Een stad zonder rivier is eigenlijk geen stad, en zonder tram al helemaal niet, dacht ik, terwijl de 19 de verschrikkelijke bocht inzette die Sloterdijk zichtbaar maakt: een torentje, bomen, een muuradvertentie voor aardappelen. En een heel verleden.

Want dat is het mooie van de tram. Je reist, in één een moeite door, door heden en verleden. Je ziet wat weg is en wat er is bijgekomen, en wordt overspoeld door herinneringen. De hele Admiraal de Ruijterweg en al zijn zijstraten zijn ervan doordrenkt. Daar woonde Slauerhoff en daar woonde Ree. En waar woonde Pim de Man ook alweer, de voormalige koloniaal die mij lang geleden in twee zinnen Maleis leerde: ‘orang, mens. oetan, aap, oerang oetan, mensaap. Een simpele taal.’

De 19 rijdt van Sloterdijk naar onbekende streken van waar niemand ooit is teruggekeerd, zodat we er niets over weten en niets over zeggen kunnen. Maar onderweg kom ik langs twee van de drie gevangenissen waar ik te gast ben geweest, langs het geheimzinnige Slootje waar we als jongen zulke spannende avonturen hoopten te beleven, langs het al even geheimzinnige Huis aan de Krommert er recht tegenover, en staan we stil voor de Wiegbrug. Vroeger stond hier vaak een autobus in de vorm een rondvaartboot geparkeerd, en als ik aan die bus denk hoor ik het geluid waarmee de hekken van de brug werden gesloten.

De mensen in de tram kijken op hun telefoon en zien niks. Kijk nou toch, wil ik ze toeschreeuwen, want daar is café Treffers met de bloemenstal aan de andere kant van de Willem de Zwijger. En het kanaal, zien jullie het kanaal wel dat aan twee kanten van de brug in het niets verdwijnt? Zelfs de Westertoren in zijn steigers die opduikt in de dramatische bocht naar de Marnixstraat zien ze niet. Zoals ze even eerder het huis schuin boven de brandweer aan de Rozengracht waar mijn oma en opa woonden ook niet zagen. Toch een van de belangrijkste plekken van de stad.

De mensen zijn de tram waarin ze rijden niet waard. Ze vinden het heel gewoon, terwijl het toch een wonder op wielen is, met zijn rails en de elektrieke draden erboven waar de tram aan vast zit om hem de weg te wijzen, precies naar de plek waar jij wezen moet nog wel.

Mij voerde hij naar de ’s Gravezandestraat, waar ik de brug overstak naar de Mauritskade en bij de Dubbeltjesbuurt belandde. Waar ik niet wezen moest, maar uiteraard niet zomaar aan voorbij kon gaan. Het straatje is zo leuk dat het welhaast bedacht lijkt, als een soort Madurodam. Maar het is echt, zoals je vroeger ook echte dubbeltjes had (die nooit kwartjes werden).