Het binnentrekken van de Franse troepen in ons land in de winter van 1795 betekende voor de stad Amsterdam het einde van haar autonomie. Een bittere pil voor de stedelijke regenten. Voortaan moest de stad zich voegen naar een centraal gezag, eerst van de republiek en later het koninkrijk Holland. Toen dit koninkrijk in 1810 werd ingelijfd in het napoleontische keizerrijk, kwam het machtscentrum zelfs in Parijs te liggen. Tot overmaat van ramp werd juist Amsterdam zwaar getroffen door de handelsboycot waarmee Napoleon Engeland wilde isoleren. Al deze maatregelen zetten dan ook veel kwaad bloed in alle rangen en standen van Amsterdam; de stad kende in die jaren veel opstootjes en relletjes.
In het najaar van 1812 legden de onoverwinnelijk geachte Franse troepen het af tegen de weerstand van het Russische leger en de barre kou van de winter aldaar. Het debacle leidde tot een grootscheepse wervingsactie voor verse troepen in de door de Fransen bezette gebieden. Dat mocht dan militair gezien een noodzaak zijn, in politiek en sociaal opzicht bleek het een zware misrekening. De Fransen overschatten de greep die zij nog hadden op de bezette landen. Overal in het keizerrijk braken opstandjes uit. Ook in het koninkrijk Holland en zeker in Amsterdam had men het helemaal gehad met de manier waarop de Fransen het land tot de bedelstaf brachten.
Op 3 april 1813 keurde de senaat in Parijs het besluit goed om twee nieuwe lichtingen dienstplichtigen uit het hele keizerrijk op te roepen. De eerste lichting van 80.000 man werd opgeroepen in datzelfde jaar, de tweede van 90.000 man een jaar later. Daarnaast kwam er een geheel nieuw legerkorps van 10.000 man, de Garde d’Honneur, “samengesteld uit zonen van goeden huize tussen 19 en 30 jaar”. De vier regimenten van dat elitekorps zouden gelegerd worden in Versailles, Metz, Tours en Lyon. Remplacering (vervanging tegen betaling) was dit keer niet mogelijk. De ingelijfde Hollandse departementen moesten uit de hoogst aangeslagenen voor de belasting 500 gardisten leveren. Het zouden er uiteindelijk volgens de Franse administratie 435 worden, onder wie 112 vrijwilligers.

Op eigen kosten

Volgens een keizerlijk decreet moesten “de leden van de Garde d’Honneur zich op eigen kosten kleden, equiperen en monteren”. De prefect van het departement der Zuiderzee, waaronder Amsterdam viel, stelde de kosten vast op 1500 francs (4700 euro). Het decreet gaf een nauwkeurige beschrijving van het kleurrijke uniform, de bewapening en de benodigde reisuitrusting. Behalve een uitgebreid groottenue was er ook de ‘dolman’, een kort, nauwsluitend en met tressen versierd uniformjasje voor dagelijks gebruik. De kosten werden door de ontvanger der belastingen geïnd en gestort in een fonds, waaruit alle uniformen door de centrale overheid werden aangekocht om zo verschillen in uitvoering te voorkomen. Daarom ook werd het rode ‘schakot’ (hoofddeksel) met het metalen embleem van de keizerlijke adelaar in Parijs besteld.
Hoewel de naam, het fraaie uniform en de wervende tekst van de decreten anders doen vermoeden, werd het dienen in dit korps niet als een eer beschouwd. Integendeel. Verschillende bronnen spreken over de gardisten als ‘gijzelaars’ van de Franse bezetter. “Claude Daniel Crommelin was een dier zeventienjarigen, die de overweldiger onder den fraaien titel van Garde d’Honneur uit de aanzienlijke kringen zijner kersversche onderdanen, als verkapt onderpand hunner getrouwheid, liet overbrengen naar Frankrijk,” aldus historicus Tutein Nolthenius ruim een eeuw later in nog altijd vinnige bewoordingen. Het Amsterdamse patriciaat verzette zich met man en macht. De burgemeester stelde pas na dreigementen een overzicht ter beschikking van de hoogst aangeslagenen in Amsterdam.

Creatieve smoezen

De ook in Holland ingevoerde Franse bureaucratie hield met griezelige precisie in een 12-koloms kasboek de persoonlijke gegevens van de betreffende families bij. In de kolommen werden onder meer naam, geboortedatum, beroep en jaarinkomsten van de kandidaat-gardist genoteerd. Bij de vermelding van echtgenote of moeder diende haar meisjesnaam te worden genoemd, opdat de Fransen ook zicht kregen op eventuele kandidaten uit die familie. De laatste kolom is het interessantst: daar staan alle opmerkingen die de familie had doorgegeven over de geschiktheid (of niet) van de opgeroepen zoon of echtgenoot.
Vooral bij het lezen van die laatste kolom – waar van alles vermeld staat: vergroeiing of mankheid door gebroken ledematen, zwak gestel, geestelijke labiliteit, onmisbaarheid voor een oude vader of moeder of voor de zaak – is iets te proeven van de opstandigheid en wanhoop waarmee de families reageerden. Werkelijk álles werd geprobeerd: onderduiken, het uitstellen van de betaling van de kosten, het voorwenden van gebreken of ziektes, tot en met het botweg weigeren. Niets mocht baten. Onder dreiging van repercussies tegen familieleden, verbeurdverklaring van goederen, opsluiting in het gevang, of inkwartiering van Franse troepen in het buitenhuis van de familie gingen de meeste families overstag.
Toch zijn de namen van een aantal hardnekkige Amsterdamse dienstweigeraars bekend: Crommelin, Van Halmael, Goll van Frankensteyn en Warin. Soms werden de kandidaat-gardisten samen met hun vader opgebracht – een des te opvallender actie, omdat zeker die vader dan vaak een aanzienlijk burger was: “Crommelin en zijn zoon naar het Verbeterhuis gebracht, wegens weigering Garde d’Honneurschap. Hun zij hulde!” meldde Daniel Boissevain G.Jzn., vriend van de familie, in zijn dagboek. “In die hachelijke tijden was dan ook zulk een openlijk verzet door een voornaam Amsterdammer, lid van de Tribunal de Commerce, van politieke beteekenis en niet door de vingers te zien. Immers, het Fransche gezag kon zich alleen handhaven door strengheid. Ten slotte zag dan ook de jonge Claude zich verplicht het uniform aan te trekken en werd opgestuurd naar Frankrijk.” Wegens zijn koppig volgehouden verzet werd de vader van de gardist Arend van Halmael zelfs weggevoerd naar Parijs, waar hij tot oktober 1813 gevangen zat.
Andere weigeraars werden onder militair geleide naar Frankrijk getransporteerd. Zo werden Pieter Hendrik Goll van Frankensteyn en Jan Nicolaas Warin uit Amsterdam samen met vier dienstweigeraars uit andere departementen door de gendarme bij hun regiment in Metz afgeleverd. Een bron ter plekke meldde later dat “Goll en Warin vanwege hun voortdurende verzet in de legerplaats in ‘politieke kleren’ lopen”.

Morsige onderkomens

Ondanks dit taaie verzet van enkelen meldden zich voor de Garde d’Honneur ook vrijwilligers. Zij kregen daarvoor in ruil kwijtschelding van kosten of een hogere rang aangeboden. Van de 151 gardisten die tussen 26 juni en 31 juli 1813 uit Amsterdam vertrokken, hadden zich er vijftien vrijwillig gemeld. Onder hen was brigadier Abraham Vinkeles, vader van de latere schilder Reinier Vinkeles. Van de tekening die vader Vinkeles maakte van het vertrek van de Garde d’Honneur bij de Weesperpoort, maakte Reinier later een gravure.
Het gros van de Amsterdamse gardisten bereidde zich terdege voor op het vertrek en op een lange afwezigheid. Zo droeg de ‘korenfactor’ (makelaar in de graanhandel) Jan ter Meulen bij de notaris al zijn zaken, tot en met de uitvoering van zijn testament in geval hij zou sneuvelen, over aan zijn neef. In een brief van 17 augustus 1813 uit Arlon is hij vol zorg over zijn verloofde Agnes. Hij vraagt zijn neef en diens vrouw “haar zoveel mogelijk te troosten. Hetgeen gij voor haar doet, reken ik als voor mij geschied.”
Bij de aanvang van hun reis naar Frankrijk, die zij te paard aflegden, kregen de gardisten strikte instructies mee. Na het ochtendappèl was er steeds inspectie van de paarden, waarna men onderweg stapvoets moest rijden. ’s Avonds moesten zij gezamenlijk en ordelijk de stad van verblijf binnenrijden. Daar werden op de markt de verblijfplaatsen voor overnachting bij de inwoners geregeld. Tot ver in België was het onderkomen gastvrij en goed, blijkens reisverslagen en brieven. De gardisten hingen wat rond, bezochten culturele monumenten, de kroeg of een vrouw. Hoe dichter ze bij hun Franse legerplaatsen kwamen, des te meer klaagden zij over het duurder en morsiger worden van hun onderkomens.
Eenmaal aangekomen in hun Franse kazernes, meldden de gardisten in hun brieven naar huis steeds vaker verveling en geldzorgen, en vroegen zij om bankwissels. Een lichtpuntje in de verveling waren de brieven van thuis. Berichten over de krijgshandelingen vernamen de gardisten uit de krant, zo schreef Johannes Stinstra die in Tours gelegerd was. “Het gaat duchtig op een kloppen en daar zullen wij zeker in meedelen,” voorspelde deze Friese doctor in de rechten somber. Hij toonde zich in zijn brieven dubbelzinnig over de vorderingen van het leger van de keizer; de gardisten werden door de geheime politie in de gaten gehouden. De angst voor eventuele gevolgen voor de familie thuis is voelbaar in hun brieven. En niet voor niets, want er broeide het nodige onder de gardisten.
Zeker toen bleek dat ook de gardisten zich in gereedheid moesten brengen om te vertrekken naar het slagveld bij Leipzig, waar het napoleontische leger het dreigde af te leggen tegen de geallieerden. De Garde d’Honneur kwam nu onder een streng militair regime. Al om 3.30 uur werd met de trompet (en later met een geweerschot) tot het appèl opgeroepen. Daarna volgde een twee uur durende exercitie met paarden en wapens. Om 9.00 uur was er ontbijt, waarna men opnieuw twee uur moest oefenen. Om 12.00 uur was er de middagmaaltijd, gevolgd door een middagexercitie van drie uur. Bij het avondeten was er voor iedere soldaat een fles wijn. In de vooravond stond opnieuw een exercitie op het programma, waarna iedereen om 9 uur naar bed moest. Wie zich niet of te laat meldde op een van deze tijdstippen, ging het gevang in. Tijdens het exerceren ging het er volgens de verhalen ruw aan toe; er vielen gewonden en soms zelfs doden onder de mannen en paarden.
Gezien de dreigende inzet op het slagveld maakten veel gardisten nu plannen om te deserteren. Anderen saboteerden door een onschuldige wond, opgedaan tijdens het exerceren, open te houden. Er was zelfs een Haagse gardist die een dubbelleven leidde door elders in de stad een kamer te huren, waar hij niet vanaf kwam. Zijn knecht hield in de kazerne de schijn op dat zijn meester ziek was en het bed daar moest houden. Enkelen die ook zo’n dubbelleven leidden, werden gesnapt. In de veronderstelling dat overdag de gardisten toch ergens anders aan het exerceren waren, vertoonden zij zich overmoedig op straat. Daar werden ze door de politie betrapt en teruggebracht naar de kazerne.

Vodden

Onder druk van de verliezen op het slagveld van Leipzig werden de omstandigheden waarin de gardisten leefden chaotischer en smeriger. Diefstal was aan de orde van de dag. In deze anarchie kon je zo je bed kwijtraken aan een paar Franse officieren en daarmee veroordeeld zijn tot slapen in het stro. Sommige gardisten waren behulpzaam bij het in goede banen leiden van de stroom vluchtelingen en terugtrekkende Franse troepen. De laatste dagen voor de capitulatie van Napoleon op 11 november 1813 werden enkele gardisten door de keizer als gijzelaars geïnterneerd. Zij moesten als ruilmiddel dienen bij hun families in de niet meer loyale delen van het keizerrijk. Uiteindelijk werden de gardisten, net als alle andere soldaten en hun officieren, door de geallieerden krijgsgevangen gemaakt.
In deze chaos wisten enkele Hollandse gardisten te ontvluchten. Op 28 december 1813 meldde het Staatkundig Dagblad der Zuiderzee “de terugkomst van vijf leden van de Garde d’Honneur, die het Franse geweld ontvlucht zijn door hun stoutmoedigheid”. Rond die tijd ook wisten Claude Daniel Crommelin en vijf andere gardisten in Langres achter te blijven, met hulp van Franse burgers, en zo te ontsnappen. Zij keerden begin 1814 in Amsterdam terug. De andere gardisten werden begin januari 1814 door de geallieerden vrijgelaten en wisten niet hoe snel ze de benodigde paspoorten van de lokale autoriteiten en geldwissels van thuis moesten verkrijgen om naar Nederland terug te keren. Korenfactor Jan ter Meulen was officieel pas op 20 april 1814 weer een vrij man.
De gebeurtenissen lieten de oud-gardisten niet meer los. Claude Daniel Crommelin tekende in 1858 in op een verzoek om een jaarlijkse bijdrage te geven aan een oud-gardist die in moeilijkheden zat. Hij kende de man nauwelijks, maar kwam over de brug vanwege het gevoel van een gedeeld verleden. Zelfs 50 jaar na dato was er nog steeds contact tussen de gardisten. Zo nodigde de oud-gardist A.F.H. Hoffman zijn vroegere lotgenoten uit voor een diner op 18 juni 1863 op zijn landgoed Vreugd en Rust in Voorburg. De lijst van aanwezigen is kort; velen van de gardisten zijn dan al overleden of zijn inmiddels te oud om de reis naar Voorburg te ondernemen.