Gereformeerden zijn mannen van de jeneverfles. Abraham Kuyper verklaarde over de gereformeerde jeneverconsumptie: "Bij den chocoladeketel en de water- en melkkaraf kweekt men geen geslacht van kloeke calvinisten." Maar als één alcoholische drank de ereplaats aan de gereformeerde stamtafel verdient, dan is het Van Vollenhoven’s Stoutbier.
Aan het eind van de 19de eeuw was Van Vollenhoven’s bierbrouwerij en azijnmakerij De Gekroonde Valk de grootste en modernste brouwerij van het land. Van Vollenhoven Stout werd in heel Nederland gedronken en het Falcon Beer over de hele wereld geëxporteerd. De brouwerij, gelegen tussen de Hoogte Kadijk en de Nieuwe Vaart in Amsterdam, werd geleid door grootindustrieel Willem Hovy.

Suikeroom

Miljonair Hovy was de financiële grondlegger van de gereformeerde zuil. Hij was zeer bevriend met de politieke leider daarvan: Abraham Kuyper, premier van 1901 tot 1905. Hovy stelde zich volledig in dienst van de visie van Kuyper en diens programma. De taakverdeling: Kuyper leverde de ideeën, Hovy de duiten. Hoezeer zij met elkaar verbonden waren, blijkt uit een raadseltje dat in Amsterdam de ronde deed: ‘Wie is tegelijkertijd brouwersbaas en kuypersknecht?’
Hovy was de suikeroom van de gereformeerde gemeenschap. Toen Kuyper in 1872 het anti-revolutionaire blad De Standaard oprichtte, was Willem Hovy de grote financier. Bij de oprichting van de Vrije Universiteit schonk hij ƒ 25.000,- (een kwart van het oprichtingskapitaal) en stond garant voor een groot deel van de hoogleraarsalarissen. Ook stond hij aan de wieg van de christelijke werkliedenvereniging Patrimonium. De oprichters Klaas Kater en Bert Poesiat waren werknemers in zijn brouwerij. Hovy gaf Patrimonium behalve geldelijke steun ook een bijbel met inschrift van zijn hand.
De bierbrouwer was een schoolvoorbeeld van wat tegenwoordig maatschappelijk verantwoord ondernemen heet. Dat blijkt in de eerste plaats uit de arbeidsomstandigheden in zijn brouwerij. Die waren voor die tijd ongekend goed. Hovy betaalde zijn werknemers een vast loon. Hij riep een pensioenfonds in het leven. Er was een ondersteuningsfonds voor weduwen, wezen en arbeidsongeschikten. Zieke werknemers kregen gedurende de eerste twee weken ziektegeld. In de Czaar Peterstraat liet hij arbeidswoningen bouwen - op loopafstand van de brouwerij - met huren die tweederde van de gangbare huurprijs bedroegen. Op christelijke feestdagen kregen de werklieden betaald verlof, want Hovy vond dat zo’n dag niet met een lege maag gevierd kon worden.
Ook in het product van zijn brouwerij kwam Hovy’s maatschappelijk ondernemen naar voren. Hij zag bier als het krachtigste wapen tegen het jenevermisbruik van die dagen. Een voortreffelijk, gezond en niet verslavend alternatief voor sterke drank. Overtuigd van de weldaden van zijn bier prees hij het aan als volksdrank nummer één. De gezondheidsclaim was de kern van de reclame van De Gekroonde Valk. Het stoutbier werd bijvoorbeeld aangeprezen als “de meest versterkende drank voor jong en oud. Aanbevolen door H.H. Geneeskundigen.” Om ook vrouwen tot bierconsumptie te verleiden prees De Gekroonde Valk zijn stoutbier aan als "goed voor ’t zog”. Het hielp de melkproductie van vrouwen die hun kind de borst gaven op gang. Hovy was zo van de heilzame werking overtuigd dat zijn werknemers wekelijks een kratje mee naar huis kregen.

Familiebedrijf

Bierbrouwerij De Gekroonde Valk ging in 1733 van start toen Jan van den Bosch Corneliszoon het stadsbestuur het verzoek deed “tot het stellen van de verzochte ketel tot het Brouwen van Bier”. Hij vestigde de brouwerij op de Hoogte Kadijk.
In 1791 werd de brouwerij geveild. De opbrengst was ƒ 25.536,- voor de grond en ƒ 59.571,- voor de inventaris. Koper was de handelaar Jan Messchert van Vollenhoven. Van oorsprong Rotterdammer, was hij getrouwd met de steenrijke Amsterdamse koopmansdochter Elisabeth van der Poorten. Hij kocht de brouwerij vooral als investering en als middel om in het Amsterdams patriciaat binnen te komen. Van bierbrouwen had hij geen verstand.
Generatie op generatie bleef de brouwerij in familiehanden. Toen kleinzoon Willem Cornelis van Vollenhoven in 1874 stierf, nam zijn neef Willem Hovy het roer over. Een andere neef was mededirectielid: Johannes Schwartz. Diens zoon Ferdinand was tot 1946 directeur. Een dodelijk ongeval voorkwam dat hij de sluiting en ontmanteling van de brouwerij in 1947 moest meemaken. Ook de commissarissen van de brouwerij werden bij voorkeur uit de familiekring gerecruteerd.
Toen Willem Hovy in 1858 bij De Gekroonde Valk aan de slag ging, was bier brouwen een ambachtelijke bezigheid. Het productieproces was gebonden aan natuurlijke omstandigheden, wat veel onzekerheid gaf. Een enkele onweersbui kon het ‘beslag’ volledig bederven. De kwaliteit van bier schoot vaak tekort. Het was troebel, wisselend van smaak en kort houdbaar.
Hij ging druk experimenteren met vernieuwing van de bedrijfsvoering. Hij schafte stoommachines aan. Dat maakte de verwarming van de brouwketels nauwkeuriger en efficiënter. Het brouwen werd op wetenschappelijke leest geschoeid, met thermometers en saccharometers waardoor het alcoholpercentage nauwkeurig kon worden bepaald. Een laboratorium deed zijn intrede.

Hete adem Heineken

In 1863 kocht de 22-jarige ondernemer Gerard Adriaan Heineken de noodlijdende Amsterdamse brouwerij De Hooiberg. Heineken had geen ervaring met bier brouwen, maar vertrouwde op zijn ondernemersgeest en een kundige Duitse brouwmeester. Heineken was de grote innovator in het Nederlandse brouwwezen, doordat hij in 1870 ‘ondergistend bier’ introduceerde. Ondergistend bier wordt onder gekoelde omstandigheden gebrouwen. Door de lage temperatuur zakt het gist naar de bodem en kan het gisten van het ‘beslag’ onder controle worden gehouden, met als resultaat een helder, lang houdbaar bier van constante kwaliteit. In Pilzen in Tsjechië werd zo gebrouwen, vandaar de naam ‘pilsener’ of pils.
De komst van tycoon Heineken deed het brouwerswezen op z’n grondslagen schudden. Willem Hovy begreep dat hij de keus had tussen grootschalige investeringen in ondergistend bier of er mee ophouden en de zaak liquideren. Hij koos voor het eerste en bouwde in 1872 naast de oude brouwerij een geheel nieuwe fabriek die op stoomkracht werd aangedreven, compleet met een ijsfabriek. In 1886 was de nieuwe brouwerij klaar. Op de toegangspoort, ontworpen door architect G. B. Salm, liet Hovy een gietijzeren beeld van een gekroonde valk plaatsen. De nieuwbouw pakte goed uit. De verkoop schoot omhoog en er werden recordwinsten gemaakt. Binnen enkele jaren was hij een gefortuneerd man.

Ondergang

Na Hovy’s dood in 1915 ging het geleidelijk aan bergafwaarts met de Gekroonde Valk. Na de Eerste Wereldoorlog kwam de internationale handel niet meer op het vooroorlogse niveau. Als exportbrouwerij werd De Gekroonde Valk daar meer door getroffen dan andere. Het exportprobleem werd nog verergerd door de ‘harde gulden’ en de aansluiting van Nederland bij de gouden standaard in de jaren dertig.
Bovendien kampte De Gekroonde Valk met een imagoprobleem. Heineken had zich als luxebier gepositioneerd, Amstel was voor de arbeidersklasse, maar De Gekroonde Valk miste een duidelijk profiel. Jarenlang had de brouwerij ingezet op het gezondheidsaspect van bier. Een slagzin als: 'het voor zwakken en herstellenden zóó uiterst versterkende bier’ getuigde daarvan. Nu werkten die gezondheidsclaims niet meer. De mislukte introductie van de sportdrank Valko - een soort alcoholvrij bier - in de jaren dertig paste in dat stramien.
Door de verzwakte positie kon De Gekroonde Valk niet mee in het proces van schaalvergroting en consolidatie dat in de jaren twintig op gang kwam. Telde Nederland in 1908 nog 380 brouwerijen, in 1930 waren er nog maar 63 over. Het was een kwestie van ‘eten of gegeten worden’. Heineken, Amstel en d’Oranjeboom domineerden dit spel en maakten gezamenlijk afspraken over prijzen, overnames en marktaandelen.
De crisis van de jaren dertig maakte De Gekroonde Valk verliesgevend. De catastrofe die de brouwerij trof blijkt uit de cijfers: in 1929 werd nog 181.000 hectoliter geproduceerd, in 1935 slechts 83.000.
Het verzwakte bedrijf was een makkelijke prooi voor Heineken en Amstel. Die lieten de brouwerij in doodsnood eerst nog verder spartelen voordat zij definitief toesloegen. In het boek Leven in de brouwerij beschrijft Rolf van der Wouden tot in detail hoe beide concurrenten een kat-en-muisspel met de directie van De Gekroonde Valk speelden. In 1941 verkregen Heineken en Amstel definitief de zeggenschap. Toen na de oorlog de biermarkt niet aantrok, besloten zij tot liquidatie van het bedrijf. Eind 1949 sloot De Gekroonde Valk definitief de deuren.

Valk in Zuid-Afrikaanse achtertuin

Nadat de activiteiten waren beëindigd en de grond en gebouwen verkocht, veranderde het terrein. De grote fabrieksgebouwen werden opslagplaats voor oud papier. In het voormalig lagerhuis zat een specerijenhandel. Op het lege terrein vonden auto’s een parkeerplaats. De gebouwen raakten in verval. Er was regelmatig brand. De buurt verpauperde en de herinnering aan de brouwerij verdween. Schrijver Oek de Jong woonde er in die tijd en herinnert zich de Kadijken als “achenebbisj: een buurt met leegstaande pakhuizen en verlaten kaden, met gras begroeide spoorrails, clandestiene autospuiterijen, loodsen vol voddenbalen, een autokerkhof, een pompstation, een paar kleine werven. Een buurt waar geen winkels waren. Een buurt waar nooit iemand kwam.”
Halverwege de jaren tachtig keerde het tij. Het fabrieksterrein werd gerenoveerd. Slechts twee gebouwen van de brouwerij bleven behouden: het oude directiegebouw met ingang aan de Matrozenhof en de woning van de brouwdirecteur aan de Hoogte Kadijk 59-63. De woning van brouwmeester Körner lag op de eerste etage van een gebouw (ook ontworpen door G.B. Salm, in 1894) waar op de begane grond werkplaatsen waren gevestigd. De originele lambrisering is nog steeds aanwezig. Op de tweede etage zat de boekhouding en weer daarboven woonden arbeiders.
Ook resteerde één stenen zuil van de hoofdingang. Het beeldmerk van de brouwerij was echter verdwenen. Het gietijzeren beeld van een valk met een merkwaardig kroontje op zijn hoofd en een doelloos lintje om de nek, was in 1967 naar Zuid-Afrika verscheept en stond daar in de tuin van een kleinzoon van Willem Hovy. Buurtbewoners richtten een stichting op en lieten een bronzen replica van het beeld maken, dat in 1993 door cabarettier Youp van ’t Hek werd onthuld onder het motto: “Na mijn succes met Buckler laten ze mij nu ook het laatste restje Van Vollenhoven de nek omdraaien." Waarna mevrouw Körner, weduwe van de laatste brouwmeester, het originele recept van Van Vollenhoven Stout aan het bestuur van de stichting overhandigde. Toen Heineken in 2004 besloot te stoppen met de productie, kreeg Stichting De Gekroonde Valk een officiële merklicentie om het bier te brouwen. Vanaf 2006 wordt ieder jaar in november een jaargang van het stoutbier in café De Engelse Reet in de Begijnensteeg gepresenteerd.
Inmiddels is de originele gietijzeren valk weer gaan reizen. Na de dood van de kleinzoon van Willem Hovy hebben zijn kinderen ‘lootjies getrek’. Het beeld prijkt nu in de tuin van de jongste zoon Mark in Randburg, twintig kilometer ten noorden van Johannesburg.