Toen mijn ouders in 1962 naar Sloten kwamen, waren zij de ‘eerste import’ op het dorp. Tegenwoordig noemen we alle bewoners gewoon “Slotenaren”, maar toen hadden we het gevoel dat je die titel moest verdienen. Ik zat hier om de hoek op de openbare ‘Sloterschool’. In die tijd was Sloten nog onontdekt en omringd door tuinderijen. Tegenwoordig rijzen de huizenprijzen ook hier de pan uit. Dat is jammer, omdat kinderen van oorspronkelijke bewoners hier daardoor vaak niet kunnen blijven wonen. Met het verdwijnen van de winkels en de scholen verandert ook het dorpsgevoel, maar ik doe mijn best om nieuwe bewoners te betrekken bij het dorpsleven. Het is ook leuk om betrokken te zijn bij het mooie dorp. En zo leer je je buren kennen. Ik voel me bevoorrecht dat ik in dit bijzondere oudste stukje Amsterdam mag wonen. Het is leuk om bezoekers te verrassen en hier rond te leiden.

Tamar Frankfurther bij de monumentale Slotense
arbeidswoningen, een unicum in Amsterdam.

Het dorp Sloten vormde vroeger een belangrijk centrum in de voormalige gemeente Sloten. Dat kun je bijvoorbeeld nog zien aan de vele winkelpuien in de dorpskern. Mijn moeder stuurde me vroeger met een briefje en mandje langs alle winkels om inkopen te doen: Naar de groenteboer, bakker, melkboer, drogist, slager en sigarettenwinkel waar we onze buskaartjes kochten. Wij hadden thuis geen geloof, maar het dorp was/is in meerderheid katholiek. De verzuiling was vroeger zeker merkbaar: Tegenover ons huis zaten twee slagers. Eén katholieke en één protestantse. We wisselden wel af, maar mijn moeder zei altijd dat de katholieke slagerij beter vlees had.

De afstand tussen Sloten en de stad leek vroeger veel groter. Als we met de fiets gingen, hadden we op de Louwesweg tussen de kassen volgens mij altijd tegenwind. Nu Nieuw-Sloten hier gebouwd is, fiets je zo naar de stad.

Tekst: Open Monumentendag Amsterdam

Beeld: Dorpsgezicht Sloten, 1972. Stadsarchief Amsterdam.