Een zwarte bladzijde uit zijn burgemeesterschap is de Aardappeloproer van 1917. Eind juni is het onrustig in de stad: de Eerste Wereldoorlog veroorzaakt een voedseltekort, en de aardappelen zijn op. Als in de Jordaan opstootjes ontstaan en winkels worden geplunderd, grijpt Tellegen hardhandig in. Hij haalt het leger naar de hoofdstad en geeft het bevel om met scherp te schieten. Er vallen negen doden en 141 gewonden. 

Anders dan de meeste van zijn voorgangers is Tellegen niet afkomstig uit een regentengeslacht. Hij begint in Amsterdam als directeur van de Dienst Bouw- en Woningtoezicht, en werkt zich op tot burgemeester. Onder de gemeenteraadsleden verwekt zijn benoeming daarom ‘een groote bevreemding’: zij kunnen het maar moeilijk verkroppen dat hun baas in feite niets meer is dan een eenvoudige ambtenaar.

Eenvoudig en bescheiden is Tellegen altijd gebleven. Als burgemeester treedt hij liever niet op de voorgrond; zelfs het leiden van de vergaderingen van de gemeenteraad vindt hij een beproeving. Ook weigert hij de deftige burgemeesterswoning aan de Amstel. Liever blijft hij in zijn huis aan de Jacob Obrechtstraat wonen. Het imago van 'eenvoudige ambtenaar' is Tellegen nooit kwijtgeraakt. Een journalist van De Tijd, die in 1921 zijn necrologie schrijft, is vol lof over het karakter en de verdiensten van de overleden burgemeester. Nadat hij Tellegen onder andere wijs en doortastend noemt, en ‘een man van groot arbeidskracht’, sluit hij af met de woorden: ‘Met dat al was hij toch niet meer dan… ‘hoofdambtenaar’.

2021 is het honderdste sterfjaar van deze hoofdambtenaar. In Museum de Dageraad is daarom tot en met 31 december een tentoonstelling over zijn leven te zien. Ook organiseert het museum verschillende lezingen; over het Tellegen-monument van Piet Kramer en over het beleid dat Tellegen met zijn wethouders Wibaut en Vliegen voerde.

Beeld: De door Tellegen opgeroepen soldaten hebben hun kampement opgeslagen op het IJsclubterrein (het huidige Museumplein), juli 1917. Stadsarchief Amsterdam.