelbetekenend natuurlijk fenomeen voorgedaan. De proclamatie verwijst ernaar met een passend Bijbelcitaat: ‘Hij heeft tegens het selve [zijn volk] syne hant uytgestreckt, ende hy heeft het geslagen, so dat de Bergen hebben gebeeft’ (Jesaja 5:25). Contemporaine bronnen bevestigen dat zich in 1663 inderdaad een zware aardbeving heeft voorgedaan.

De tweede waarschuwing was een verwoestende pokkenepidemie: ‘… de seer besmettelycke Sieckte der kinderpocken, waerdoor veele sonder onderscheyt van jaeren in een meerder getal dan oyt voordesen uyt de landen der leevendige syn weg geruckt’. Bovenop dat alles kwam vervolgens het Esopus-bloedbad, waardoor een oorlog met de Indianen werd veroorzaakt die leidde tot een groot verlies aan mensen, huizen, land en gewassen en een ernstige terugslag in handel en economische activiteit.

Gelegenheidspoëzie

Ook in Selijns privépoëzie zijn aanwijzingen te vinden voor de crisis van 1663. De bundel manuscripten, die nu in de New-York Historical Society wordt bewaard, omvat zo’n tweehonderd gedichten, in een elegant handschrift. Sommige zijn in het Latijn, sommige in het Nederlands. Het zijn vooral gelegenheidsgedichten, geschreven voor vrienden of familie op belangrijke gebeurtenissen, zoals de geboorte van een kind of een verjaardag. De gedichten bestrijken een periode van bijna dertig jaar.

Het meesterwerk Bruijdlofs-Toorts is het meest omvangrijke stuk poëzie ooit door Selijns geschreven, 104 regels op zes pagina’s. Het heeft een fraaie structuur in zesvoetige jamben (alexandrijnen), en een ABAB-rijmschema. Het werd geschreven voor het huwelijk in 1663 van een gewaardeerde vriend en collega in de kolonie, Aegidius Luyck. Hij was pas het jaar daarvoor uit Nederland overgekomen om de zonen van Stuyvesant te onderwijzen. Selijns en Luyck leerden elkaar dus goed kennen, de een als de privé-predikant van Stuyvesant, de ander als diens privé-onderwijzer. Luyck werd bovendien rector van het hoogste openbare onderwijsinstituut van Nieuw Amsterdam, de eerbiedwaardige Latijnse School.

De bruid was Judith van Isendoorn. Van haar is niet veel bekend, behalve dat ze een nicht was van Judith Bayard, de vrouw van Stuyvesant, en dus behoorde tot de hoogste sociale kring van de kolonie. Toen haar eerste kind, Catharijntje, werd gedoopt waren zowel directeur-generaal Stuyvesant zelf als Judith Bayard getuige bij de ceremonie.

Gestolen pijlen

Bruijdlofs-Toorts is echter meer dan alleen een huwelijksgedicht. Het is een barok verhaal, met als centrale figuur Cupido, de gevleugelde jonge god door wiens pijlen mensen verliefd worden. Het gedicht presenteert hem op de vlucht voor Mars, de god van de oorlog; in het derde couplet is hij getuige van verschrikkingen. Cupido ziet een aanval van Indiaanse krijgers, die een verrassingsaanval op een Nederlands dorp uitvoeren.

Ze verbranden de huizen, doden de mannen en roosteren de kinderen en de vrouwen, van wie sommige zelfs zwanger zijn. De mensen vluchten uit het dorp en zoeken met Cupido een veilig heenkomen in de Catskill-bergen. In de paniek raakt Cupido zijn boog en pijlen kwijt. De Indianen nemen die mee als buit: ‘Voorts soeckt hy pyl en boog, maer waren te gelyck/ Tot buyt der Wilden, die se hier en daer verbergen.’

Na zijn vlucht zit Cupido ‘op ’t gebergte van Kats-kil’ en beklaagt zijn lot. Waarom zou hij, die de zuivere liefde en het heilig huwelijk nastreeft, slachtoffer moeten zijn van de oorlog? Die straf is veel meer op zijn plaats voor de zondaars met ‘vervloeckte en wulpsche sinnen’, die zich overgeven aan ‘oncuysheyt, dronckenschap en snode hovaerdy.’

De teneur van het gedicht van Selijns zit dus dicht bij de proclamatie van Stuyvesant. Cupido memoreert voortekenen van de oorlog, de aardbeving en de pokkenuitbraak: ‘Siet te rug, en siet de aerde beeven,/ Hoe ’t vyer daelt uyt de lucht, en ’t landt van ’t pockiens waegt.’ Nu, in de oorlog, lijkt alles tot een einde te komen.

Cupido vliegt verder, maar zonder energie, want hij is zijn boog en pijlen kwijt. Af en toe vindt hij een Indiaanse pijl, ‘ontvallen van de Wilden’, maar met die pijlen kan hij niemand verliefd laten worden.

Maar dan keert het tij. De rust keert weer, gevangenen keren terug. De tegenaanval door de Nederlanders is succesvol – ‘Dan sneuvelt ’t wildt gedrocht’ – en dus willen de Indianen over vrede praten. Zodra Cupido dat hoort gaat hij naar de Indianen en eist zijn spullen terug: ‘Wie heeft myn boog? […] Waer zyn myn pylen?’ De Indianen vinden hem een rare snuiter, maar ze geven hem zijn boog en pijlen terug.

Voor het happy end van het verhaal kan Cupido dus weer aan het werk. Hij zoekt nieuwe slachtoffers en vindt die in Nieuw Amsterdam: Aegidius Luyck en Judith Isendoorn. Met twee rake pijlen wordt hun liefde beklonken. De kolonie juicht: ‘sy schreeuwen/ Door t gantsche landt: Geluck den Bruydegom en Bruydt,/Geluck dat Echte Paer, geluck voor veele Eeuwen, / Geluck.’

Allegorie op de vrede

Bruijdlofs-Toorts is een intrigerend gedicht. Aan de ene kant is het traditioneel: het bevat alle standaardonderdelen van een 17de-eeuws huwelijksgedicht: het verliefd worden, het huwelijk, de gelukwensen. Met de mythologische god Cupido volgt het de klassieke traditie. Aan de andere kant zijn veel elementen volkomen onbekend in de klassieke wereld. Het is in die traditie hoogst ongewoon dat Cupido slachtoffer van een oorlog wordt. Niemand in de klassieke oudheid had ooit kunnen bedenken dat Cupido zijn pijl en boog kwijtraakt aan Amerikaanse Indianen.

De setting is ook niet een Arcadisch landschap, maar de concrete en herkenbare wereld van Nieuw-Nederland: het dorp Wiltwijck dat Cupido ontvlucht, het Catskill-gebergte en uiteindelijk Fort Amsterdam, waar hij zijn twee ‘slachtoffers’ treft. Bruijdlofs-Toorts is daarom behalve een feestelijk gedicht vooral een allegorie op de zegeningen van de vrede, die het best worden uitgedrukt in hét beeld van harmonie, welvaart en vruchtbaarheid: het huwelijk.

Toen zijn vier jaren erop zaten vroeg Henricus Selijns om ontslag en reisde terug naar Amsterdam. Hij werd in 1666 benoemd tot predikant in het kalme dorpje Waverveen. In 1682 werd hij gevraagd om terug te keren naar Amerika, waar Nieuw Amsterdam inmiddels New York was geworden, nu met een veel hoger salaris en een stenen predikantswoning van drie verdiepingen. Er werd aan een tweede kerkgebouw begonnen, want de gemeente groeide onder Selijns van 450 naar ruim 650 leden. De dominee overleed in 1701.