Vrijdagnacht 4 december 1970 brak er brand uit in pension Johnny, op de hoek van de Amstelstraat en de Paardenstraat. Negen mensen kwamen om het leven. De politie was die avond naar de Paardenstraat gegaan omdat er een ruzie zou zijn uitgebroken op de eerste verdieping van het pand, waar zich de bar bevond. Eenmaal ter plaatse bleken de vlammen al uit het pension te slaan.  

‘Afschuwelijke tonelen’ speelden zich die avond af, schreef de Leidse Courant: ‘Voor een raam van de derde verdieping zag het toegestroomde publiek een man levend verbranden. Later bleek dat deze ongelukkige zich niet meer had kunnen redden omdat twee andere slachtoffers zich in doodsnood aan z’n benen hadden vastgeklemd.’ Bij de brand kwamen acht Marokkanen die in het pension woonden om het leven, en één Tanzaniaan die op bezoek was. Er waren zes gewonden.  

Van de acht Marokkanen stonden er vier niet bij de vreemdelingendienst geregistreerd. Zij werden door familieleden en vrienden alsnog geïdentificeerd. Er waren waarschijnlijk zo’n dertig gasten in het pension, maar het precieze aantal was onbekend: het pensionregister was ‘kwijtgeraakt’. Alle pensiongasten die de brand overleefden – sommigen door van drie-hoog uit het raam te springen – werden ondergebracht in hotel COK naast het Vondelpark. 

Pas verbouwd 

Uit het politieonderzoek bleek dat er twee brandhaarden waren geweest: één op de trap die de enige in- en uitgang van het pension vormde en één op het portaal van de eerste etage bij de bar. Er was maar één uitgang, en er was geen brandtrap. De politie ontdekte dat er op de derde etage nooddeuren waren die toegang gaven tot een plat dak, maar deze deuren bleken na de brand nog dicht te zijn. ‘Niemand van de pensionbewoners wist van hun bestaan, óf men is ze in de paniek vergeten’, aldus Trouw

Enkele weken eerder had de politie nog een controle gehouden in het pension. Aan de minimumeisen voor de technische toestand werd voldaan, ‘al moesten nog wel verbeteringen worden aangebracht’. Een politiewoordvoerder zei dat het geheel pas verbouwd was. Er waren stenen muren tussen de kamers, het was ‘beslist geen verwaarloosde troep. De mensen die er woonden waren heel tevreden.’ 

Voorzover de brandweer na de brand had kunnen constateren, voldeed het pand inderdaad ‘redelijk’ aan de bouwkundige eisen, maar niet aan de brandveiligheidseisen: er was geen noodverlichting en er was geen brandkraan aanwezig op elke etage. Brandweercommandant R. Baaij zei tegen Het Parool dat dat niet veel had uitgemaakt: ‘De brandkranen in het trappenhuis zouden toch onbereikbaar zijn geweest, juist omdat de brand daar is ontstaan.’ 

Opzet 

Volgens Baaij wees het feit dat de brand was begonnen op de trap op opzet: ‘Ik zou niet weten hoe de brand anders op de trap moet zijn ontstaan.’ Deskundigen van het gerechtelijk laboratorium in Den Haag vonden er ‘minieme benzinedelen’, wat het vermoeden van brandstichting verder versterkte.  

De eerste dagen na de brand zat er weinig schot in het onderzoek. Volgens de politie was dat onder meer omdat Marokkaanse getuigen zwegen ‘uit angst voor represailles van hun landgenoten’. Andere verklaringen wezen echter ook steeds meer op brandstichting. Volgens verschillende getuigen hadden twee mannen vlak voor de brand de benen genomen. Ze werden geïdentificeerd als de vijftienjarige tweelingbroers Wiegert en Arend W. en als eerste verdachten opgepakt.  

Kort daarna werden twee andere mannen, de pensionhouder Simon S. (42) en de barkeeper in het pension, Omar L. (25), als mogelijke verdachten aangemerkt. De laatste werd aangehouden omdat hij gestolen goederen zou hebben opgekocht en verkocht, maar hij zou tijdens het verhoor ook over de brandstichting aan de tand zijn gevoeld. Simon S. had een relatie met de eigenares van het pand. Elke vrijdagavond kwamen zij samen in de bar om de huur te innen van de pensiongasten. Tussen de twee ontstond op de avond van de brand onenigheid over de opbrengst. Simon S. zou toen hebben gezegd: ‘Pas jij maar op. Binnen veertien dagen is je zaak kapot. De boel gaat in de fik.’ Daarop zou de eigenares zijn vertrokken.  

Busje benzine 

Tijdens de brand bevond Simon S. zich in een café in de Utrechtsestraat, waar hij volgens de politie ‘niet lang voor het ontstaan van de brand naar toe was gegaan’. Getuigen verklaarden dat S. vlak voor zijn vertrek met de verdachte tweelingbroers had staan smoezen, en hij zou daarbij iets op zijn rug verborgen hebben gehouden. Een van de verdachte tweelingbroers bekende op de bewuste avond een busje benzine te hebben gekocht ‘om er zijn aansteker mee te vullen’.  

Dat zou hij in de bar hebben gedaan, waarna hij vanwege geklaag van de barkeepster over de stank het busje in zijn jas zou hebben gestopt. De politie vond de bewuste jas na de brand, maar zonder het busje. Wiegert W. verklaarde na de brand samen met zijn broer te zijn vertrokken, omdat zij ‘bij het zien van de in paniek geraakte gastarbeiders zo misselijk werden dat ze besloten een nachtvoorstelling te bezoeken’. 

Dan was er nog de kwestie van de verzekering. Net twee weken vóór de brand was het pand verzekerd voor f 100.000. Tot dan toe was het niet tegen brand verzekerd geweest, omdat de verzekeringsmaatschappij ‘nog bepaalde voorzieningen eiste’. Hoofdinspecteur J. Valken van bureau Singel kon desgevraagd niet zeggen of er verband was tussen het afsluiten van de verzekering en de brand. Het verhoor van Simon S. moest dat uitwijzen. 

Gevaarlijk mensenpakhuis 

De brand veroorzaakte ondertussen flinke onrust in de stad. KVP-wethouder Theo B. Rossen van Volkshuisvesting verklaarde dat het pension naar zijn mening niet goed tegen brand was beveiligd: ‘Onder die omstandigheden vijftig mensen huisvesten, is onverantwoord.’ Rossen liet weten dat er werd gewerkt aan een herziening van de Amsterdamse Logementsverordening. Wethouder Louis Kuijpers (PvdA) had aangedrongen op onderzoek naar die verordening: ‘Het rotte is dat er eerst altijd iets ergs moet gebeuren voordat de koppen bij elkaar worden gestoken.’  

De pensionbrand leidde ook tot woede en onvrede bij de Marokkaanse gemeenschap in Nederland. De Marokkaanse consul in Rotterdam Hassan F. Fahari riep Marokkaanse gastarbeiders via de radio op om naar een bijeenkomst te komen in de Amsterdamse zaal Bellamy. Op 6 december kwamen daar enkele honderden Marokkanen bijeen. Ook wethouder Rossen was aanwezig. Fahari adviseerde zijn landgenoten ‘liever wat meer te betalen voor hun onderdak, dan in een gevaarlijk mensenpakhuis als Pension Johnny te gaan wonen’. ‘Ga beter wonen en wees voorzichtig met vuur; uit deze brand moeten wij voor altijd een les trekken’.

Niet alleen de Marokkaanse consul uitte zijn onvrede. De werkgroep DAR (Arabisch voor ‘huis’) stuurde enkele dagen na de brand telegrammen aan de regering en het Amsterdamse gemeentebestuur, waarin betere huisvesting voor de buitenlandse werknemers werd geëist en werd aangedrongen op beter toezicht op de brandbeveiligingsvoorschriften van pensions als Johnny. De voorzitter van DAR, predikant A. Dronkers, stelde: ‘De meeste gastarbeiders in Amsterdam leven wat de huisvesting betreft op de scherpe zijde van een scheermes. Het pension, dat is uitgebrand, was niet eens het slechtste.’

Verkocht en verraden

DAR organiseerde vervolgens op 12 december een protestmars. De verontwaardiging onder de buitenlandse werknemers was groot: ‘We zijn verkocht en verraden. Met mooie praatjes zijn we hierheen gelokt, maar kijk hoe we moeten leven’, aldus een van de betogers. Zo’n 1200 mensen liepen onder gezang van teksten uit de Koran vanaf de Dokwerker door de Amstelstraat naar het verwoeste pension. Op protestborden stonden de namen van de omgekomen arbeiders.

Bij het pension stonden ze stil en aan de deurpost werd een plank gespijkerd waaraan een aantal Marokkanen een grote krans hingen. Er werden bloemen gelegd. ‘Tien minuten lang zongen de demonstranten rouwliederen, waarbij sommigen hun tranen de vrije loop lieten. Ook het publiek, dat stilzwijgend toekeek, was diep onder de indruk,’ schreef De Tijd.

De stoet vervolgde naar de ambtswoning van burgemeester Samkalden op de Herengracht. Daar gaf een delegatie van vier buitenlandse werknemers een brief af waarin een betere logiesverordening en strengere controle op de veiligheidsbepalingen werd geëist.

Samkalden antwoordde: ‘De gemeente onderneemt stappen om een stichting op te richten voor huisvesting van buitenlandse arbeiders. U moet zelf melden waar u bedrogen wordt door Nederlanders. Dan zullen wij ze wel te pakken nemen.’

Geen sluitend bewijs

Op 17 december werd bekend gemaakt dat de tweelingbroers Adrie en Wiegert W. waren vrijgelaten wegens gebrek aan bewijs. Om dezelfde reden werd ook de andere verdachte, Simon S., vrijgelaten. ‘Dat houdt in, dat wij het sluitende bewijs, dat het tweetal medeplichtig is, of de dader zou zijn van de brandstichting, die in de nacht van vijf december negen mensenlevens heeft geëist, niet hebben kunnen leveren,’ aldus hoofdinspecteur Valken. Alleen de 25-jarige Omar L. zat nog vast, maar niet voor de brandstichting: hij had bekend bij een helingszaak betrokken te zijn geweest. Voor de brand in Pension Johnny is nooit iemand veroordeeld.