Natuurlijk, het is de schitterende porseleinkast die we hebben geërfd, en we moeten die een beetje fatsoenlijk doorgeven aan onze kleinkinderen. Er is de esthetiek, de maatvoering, er zijn evenwichten die niet al te zeer verstoord mogen worden. Maar er speelt ook een element van nostalgie mee, een heimwee in de tijd.

De cultuurhistoricus Léon Hanssen spreekt, in zijn schitterende boek over Johan Huizinga, over “een déja vu-ervaring” waardoor men zich voelt teruggevoerd “naar een plaats en een tijd die herkenbaar zijn, maar waar men toch nooit was”. Hij omschrijft dit streven als “contact krijgen met de verleden tijd, erin overgaan en ermee samensmelten, al is het maar voor een beperkte duur dat men een oude penning in handen houdt, door de ruïne van een middeleeuws kasteel stapt, of naar een lied van Schumann luistert”. Nostalgie is een van de meest onderschatte stemmingen van deze nieuwe eeuw. Het kan tot merkwaardige excessen leiden, tot een pompeus nationalisme, tot gladde en nepperige historische binnensteden, maar dat hoeft niet altijd. Nostalgie is, in wezen, ook een vorm van cultuurkritiek, een antwoord op een samenleving die de menselijke maat te vaak uit het oog verliest.

De strijd om het behoud en herstel van de oude stad gaat dan ook altijd om meer dan enkel gevels en grachten. Een historische stad is een manifestatie van, zoals Geurt Brinkgreve dat ooit zei, “de echte burgerlijkheid in de oude opvatting van urbanitas, civilisatie”. De aandacht voor het verleden heeft dus ook iets maken met het scheppen en herscheppen van een omgeving waarin het klassieke burgerschap kan blijven bloeien.

De klassieke stedenbouwers probeerden iets van een hogere, goddelijke orde in hun menselijke steden te laten weerspiegelen. De muren van onze steden roepen over onze orde, en onze idealen, in nieuwe en oude vormen, in een voortdurende beweging. Alleen deze gastcolumn wordt definitief verleden tijd. Ik wens u alle goeds.

Geert Mak

December 2002