Een bezoek aan het meer dan zeventig jaar oude familiebedrijf in de Sint Willibrordusstraat is een warm bad. Altijd verheug ik me tegen de tijd dat het weer zo ver is. Een stuk of wat jaargangen van Ons Amsterdam hebben zich opgestapeld en het wordt tijd om ze te laten inbinden. Het is een gewoonte die ik van mijn vader heb geërfd, evenals het abonnement zelf. Hij bracht de jaargangen naar binderij Blok in de Dapperbuurt, ik ga ermee naar een onderstuk in de Pijp, waar firma Loogman de traditie voortzet.

Dit keer mag ik doorlopen, de werkplaats in, met links persen en machines van soms wel honderd jaar oud en rechts een werkbank waar volop wordt gelijmd, gesneden, gehamerd en geperst. Ik moet oppassen dat ik niks aanraak en blijf plakken als een jongetje aan een brugleuning in de winter.

’Vroeger had je hier zeven binderijen binnen een straal van één kilometer,’ vertelt bedrijfsleider Arnold Wiering. ‘Nu zijn wij nog de enigen. We doen alles ambachtelijk en in eigen beheer, van het maken van kaften tot het bedrukken ervan met tekst en logo’s. Niets gebeurt computergestuurd. Dat moet ook, want ieder bindwerk heeft zijn eigen afwijkende maat. Dat lukt je alleen op gevoel.’

Arnold is de derde generatie, de familie woont boven de zaak. De tweede generatie wacht me op in een zitje met fauteuils midden in de werkplaats: zijn vader Wouter Wiering. Ook de andere aanwezigen zijn familie: naast Arnolds moeder zijn zus Viola en haar partner Ferdy.

Donald Duck

Wouter: ‘De naam Loogman is afkomstig van de tweede man van mijn moeder, mijn stiefvader dus. Hij begon de zaak bij hem thuis, driehoog aan de Celebesstraat. Daarna naar de Gerard Dou en de Retiefstraat. Toen ik later zelf in de zaak kwam, waren ze verhuisd naar deze plek in de Sint Willibrordusstraat. We hadden toen nog veel werk van de UvA, later ook van de VU. Die reserveerden zes procent van hun begroting voor boeken, en daarvan weer zes procent voor het binden. Ook krantenuitgevers, zoals de Volkskrant en Het Parool, waren grote klanten. De Groene Amsterdammer gaf zelfs ieder jaar een ingebonden jaargang cadeau aan al hun personeel.’

Wouters vrouw Ria kwam nooit op de binderij. ‘Ze was huisvrouw, zo was dat in die tijd. Toen ze eindelijk eens kwam kijken, moest ze zich voorstellen aan het personeel.’ Dat veranderde toen Wouter een hartaanval kreeg en ‘ging zeilen.’ Niet dat hij nooit meer op de zaak kwam, elke donderdag kwam hij terug om mee te helpen, en wel vaker, tot de dag van vandaag. Maar Ria runde nu de zaak.

In 2006 nam Arnold, die er sinds zijn achttiende al werkte, de binderij over, in een moeilijke tijd: de universiteiten begonnen te digitaliseren, overal werd bezuinigd en er viel veel werk weg. Arnold: ‘Ik kreeg te maken met managers.’ Hij spreekt het woord met onverholen afschuw uit.

‘Alleen maar: hoe kan het goedkoper, wat kan er af? Er was haast geen werk meer. Toen zei een vriend van me: ik kan wel een website voor je maken. Daardoor kwamen er meer particulieren die iets wilden laten inbinden. Zo hebben we het kunnen opvangen en ging de zaak weer lopen. Naast Ons Amsterdam met zo’n driehonderd klanten zijn we ook hofleverancier van de Donald Duck en binden we nog steeds de jaargangen van de Volkskrant en Het Parool voor hun archief. Plus bijvoorbeeld scheepslogboeken voor de douane. We maken en herstellen ook boeken. Rijk worden we er niet van, maar dat hoeft ook niet.’

Buffervoorraad

In de eerste decennia van Ons Amsterdam adverteerden er drie binders in het blad: Blok, Mons en Buddelmeyer. Toen ik het abonnement van mijn vader overnam kwam ik terecht bij de firma J. Mons op de Nieuwezijds Voorburgwal. Mons resideerde hoog boven het verkeer in een schitterende donkere werkplaats, volgestouwd met wonderlijke gietijzeren apparaten.

Ook de firma Blok was een echt familiebedrijf. Het bestond aanvankelijk uit de 'gebr. Blok': Toms vader Ger en zijn oom Guus. De derde binder, Buddelmeyer, was er al mee opgehouden toen ik in 1999 voor Ons Amsterdam een verhaal schreef over deze ‘Grote Drie’, die elkaar natuurlijk goed kenden. Ze hadden een prijsafspraak voor de Amsterdammers. Mons belde dan met Ger Blok, en vroeg: wat ga je dit jaar rekenen? Ook Buddelmeyer nam deel aan dit minikartel.

In 1999 runde Tom Blok de zaak in zijn eentje. Hij wees trots naar zijn ‘buffervoorraad’: ‘Die krijgen we bijvoorbeeld als twee abonnees gaan trouwen en dan jaargangen dubbel hebben.’ ‘Tom Blok had nog een hoop oude nummers liggen in de kelder,’ bevestigt Arnold. ‘Toen hij ziek werd, ging mijn vader hem helpen, we hebben zijn werk overgenomen tot hij zijn bedrijf moest beëindigen. Daarna mochten we die oude nummers meenemen. Zelf krijgen we ook vaak oude nummers, van kinderen of van abonnees zelf, als ze kleiner gaan wonen. Zo kunnen we incomplete jaargangen toch compleet afleveren. Toen Buddelmeyer ermee ophield, hebben we van zijn schoonzoon ook nog een stapel Ons Amsterdam-kaften gekregen.’

Nietjes uithalen

De binders waren niet alleen familiebedrijven, hun geschiedenis laat zien dat ze ook een groot ambachtelijk familiegevoel met elkaar deelden. Zo zorgden ze ervoor dat iedere klant zijn eigen jaargangen weer terugkreeg. De mensen vinden dat belangrijk, had Tom Blok van zijn vader geleerd. ‘Ja, z’n vader deed dat nog,’ grinnikt Wouter, ‘maar Tom haalde gewoon een exemplaar uit de stapel. Nietjes eruit halen deed hij ook niet altijd.’ Mijn oude exemplaren lopen dus roestgevaar.

Nietjes uithalen: Arnolds zus Viola is daar op dit moment mee bezig aan de werkbank, die eigenlijk een soort lopende band is. Het werk komt bij haar binnen, zij maakt het klaar voor het naaien of lijmen. Naast Viola is haar moeder Ria – staand, zoals iedereen – aan het kaptalen en verlijmen. Kaptalen is een bandje onder en boven aan de rug van het boekblok plakken om te zorgen dat het stofvrij blijft en om extra stevigheid te geven. Verlijmen is het aanbrengen van lijm en gaas op de rug van het blok. Daarna wordt die rug met een hamertje afgeklopt, waardoor de nummers dichter tegen elkaar komen te liggen en de achterkant mooi rond wordt.

Dan is het boekblok af; nu de rug meten en het kaft maken. Arnold doet het voor. In een kastje op de werkbank liggen de ruggetjes al klaar in de diverse breedtematen – de lengte wordt iedere keer met de hand bijgesneden. Hij haalt een groot bord karton tevoorschijn, waar de ‘bordjes’ voor de kaft uit worden gesneden. Alles op maat, met de hand. ‘Dat is een heel gedoe, alle tijdschriften hebben weer een iets ander formaat, omdat ze anders in het schap bij de Bruna niet uitsteken en opvallen.’

Gouden Westerkerk

Dan worden de kaften op de rug geplakt. Dat is, naast de eindcontrole, de taak van Ferdy. Onder de werkbank liggen tientallen rollen linnen opgetast. Vroeger vooral donkere tinten, dat wilden de universiteiten zo, nu in allerlei kleuren. Arnold snijdt een stuk op maat af, dat wordt om de kaft geplakt. Denk om de kneep, de gleuf waar de kaft scharniert als je het boek openslaat. Het luistert nauw: bij normaal linnen moet die zeven millimeter breed zijn. De kneepjes van het vak, inderdaad. ‘Dan scharniert het boek goed.’

Ons Amsterdam maakte altijd zelf de kaften,’ zegt Arnold. ‘De beroemde omslagen in rood en zwart met de gepreegde (in reliëf gedrukte) gouden opdruk van de Westerkerk, het jaartal en de jaargang. Blok maakte ze ook zelf en we kregen van hem zijn messing stempels van de letters, de Westerkerk-ets en ander materiaal, zodat we de mogelijkheid hadden om dat ook te doen. Mijn zus zet de tekst, ik zorg voor het pregen.’ Hij doet het voor op een foliepersje. Eerst een strookje wit op goudkleurig folie eronder en dan drukken. Het ziet er allemaal voorwereldlijk uit, maar het werkt nog prima: ‘We hebben het gehouden zoals Blok het deed.’

Daardoor is er continuïteit, ook in mijn eigen boekenkast. De 73 delen, twee strekkende meter, staan er mooi en voornaam naast elkaar, met hun opdruk van goud op zwart. Het werk van Blok, Mons en Loogman is niet te onderscheiden: het lijkt één groot familieproduct.

Header: De werkplaats van Loogman aan de Sint Willibrordusstraat, de enige van de zeven in de buurt die is overgebleven. Foto Lex Banning