Tussen 1654 en 1670 maakte Amsterdam kennis met een brandspuit van Duitse makelij. De stad schafte er in die periode zestig aan, voor elke wijk één. Maar kennelijk was er behoefte aan iets beters. De directe aanleiding daarvoor was het Rampjaar, 1672. Het stadsbestuur van Amsterdam vreesde voor brandstichting door agenten van de vijand. De eerste grote brand dat jaar trof in de nacht van 22 op 23 februari de befaamde drukkerij van de uitgever en cartograaf Joan Blaeu. Maar bij die brand bleken de Duitse spuiten eigenlijk onbruikbaar.

De behoefte aan beter blusmateriaal was koren op de molen van Jan van der Heyden. Op zijn negende was hij met zijn familie uit Gorinchem naar Amsterdam verhuisd. Over zijn opleiding is praktisch niets bekend, maar hij staat te boek als een multi-talent, ‘de Leonardo da Vinci van het Noorden’. Jan verwierf vooral bekendheid als kunstschilder, maar hij was ook uitvinder, technicus en een uitstekend zakenman. Hij gaf Amsterdam straatverlichting, ontwierp nieuwe baggermolens en nieuwe brandblusmiddelen.

Mini-watertoren

Alle octrooien met betrekking tot de slangbrandspuit staan op naam van Jan en zijn broer Nicolaas. Na diens dood werkte Jan samen met zijn zoon Jan van der Heyden de Jonge, ‘Gemoveert door ’t zien der verlegentheden, disordres en sware schade, die telkens bij brand in dese stad, door ’t onvermogen der oude spuiten en blusgereetschappen wierden geleden,’ zoals Jan het zelf verwoordde. De oude brandspuiten waren groot, zwaar en log, moesten met behulp van paarden worden vervoerd en met emmers water gevuld. Bovendien waren ze voorzien van een stationaire straalpijp, waardoor brandhaarden niet of nauwelijks te bereiken vielen. Genoeg uitdagingen dus voor Jan.

Op 25 maart 1672 deden Jan en Nicolaas een proef met de door hen uitgevonden slangpomp of aanbrenger. Bij een zware brand op het Schapenplein (nu het Muntplein) verbonden de broers de pomp met een slang aan een oude brandspuit, die daardoor voorzien werd van een geregelde, overvloedige toevoer van water uit de gracht. De brandspuit had nog wel van een stationaire straalpijp, geen slang met de straalpijp aan het uiteinde. Niettemin kon de brand, die anders waarschijnlijk vijf huizen zou hebben verwoest, spoedig worden geblust.

De slangpomp of aanbrenger staat ook bekend als de schraagpomp omdat de pomp op een hoge schraag stond waaraan een zak hing waarin het water terechtkwam. Zo ontstond een soort mini-watertoren, waarmee druk werd opgebouwd. De slangpomp werd aanvankelijk gevoed met emmers water, om al spoedig te worden voorzien van een eigen (zuig)pompmechanisme.

Gedurige dikke straal

Op 24 oktober 1672 droeg het stadsbestuur van Amsterdam de inspectie van de blusmiddelen op aan Jan van der Heyden, en moedigde hem aan om aan verbetering te werken. Deze aanstelling leidde tot de uitvinding en constructie van de slangbrandspuit. Jan kreeg de opdracht de beheerders van de spuiten ‘het manjement ende gebruyck van deselve leere pijpen of slangen te instrueren’, waarbij hem een redelijk loon werd toegezegd.

De nieuwe spuiten konden het water met een ‘geduurige dikke Strael’ brengen naar ‘het hevigste van de Brand’ om die ‘onfeilbaer en spoedig uit te blusschen (…) ’t zy in nauwe straten, steegen, achterhuisen, of in groote hoogten en andere ongenaekbare plaetsen: sonder eenige muuren, wanden of gevels om verre te halen (…) om toegang tot de Brand te krijgen.’

Dit alles werd mogelijk gemaakt door de toepassing van ‘een lange en buigelijke buis, om hare gedaente een Slang genaemt’. Van der Heyden gebruikte twee soorten. De slang van de gracht naar de pomp was gemaakt ‘van zeker zoort van doek [dik zeildoek], hier toe byzonderlyk bereid’. De slangbrandspuit zelf was van leer, ‘dat op byzondere wyze bereid en zaamengevoegt word, om dicht, bestendig en tegen ’t geweld [de druk] van ’t water bestant te zyn’.

Beruchte branden

In 1677, het jaar waarin Jan en Nicolaas octrooi op de slangbrandspuit verwierven, publiceerden zij een uitgave in folio met een uitslaande plaat: Bericht wegens de nieuw-geïnventeerde en geoctroyeerde slang-brandspuiten. In 1690 publiceerden Jan en zijn zoon de eerste druk van het nu zo beroemde slangbrandspuitenboek, getiteld Nieuwe Beschrijving van de nieuwlijks uitgevonden en geoctrojeerde slang-brand-spuiten – ook op folioformaat en zeer doordacht opgebouwd.

De tekst is doorschoten met negentien fraaie, deels uitslaande prenten, voor zover bekend allemaal door Jan van der Heyden zelf getekend. Het voorwerk bevat een beschrijving van de uitvinding en een soort managementsamenvatting. Het boek was door de zakelijke Jan van de Heyden immers vooral bestemd om andere stadsbesturen over te halen zoveel mogelijk van zijn slangbrandspuiten aan te schaffen.

Het hart van het boek bestaat uit een chronologisch overzicht met beschrijvingen van branden binnen Amsterdam sinds het jaar 1652, en van de bestrijding daarvan met de drie soorten blusmiddelen die daarbij werden gebruikt. Daarbij zijn een aantal beruchte branden, zoals die van het oude Amsterdamse stadhuis en de drukkerij van de firma Blaeu, die de auteurs naar eigen zeggen met eigen ogen hadden waargenomen.

Riet en zwavel

Op 11 november 1672 nam het Amsterdamse stadsbestuur het belangrijke besluit dat alle tot dan toe in gebruik zijnde brandspuiten dienden te worden gemoderniseerd conform de uitvinding van Jan en Nicolaas van der Heyden. In de praktijk bleek dit besluit vooral symboolpolitiek te zijn, want van daadwerkelijke uitvoering kwam voorlopig niets.

De Van der Heydens bouwden een van de oude brandspuiten om tot een slangspuit, die bij de Westerkerk werd geplaatst. Twee maanden later, op 12 januari 1673, brak er brand uit in de oude lijnbanen van de Admiraliteit. Deze waren in gebruik als een ‘Magazyn van Scheepsgereetschappen ten Oorlog’. Er lagen houtkrullen, riet en zwavel opgeslagen, materialen waarmee zogenaamde ‘branders’ werden afgeladen, schepen die tijdens oorlog op zee in brand werden gestoken en op vijandelijke schepen afgestuurd. Dit was dus geen onschuldig brandje. Het was zelfs zo hevig ‘dat de vlam teffens de geheele Stad overlichtte’. Zowel te land als te water werden brandspuiten opgesteld

Toen de nieuwe slangbrandspuit van Van der Heyden eindelijk arriveerde waren overal mensen in de weer met gieten en pompen en het omverhalen van muren en wanden. De nieuwe spuit kon niet bij de brand komen, omdat het hele terrein bezet was met oude spuiten, en niemand wilde voor dat ‘nieuwe ding’ plaats maken, noch ermee werken. ‘’t Is hier geen tijd’, zeiden de brandmeesters, ‘om nieuwe dingen, die men niet kent, te beproeven, en nog minder om daarmeê ’t oude te verhinderen.’ Hoewel de oude brandspuiten duidelijk te wensen overlieten en de brand de overhand nam, werd de slangspuit niet ingezet.

Generale brandmeesters

Toen op een gegeven moment de lijnbanen en alles er omheen volledig in de as lagen, vielen er alleen nog twee houten loodsen aan de Oude Stadswal te redden. Hier konden de oude brandspuiten niet bijkomen, maar die van de Van der Heydens wel, en zij wilden graag een poging wagen om de loodsen te blussen. Omstanders riepen dat het onmogelijk zou zijn, maar met de slangbrandspuit werden niet alleen de brandende loodsen, maar ook al het brandend puin van de lijnbanen in korte tijd volledig geblust. Dit voorval maakte grote indruk. Duizenden toeschouwers hadden met eigen ogen kunnen zien hoe de nieuwe brandspuit de oude overtrof

Hoewel de gebroeders Jan en Nicolaas op 15 november 1673 werden aangesteld tot ‘opsienders van Stadts Brandspuyten en Brandgereedschap’ of ‘generaale brandmeesters’, was hun kostje nog niet gekocht. De oorlog verslond veel geld en liet weinig over om te investeren in slangbrandspuiten, die elk 385 gulden kostten. Daarom besloot het stadsbestuur dat het genoeg was ‘... zoo men jaarlijks eenige oude spuiten tot slangspuiten verhanselde’. Het gevolg hiervan was dat veel geld nutteloos werd verkwist en er nog jarenlang met gebrekkige en onbruikbare spuiten werd voortgesukkeld.

Pas toen het vrede was nam het stadsbestuur het brandwezen serieus ter hand en werd besloten de nieuwe kleine brandspuiten van Van der Heyden cs. te laten maken, die zonder paarden naar de brand gebracht konden worden. De vermaakte oude spuiten werden uit de roulatie gehaald. Het duurde echter nog tot eind 1681 totdat alle zestig spuiten van de stad vervangen waren. Begin 1682 was alles nieuw: nieuwe gereedschappen, nieuwe orders en nieuwe mensen. Het Amsterdamse brandweerwezen kon als voorbeeld dienen voor alle steden.

Een uitzonderlijk Slangbrandspuitenboek

Nadat Jan van der Heyden was overleden verzorgden zijn erfgenamen in 1735 een tweede druk van het slangbrandspuitenboek, met maar liefst 25 platen. Van deze uitgave verwierf Korpora een volledig, tot op de vignetten toe, ingekleurd exemplaar.

Korpora is het nieuwe erfgoedinstituut voor publieke veiligheid in Nederland, opvolger van het Nationaal Veiligheidsinstituut. Onder meer in een centraal depot in Apeldoorn beheert het de collecties van de Nederlandse politie, brandweer, Bescherming Bevolking en het Rode Kruis. Vanaf 2023 komen de verzamelingen en documentatie op een virtueel collectieplatform beschikbaar.

www.korpora.nl

Header: Dwarsdoorsnede van een brandend huis met slangbrandspuiten door Jan van der Heyden / Stadsarchief Amsterdam