Het was de mooiste avond van haar leven, heeft Heintje Davids menigmaal gezegd. En dan doelde ze op haar eerste naoorlogse optreden, zaterdagavond 16 juni 1945 in het Concertgebouw. Nog maar nauwelijks zes weken eerder was ze in Utrecht, samen met haar man, uit de onderduik tevoorschijn gekomen. Ze waren zo snel mogelijk teruggereisd naar Amsterdam, met een militair transport dat hen via de Berlagebrug naar de stad bracht. Daar, in Oud-Zuid, hadden ze kans gezien een voorlopig adres te vinden: een nagenoeg ongemeubileerde zolderkamer met een zijkamertje als slaapvertrek. Al gauw kregen ze er bezoek van de gerenommeerde impresario Bob Peters, die kwam vertellen dat hij drie avonden in het Concertgebouw had geboekt voor haar comeback.

“Ik wankelde toen ik opkwam”, vertelde de fameuze variétéartieste in het boek Altijd maar draaien, een van de twee biografieën die na de oorlog aan haar werden gewijd. “Ik woog nog maar 48 kilo, ik was een streep. Langzaam kwam ik de met bloemen versierde trap af, waarboven een grote davidster hing. Ik zag niets. Ik hoorde alleen maar klappen, klappen, klappen en voelde de ontroering in mijn buik, ik rilde, ik huiverde.” Pas na langdurig slikken en naar adem happen, wist ze zich te vermannen en zette ze haar eerste liedje in: “Lieve mensen, ik ben weer vrij/ smart en leed voorgoed voorbij…”

Die avond werd Heintje Davids gehuldigd zoals ze nog nooit was gehuldigd. Maar toen ze na afloop van het historische optreden in haar kleedkamer stond, werd ze overvallen door heftige visioenen van razzia’s. Ze durfde niet meer naar buiten, uit angst dat ze zou worden doodgeschoten zodra ze één stap buiten het Concertgebouw zou zetten. Het was gewoon een delirium, zei ze later. Niemand kon haar tot bedaren brengen, tot een goede kennis haar hardhandig vastpakte, meetrok naar zijn auto en naar huis bracht.

Variétéfamilie

Het adres van die zolderkamer in Oud-Zuid is op de archiefkaarten van het Stadsarchief niet precies terug te vinden. De eerste naoorlogse registratie dateert van 23 augustus 1945, toen Heintje en haar man Philip Pinkhof zich lieten inschrijven op het adres Scheldestraat 86-II. Misschien was dat wel de zolderkamer. Ze zijn daar in elk geval niet lang gebleven. Al na een paar weken, op 4 oktober 1945, werd op hun archiefkaart een nieuw adres genoteerd: Deltastraat 16-I. In dit straatje achter de Wolkenkrabber bleef ze twintig jaar lang wonen – ook nog geruime tijd na de dood van haar man. Ze was danig aan het buurtje verknocht: “Het is net een dorp, maar niet zo bekrompen. Iedereen kent iedereen. En iedereen kent Heintje!”

En dan te bedenken dat ze geen van tweeën geboren Amsterdammers waren: zij kwam uit Rotterdam, hij uit Den Haag. Heintje Davids, die zich graag Henriëtte liet noemen maar in werkelijkheid Hendrika heette, was de jongste telg uit een gezin van variétéartiesten die een karige boterham verdienden in het toenmalige circuit van kroegen en kermissen. Hun officiële achternaam luidde David, maar vader Levi had er een s aan toegevoegd – dat klonk beter, vond hij.

Samen met zijn vrouw Kaatje leidde Levi Davids aan het eind van de 19de eeuw een familiegezelschapje, waarin ook hun kinderen Louis, Rika en Hakkie liedjes zongen en sketches speelden. Alleen benjamin Heintje mocht niet meedoen. In haar andere biografie (Mijn Levenslied) citeerde ze wat haar vader destijds over haar zei: “Zij is te lelijk om aan het toneel te gaan. Haar laten we maar wat anders beginnen…” Zo maakte ze al vanaf haar twaalfde lange dagen als arbeidster in een pettenwinkel in de Zandstraat in Rotterdam, in het volkse wijkje waar het gezin ook woonde.

Debuut

De jonge Louis Davids viel in die programma’s vooral op door de charmante duetjes die hij zong met zijn ravissante zus Rika (voluit Rebecca). Door hun succes wisten ze zich zelfs los te maken uit het sjofele variété van hun ouders, om op eigen kracht emplooi te vinden in de grote revuetheaters van die tijd. Onder de naam Duo Davids groeide het stel uit tot een topattractie, totdat Rika zich in 1910 verloofde met een Engelse illusionist en met hem op tournee ging. In allerijl moest haar broer op zoek naar een nieuwe partner, want als solist zou hij volgens de meeste theaterdirecteuren in die dagen nog niet voldoende publiek trekken. Er zat niets anders op: er moest een nieuw Duo Davids komen.

Maar met wie? Dat was een lastige kwestie, aldus Heintje in Mijn Levenslied: “Toen mijn ouders ten einde raad voorstelden dat ik dan de plaats van Rika maar moest innemen, raasde Louis een hele week aan één stuk door. Ik had geen figuur, geen talent en kon niet zingen; de rest was goed.” Wat hij precies bedoelde met die rest, stond er niet bij. Maar wel hoe het afliep: “Louis had zich tenslotte (hij kon niet anders) bij het besluit dat men het met mij zou proberen, neergelegd. Hij verklaarde echter tot in den treure dat het een fiasco zou worden.”

Dat pakte heel anders uit. Het nieuwe Duo Davids debuteerde in augustus 1910 in theater Carré in Amsterdam in een variétéprogramma van de grote theaterproducent Frits van Haarlem. Toen hij te horen kreeg dat Heintje de plaats van Rika zou innemen, verminderde Van Haarlem hun gage – hij nam immers een groot risico. Maar zodra Heintje Davids aan de zijde van haar broer het populaire Reisje langs de Rijn begon te kraaien – gevolgd door de volkse dialoog Toon en Toos naar de opera, naar een tekst van Justus van Maurik – was hun succes een feit. “We waren er”, zei ze in Altijd maar draaien. “Frits van Haarlem prees me uitbundig. Louis zei niets. Hij gaf me alleen een klap op mijn bips. Dat was zijn goedkeuring.”

Komedies

Zo werd Heintje Davids in een ommezien minstens even bekend als haar broer. Ook toen ze in de loop van de jaren twintig alle twee hun eigen weg kozen: hij als de grote cabaretier en zij als de kordate komediante, die al gauw het middelpunt vormde van de ene theaterrevue na de andere. En in de jaren dertig kwamen daar ook de vele films nog bij waarin zij een hoofdrol te spelen kreeg. De liedjes uit die films (Omdat ik zo veel van je hou, Draaien, Als je voor een dubbeltje geboren bent) bleven voor altijd op haar repertoire staan.

Intussen was ze in 1914 getrouwd met Philip Pinkhof, sterverslaggever van De Telegraaf en tevens een veelgevraagd auteur van liedjes en revuescènes. Zijn journalistieke plichten gingen hem echter boven alles. Dat bleek al tijdens hun trouwfeest in het Schiller Hotel aan het Rembrandtplein, toen zijn hoofdredacteur belde – met de opdracht onmiddellijk naar België af te reizen om verslag te doen van de eerste oorlogshandelingen aldaar. Pinkhof vertrok en keerde pas na drie dagen terug bij zijn bruid.

Hij woonde al in Amsterdam, op het adres Singel 186, om dichter bij de redactie van de krant te zijn. Nadien gingen ze samen op gemeubileerde kamers in de Utrechtsestraat 39 wonen. “Ik begon langzamerhand te veramsterdamsen”, concludeerde ze in Altijd maar draaien. “Ik woonde op een kamer in een echt artiestenbuurtje, de Utrechtsestraat. Het lééfde daar. Echt, het lééfde. Ik weet er geen ander woord voor.”

Wel verkozen ze in 1937 een huis dat zich iets meer op stand bevond, Scheldeplein 8-II in de Rivierenbuurt. Daar woonden ook heel veel andere Joden. Maar de bezetting veranderde alles. De Telegraaf zag zich gedwongen Pinkhof te ontslaan. Heintje vond nog enige tijd emplooi in de Joodsche Schouwburg, waar alleen Joods publiek welkom was. Tot ook daaraan een eind kwam. In september 1942 vluchtten ze, verstopt in een krantenauto van De Telegraaf, naar het eerste van vele onderduikadressen in de Gooi- en Vechtstreek. Om uiteindelijk te belanden in het Academisch Ziekenhuis in Utrecht, waar ze zich schuilhielden in het lijkenhuisje.

Heintjedavidseffect

Dat ze na de bevrijding terugkeerden in Amsterdam, sprak vanzelf. De Telegraaf mocht vooralsnog niet meer verschijnen omdat die volgens de Raad voor de Perszuivering te pro-Duits was geweest. Daar was voor Pinkhof dus geen emplooi. Maar wel bij De Waarheid, de krant van de Communistische Partij van Nederland, die kort na de oorlog in goed aanzien stond wegens het heldhaftige CPN-verzet tijdens de bezetting. Heintje vond in die eerste naoorlogse jaren volop werk in de grote revuetheaters.

Als beginnende zestigers besloten ze in 1954 van hun oude dag te gaan genieten. Pinkhof (inmiddels teruggekeerd naar De Telegraaf) ging met pensioen; zijn vrouw nam afscheid van haar geliefde publiek met een nachtvoorstelling in Tuschinski, met medewerking van Toon Hermans, Wim Kan, Wim Sonneveld en het duo Willy Walden en Piet Muyselaar – grotere sterren bestonden er destijds in Nederland niet. Ze maakte nog een afscheidstournee langs zeventig theaters, en toen was het voorbij.

Philip Pinkhof stierf echter al in 1956. Drie jaar later vroeg Tom (Dorus) Manders aan de door eenzaamheid geplaagde Heintje Davids of ze met enige regelmaat wilde optreden in zijn club Saint-Germain-des-Prés aan het Rembrandtplein. Gretig ging ze op het aanbod in – en met veel succes. Er volgden nog diverse andere comebacks. Bijvoorbeeld als vaste gastattractie in De Doofpot, de moppenclub van Max Tailleur, eveneens aan het Rembrandtplein. Zo belandde ze zelfs in de dikke Van Dale. Het staat er echt: het Heintjedavidseffect betekent “dat iem. steeds weer gaat optreden nadat hij al lang afscheid heeft genomen”.

Carré

Een van haar laatste comebacks dateert uit 1964 toen ze meespeelde in het door cabaretproducent Wim Ibo samengestelde nostalgieprogramma Waar blijft de tijd, in theater Tingel Tangel (het huidige Betty Asfalt Complex) aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Een jaar later verruilde ze haar vertrouwde Deltastraat voor een verzorgingsflat aan het Raphaëlplein 34-huis. En in 1972 nam ze, 84 jaar oud, haar intrek in het pas geopende Joods Bejaardencentrum Het Gooi in Bussum. “Met pijn in het hart nam ik afscheid van Amsterdam”, zei ze in Het Vrije Volk. “Maar op mijn leeftijd is het nu eenmaal verstandiger om bij de dokter in huis te gaan wonen.”

Heintje Davids keerde nog één keer terug naar Amsterdam. Ze werd weliswaar gecremeerd in Driehuis-Westerveld, maar lag eerder die dag in februari 1975 opgebaard in theater Carré. Honderden belangstellenden kwamen afscheid van haar nemen. En haar verpleegster vertelde over de laatste woorden die ze op haar sterfbed had gesproken: ‘Carré, ik kom!’

Henk van Gelder, #3 maart 2021