Zolang ik me kan herinneren, bezochten we het park. Niet alleen in de droge weekenden, maar ook op de warme zomerse avonden maakten we graag een familierondje. Als jongste van het gezin huppelde ik graag vooruit om daarna ongeduldig te wachten tot de rest weer aansloot.

Want mijn doel was de apenrots. Vanaf die plek was ik degene die niet meer wilde aansluiten op de terugweg. ‘Apies kijke!’ schreeuwde ik maar al te graag, goed voorbereid door mijn moeder met een zakje pinda’s in m’n knuistjes. Als stads- en flat-met-balkon-kind wist ik nog net waar de melk vandaan kwam, maar in het echt en zo dichtbij huis springende ‘apies’ zien, was voor mij een wereld die ik alleen maar uit schoolboeken kende.

Het Amstelpark herbergde nog veel meer moois. Via het platform van de hink-stap-sprong-vlonders kon je aan de andere kant van het slootje komen. En als je helemaal door het park liep naar de zuidkant, kwam je bij de Riekermolen. Een idyllisch eindpunt, en dat zo dichtbij de stad.

Ondanks dat het eenmalig was, kan ik me de Floriade van 1972 nog levendig herinneren. De kabelbaan, klimtoestellen, kubussen, spuitende fontein, het kleurrijke treintje, het glazen huis en reuzenrad (ik kon m’n eigen huis zien!), en natuurlijk de kleurrijke bloemenzee, waren voor een zevenjarig meisje zeer indrukwekkend.

Alhoewel mijn moeder het ‘schandalig duur’ vond, was het Rosarium de vaste plek voor een glaasje prik met appelgebak. We kwamen er ook voor huwelijks- en jubileumfeestjes met live muziek.

Het Amstelpark had een unieke bovenlaag, die je met een trap bereikte. Boven aangekomen stuitte je op de kinderboerderij waar je pony kon rijden, geiten kon aaien of grote vogels aan het schrikken kon maken. Nee hoor, ik niet. Daar was ook de grote kuil. Die vond ik maar eng. Als je niet uitkeek kukelde je zo naar beneden, en als je heel voorzichtig beneden was gekomen, was het een moeizame weg om weer naar boven te klauteren. Er zullen daar vast openluchtevenementen zijn gehouden, maar verder zag ik de logica er niet van in.

De beelden die vooral verankerd liggen in mijn geheugen, zijn van het groene doolhof opgezet met hoge coniferen. Het lag direct links bij de ingang, en och, wat heb ik daar veel gespeeld samen met m’n zus. Al snel hadden we de plattegrond van de routes in ons hoofd waardoor we niet meer konden verdwalen. Maar we hielden elkaar nog steeds voor de gek, omdat we tussen de bosjes doorkropen naar een andere gang. Zodra we alsnog tegen elkaar aanbotsten, gilden we zo hard dat we schor thuiskwamen. Uren hielden we dat vol.

Alhoewel er bijna iedere twee minuten een vliegtuig over ons hoofd voorbij kwam, zal Buitenveldert altijd een warme plek in mijn hart houden, en het Amstelpark in het bijzonder.

Door Yolanda Lippens