Het is augustus 1789, de maand dat in het revolutionaire Frankrijk de algemene Déclaration des droits de l'homme et du citoyen wordt afgekondigd, de eerste verklaring van de rechten van de mens. Op dinsdagavond 18 augustus trekken drie Joodse straatmuzikanten naar de Haarlemmerbuurt om een paar centen te verdienen, wat maar matig lukt. Ze weten dan nog niet dat de avond zal eindigen in antisemitisch geweld, waarbij een van de drie het leven zal laten.

Enkele dagen later, vrijdag 21 augustus 1789, verschijnen de muzikanten Joseph van Abraham de Pas en Rafael Salam, beiden van de ‘Portugeesche Joodsche Natie’, bij notaris en advocaat Hendrik Thomas Meijnsma om een verklaring af te leggen over wat er die avond gebeurd is. Eerder die dag hebben zij hun vriend Moses Oeb Brandon (ook wel Brandao) begraven op de begraafplaats Beth Haim in Ouderkerk aan de Amstel; Moses was tevens Josephs zwager. De verklaring wordt afgelegd op verzoek van de hoofdofficier van de stad, die een onderzoek heeft ingesteld.

Joseph en Rafael vertellen dat zij die dinsdag rond half negen de deur uit zijn gegaan om samen met Moses ‘langs de straat en voor lieden die hun hooren wilde te musiceren’. Nadat ze ‘alzoo eenige tijd gespeelt hebben’ buiten de Haarlemmerpoort, doet Rafael een rondje ‘bij de vergaderde meenigte’ om geld in te zamelen. Het weinig dat ze ontvangen geeft hij aan Oeb Brandon, die kennelijk de bandleider is.

Daarna besluiten ze binnen de poort verder te spelen. Rafael gaat met de pet rond, en opnieuw geeft hij het geld aan Moses, maar het is zo weinig dat Rafael er bij zegt dat het ‘de moeite niet waard was om daar voor te spelen’. Een weinig productieve avond dus; wel is er een manspersoon met ‘een ronde hoed op het hoofd’ die de drie mannen een borreltje aanbiedt.

Met deze onbekende man gaan ze naar binnen bij een tapperij ‘waar de Schenk uithangt’, op de hoek van de Haarlemmerdijk en de tweede straat vanaf de poort. Nadat zij daar ‘een bakje genever’ gedronken hebben, vraagt de man met de hoed hen nog eens wat te spelen. Weer speelt het trio enkele nummertjes, maar ook deze keer kan er bij het publiek maar weinig muntgeld vanaf. De twee muzikanten vertellen dat Moses het toen beter vond om naar huis te gaan, naar de andere kant van de stad. Ze woonden alle drie in de oude Jodenbuurt, Joseph en Mozes op de Rapenburgergracht, Rafael Salam op het stadseiland Marken.

Het is ‘naar gissing’ half elf ’s avonds als zij de Haarlemmerdijk aflopen richting de Nieuwendijk en vandaar de Stromarkt op. Daar worden ze door twee mannen ‘aangetast’. Een van hen grijpt Moses Oeb Brandon terwijl hij vraagt: ‘Ben jeluy jooden?’ Als de andere man op Joseph en Rafael afkomt zetten de twee het op een lopen. Eenmaal terug in hun eigen buurt gaan ze langs bij het huis van Moses op de Rapenburgergracht ‘over de Compagniespakhuizen’.

Van zijn vrouw Esther De Paz krijgen ze te horen dat Moses niet thuis is gekomen. De volgende dagen hebben zij ‘al wat mogelijk was in het werk gesteld’ om hun vriend op te sporen, totdat zij op vrijdag geïnformeerd worden dat Moses dood is gevonden in het water tussen de Haarlemmersluis en de Nieuwe Lutherse kerk. Nog dezelfde dag is hij in Ouderkerk begraven.

De hoofdofficier laat de verklaring optekenen, maar het lijkt er niet op dat het tot een zaak is gekomen. Er zijn geen andere getuigen gehoord, als die er al waren, en ook worden er geen verdachten aangewezen. Waarschijnlijk is de moord, die veel weg heeft van een hate crime, dan ook nooit opgelost. Esther blijft alleen achter met haar vijf kinderen. Tenminste twee van haar zonen, Daniel en Aron, zullen later ook als muzikant de kost verdienen.