Met de voorgestelde huur kan het gebouw enkel nog fungeren als partycentrum, roept het bestuur. Vergeet de cultuur.

Het is het oude liedje: ook grote monumenten moeten rendabel gemaakt worden, liefst onder een zelfstandige stichting die verder kan uithalen wat-ie wil, als de kassa maar klopt. Zo is de Waag op de Nieuwmarkt uitgehoerd, zo mag geen Amsterdammer meer onze eigen Oude Kerk in zonder museumpas, zo wordt nu wellicht ook de Beurs aan het publieke domein onttrokken. Daarmee wordt ontkend dat dergelijke gebouwen, aangekocht en opgeknapt met collectieve middelen, een gemeenschappelijk erfgoed vormen, een publiek bezit, van alle Amsterdammers. In wezen is het, zoals de oude socialisten altijd al riepen, diefstal van het volk.

Nu is er met die Beurs best wat aan de hand. Het is namelijk vlees noch vis, die exploitatie. Na al die jaren heeft de stichting in de verste verte niet de reputatie van een Balie, een Paradiso, een IJsbreker of een Rode Hoed kunnen opbouwen.

Dat komt omdat de Beurs vanaf het begin een gemiste kans was. De Beurs is namelijk geen gebouw, maar een complete stad in de stad, met grote hallen, en daaromheen gaanderijen met vele tientallen kantoren, schitterende ruimten allemaal. Die stad-in-de-stad is echter nooit als geheel geëxploiteerd. Al die ruimtes worden los verhuurd aan wie maar wil, de hallen worden per gelegenheid ingevuld.

Mijn voorstel is daarom: houd daarmee op. Iedereen jammert over broedplaatsen, welnu, de allermooiste broedplaats ligt hier, in het hartje van de stad. Maak van die kantoren ateliers en werkplaatsen voor jonge kunstenaars van allerlei stiel. Maak van de hallen permanente expositie-, concert- en theaterruimtes. En wees streng: gooi iedereen er op zijn dertigste verjaardag uit, zodat het ook echt een broedplaats blijft. Maxima zal er niet meer willen trouwen. Maar wat een leven komt er dan weer in die stad!

Zou die nieuwe deelraad Binnenstad zoiets durven? Ik brand een kaarsje voor Berlage.

Geert Mak

Juli-Augustus 2002