Toch was het niet zo'n slecht idee van Berlage om eind 19de eeuw het gemeentebestuur te adviseren een commissie van kunstenaars in te stellen die toezicht zou houden op de uitbreidingen achter het Museumplein. "Politici heb- ben niet overal verstand van," was zijn visie. De commissie die er dankzij hem in 1898 kwam, was officieel de eerste schoonheidscommissie van Nederland. (De rooimeesters die in 1503 in Amsterdam bouwwerken, stoepen en luifels controleerden, waren kennelijk vergeten.)

De geschiedenis van de Amsterdamse welstandscommissie staat bol van conflicten. Ruzies met het gemeentebestuur, met directeuren van gemeentelijke diensten en verbale knokpartijen tussen de commissie en architecten leidden tot soms felle polemieken in de stad.

In 1912 traden de leden van de commissie af omdat B&W het bouwplan voor het hoofdbureau van politie hadden goedgekeurd. Er kwam een nieuwe commissie, maar de conflicten bleven. Razend waren de leden toen het stadsbestuur in 1914 het bouwplan voor het Koloniaal Instituut (nu Tropenmuseum) goedkeurde. Volgens de commissie miste het ontwerp eenheid, was het een samenraapsel van verschillende bouwstijlen en paste het niet in de omgeving. Ook het hoofdkantoor van de Koninklijke Hollandsche Lloyd werd ondanks een negatief advies gebouwd. Dankzij diezelfde commissie kwamen echter tussen 1915 en 1930 bouwblokken van de Amsterdamse School tot stand. Die stijl was volgens de schoonheidscommissie de norm, en andersoortige ontwerpen belandden in de prullenmand. "Dit werkt verstarrend op de architectuur," luidde de kritiek in dag- en vakbladen.

Volgend jaar moet de politiek welstandseisen hebben die voor iedereen duidelijk zijn. Hopelijk geven stads- en deelraadbesturen de welstandscommissies de mogelijkheid om met zwaarwegende argumenten toch van die criteria af te wijken. Dan kan openbaar een discussie met de raad of deelraad volgen. Amsterdam is namelijk te mooi om het bewaken van haar schoonheid alleen aan politici over te laten.

Frans Heddema