Tijdens corona leek de stad iets van zijn oude schoonheid te hervinden. Zelfs op de Wallen was het aangenaam toeven, maar met het verdwijnen van corona keerden de toeristen massaal terug, zodat viswinkels waar ze geen haring mogen eten plaats kunnen maken voor nog meer winkels met kaas, candy, ijs, Nutella en badeendjes.

‘Wanneer,’ zei mijn geliefde, ‘was Amsterdam volgens jou het mooist?’ Omdat ik stokoud ben, herinner ik me de gekste dingen: de fotograaf op de Dam en bootjes volgeladen met groenten die middels een overhaal de wateren van de stad bereikten. Ik herinner me Savelkoul waar je je tropenoutfit kon kopen als je terugging naar de koloniën om de koloniaal uit te hangen. Grachten zonder auto's herinner ik me, het badhuis, en dat er omdat in de huizen geen wc zat op het Kattenburgerplein een poepgat was.

De stad had een stille schoonheid toen ik klein was, maar was tegelijkertijd heel armoedig. Vijftien jaar na de bevrijding was die armoede nog steeds niet verdwenen. Wie de foto's bekijkt die Wim van der Linden op de Eilanden maakte, gelooft zijn ogen niet. De mensen woonden in krotten met gaten in de vloer en sliepen met hun kinderen in bed. De hele stad stond op het instorten leek het, hele wijken waren bestemd voor de sloop.

En toen de boel eindelijk een beetje opklaarde, raakte de stad in de greep van de drugshandel en kreeg je overal te maken met de misdaad en verpaupering die drugs met zich meebrengen. De stad was op zijn best, denk ik, toen de junkies weer verdwenen waren en de buurten opgeknapt, terwijl het oude winkelpatroon nog min of meer intact was en het massatoerisme ons nog niet had bereikt.

Ik weet nog dat ik het heel aardig vond als ik zo'n groepje toeristen op het Museumplein ontwaarde. Dat ze de stad binnen de kortste zouden overnemen en vrijwel onbewoonbaar zouden maken, kwam niet bij me op. Maar het is gebeurd, en nu lijkt het te laat.