‘De behoefte aan een Weekblad, dat in hoofdzaak door illustraties het publiek allerlei nieuws op Joodsch gebied onder oogen brengt, deed zich ook in ons kleine Nederland reeds lang gevoelen.’ Dit zijn de eerste regels in een nieuw tijdschrift dat met ingang van juli 1912 verschijnt: De Joodsche Prins. Het is zijn tijd vooruit; geïllustreerde tijdschriften zijn in 1912 nog een zeldzaamheid. De naam is duidelijk afgeleid van geïllustreerd familieweekblad De Prins, uitgegeven door L. Boon.

Het tijdschrift houdt het net één jaar vol: in augustus 1913 verschijnt het laatste nummer. In dat ene jaar heeft fotograaf Herman Kisch zich echter kunnen ontwikkelen tot chroniqueur van het Joodse leven in Amsterdam.

Aanvankelijk wordt De Joodsche Prins uitgegeven bij Drukkerij Bos op Oudezijds Voorburgwal 76. De redactie huist vanaf november 1912 op Oude Schans 49, en na 18 mei 1913 op Zwanenburgwal 46. Het is onbekend of er veel of weinig abonnees waren en of er veel losse verkoop was, evenmin is bekend wie de redactieleden waren. Gelukkig zijn alle nummers van het blad bewaard gebleven: een band in de Bijzondere Collectie van de Universiteitsbibliotheek, een exemplaar in het Stadsarchief en een band in het IISG. Ook op Delpher.nl is De Joodsche Prins te raadplegen.

Fraaie kiekjes

Het tijdschrift heeft een gevarieerde inhoud, een veelheid van kleinere en grotere artikelen over wetenswaardigheden in voornamelijk Joods Amsterdam: bijeenkomsten, vergaderingen, feesten van verenigingen, jubilea en korte necrologieën. ‘Voor de portretten van personen die in het Joodsche leven op den voorgrond treden, zal steeds een flinke ruimte disponibel worden gehouden,’ schrijft de redactie in het eerste nummer, en zo staat er elke week een vooraanstaande Jood op de omslag.

Een enkele keer komt de inhoud sterk overeen met een artikel uit het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW); de naam van de auteur wordt zelden of nooit vermeld. Het NIW van 2 augustus 1912 schrijft: ‘Wij ontvingen ter kennismaking no. 1 van ’t geïllustreerd weekblad “De Joodsche Prins.” Het blad ziet er aardig uit voor hen, die van illustratiën houden.’ Het NIW neemt een aantal advertenties op, waarin ook reclame wordt gemaakt voor de ‘fraaie kiekjes’.

Die ‘kiekjes’ bepalen de kwaliteit van De Joodsche Prins. Ik heb met verbazing en bewondering gekeken naar de bijzondere foto’s. Er is geen archief bewaard; bij veel foto’s blijft de naam van de fotograaf onvermeld. Een aantal beroepsfotografen keert regelmatig in het blad terug. Zo is er de Haagse fotograaf Jacob Hijmans die fotomateriaal leverde over het Joodse leven in de Hofstad.

Van één Amsterdamse fotograaf die voor De Joodsche Prins fotografeerde, is meer bekend dan alleen de foto’s die hij heeft geleverd: Herman Kisch. In de Beeldbank van het Stadsarchief zijn slechts twee foto’s onder zijn naam opgenomen, maar uit de pagina’s van De Joodsche Prins blijkt dat hij veel meer werk heeft vervaardigd.

Klassenfoto’s

Herman Kisch is afkomstig uit de stad Groningen, waar hij op 15 juni 1882 werd geboren als zoon van Lazarus Kisch en Rozetta Sanders. Hij heeft twee oudere zusters, Serlina en Eva. In 1902, kort voor zijn 20ste verjaardag, komt hij naar Amsterdam. Zijn eerste bekende adres is Zwanenburgerstraat 35. Dat is ook het adres van de tweede boter- en kaashandel van Eliazer de Rooij, zijn toekomstige schoonvader. Die woont zelf met zijn gezin op de Raamgracht, boven zijn eerste winkel.

Op 17 mei 1905 trouwt Herman met Henriëtte, de 18-jarige dochter van Eliazer. Ze staat te boek als ‘winkeljuffrouw’. Herman en Henriëtte krijgen twee kinderen: Lazarus Leman, die in 1909 overlijdt als anderhalf jaar oud is, en Carolina Rozetta, roepnaam Lien, geboren in 1910. Het lijkt er sterk op dat Herman in de zaak van zijn schoonvader is gekomen. Bij het huwelijk van zijn dochter in 1930 met Harry Simons staat hij vermeld als ‘winkelier’.

Herman Kisch moet echter al kort na zijn aankomst in Amsterdam zijn begonnen met een fotostudio in de Zwanenburgerstraat, naast zijn werk in de melkzaak. Veel adverteren in kranten doet hij niet en of hij veel opdrachten heeft, is onbekend.

De twee foto’s die in de Beeldbank van het Stadsarchief onder zijn naam zijn bewaard zijn klassenfoto’s. Eén daarvan toont een klas op de binnenplaats van de openbare lagere school der 1e klasse, nr. 30, aan de Van Oldenbarneveldtkade, wegens het 25-jarig jubileum van de school en van de directeur J. Blomberg in 1906. Verder moet Kisch een serie foto’s hebben gemaakt van een begrafenis in dat jaar. De afdrukken zijn niet bewaard gebleven, maar een kleine advertentie meldt dat ze zijn gemaakt.

Huisfotograaf

Als De Joodsche Prins in 1912 het eerste nummer publiceert verandert er veel in de fotocarrière van Herman Kisch. Hij is aangezocht als de huisfotograaf van het nieuwe weekblad. Dit blijkt onder meer als in het Nieuw Israëlitisch Weekblad wordt gemeld dat ‘Heeren Fotografen’ die eventueel foto’s willen maken voor De Joodsche Prins zich kunnen melden ‘bij den heer H. Kisch, fotograaf’. Later wordt hij in een kort artikel ‘onze fotograaf’ genoemd.

Kisch zal in de periode dat het tijdschrift bestaat vele foto’s maken van het Joodse leven in Amsterdam. Hij gaat langs bij allerlei verenigingen en instellingen. De Joodsche Invalide bijvoorbeeld wordt uitgebreid beschreven en voorzien van foto’s, de eerste die in die instelling zijn gemaakt. In oktober 1912 is het blad met de camera op bezoek in het Joodse Jongensweeshuis Megadle Jethomiem aan de Amstel, als er een groot feest is ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van het hoofd van de school in het weeshuis, Samuel Houthakker.

Kisch is verder te gast bij Athletiekclub Kracht door Oefening in Gebouw Plancius, maar ook bij de Portugees Israëlitische Zangvereniging Santo Serviço en de uittocht van kinderen naar Zandvoort tijdens het Vakantie Kinderfeest. Hij fotografeert ook stadsbeelden, vooral uit de Jodenbuurt. Volgens een bijschrift levert dat geregeld moeilijkheden op. De mensen op straat, in het bijzonder de vrouwen, willen niet op de foto: ‘Als razenden gingen ze tegen ons tekeer, om ons het “verschwartste gekok” [het verdomde gekijk] te beletten. Door al deze herrie – we hadden groote moeite het toestel heel te houden – zijn vijf van de zeven kiekjes geheel mislukt.’

In augustus 1913 maakt Kisch voor De Joodsche Prins twee grote foto’s van de feestelijke oploop van buurtbewoners op de Houtkopersburgwal ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van de weduwe Rood-Velman. Deze foto’s staan in de Beeldbank, maar zonder de naam van de fotograaf.

Er is één foto bekend die bij Kisch thuis in zijn studio gemaakt moet zijn. De ‘photograaf’ krijgt, volgens de tekst in De Joodsche Prins, onverwacht bezoek van een moeder met haar zoontje, een ‘leuk ventje (…) met flinke kijkers en een guitig voorkomen’. Het jongetje heet David Acathan en hij wil op de foto. Voordat Kisch kan vragen waarom trekt het mannetje zijn jasje uit en gaat op zijn hoofd staan, tegen de muur. ‘Gelukkig had onze fotograaf zijn “momentopnametoestel” bij de hand.’

Het ventje kan nog veel meer, zegt zijn moeder; Kisch maakt dus nog meer opnamen van de kleine acrobaat. Een grote toekomst in het variété heeft de kleine David overigens niet: hij overlijdt in maart 1913, 6 1/2 jaar oud.

Breestraat Belangen

Op 7 augustus 1913 verschijnt het laatste nummer van De Joodsche Prins. Daarmee lijkt er een einde te komen aan de carrière als fotograaf van Herman Kisch. Hij kan terugvallen op zijn schoonvader, Eliazer de Rooij, winkelier in boter en kaas die inmiddels een derde zaak heeft geopend, in de Jodenbreestraat. Kisch is in de jaren dertig actief in de winkeliersvereniging van de Jodenbreestraat, Buurtvereniging Breestraat Belangen, en zit in het bestuur. Hij en zijn gezin wonen dan nog steeds boven de winkel in de Zwanenburgerstraat.

Henriëtte overlijdt op veertigjarige leeftijd op 24 maart 1927. Hermans oudste zuster Serlina komt daarna naar Amsterdam en trekt bij hem in, maar Herman hertrouwt binnen het jaar, met de 34-jarige Sara Philips uit Winterswijk. In mei 1930 gaan zij wonen in de Van Woustraat 123-I, in mei 1936 in de Diezestraat.

Herman, zijn vrouw Sara en zijn zusters Serlina en Eva worden in Auschwitz vermoord. Zijn dochter Carolina overlijdt in het kamp Zeithain, op 19 mei 1945. Ze was op 23 april 1945 door de Russen bevrijd in Tröbitz, met haar man Hartog en hun zoon Simon. Vader en zoon overleven en keren terug naar Amsterdam.