Er zijn de nodige raakvlakken tussen de Franse ambtenaar Jean Moulin en de Nederlandse effectenhandelaar Walraven van Hall, mannen die in eigen land uitgroeiden tot middelpunt van de strijd tegen de nazi’s. Allebei dwarsboomden ze de bezetters waar mogelijk, overigens zonder daarbij zelf wapens te gebruiken. Ze slaagden erin het verdeelde verzet te laten samenwerken. En als gevolg van verraad in eigen kring stierven beiden een gewelddadige dood.
Verschillen zijn er ook. Moulin kreeg zijn laatste rustplaats in het aan de allergrootsten voorbehouden Parijse Pantheon. Hij werd in Frankrijk opgewaardeerd tot bijkans mythologische held die in vrijwel elke plaats een straat of school naar zich vernoemd kreeg en wiens leven keer op keer is verfilmd en geboekstaafd. Van Hall daarentegen, bijgezet op de Erebegraafplaats in Overveen, bleef onbekend bij het grote publiek.
Walraven van Hall stamt uit een vooraanstaande Amsterdamse familie. Zijn protestantse voorouders behoorden na hun komst naar Amsterdam in 1787 al snel tot de elite, vooral als juristen, bankiers en politici, en raakten door hun huwelijken nauw verwant aan de regentenfamilies Van Lennep, Den Tex en vooral Boissevain. ‘Wally’ (ook wel ‘Wallie’) was zoon van de liberale effectenhandelaar Adriaan F. (‘Aat’) van Hall en Petronella J. (‘Nel’) Boissevain, die sympathiseerde met de sociaal-democraten. Zelf trouwde hij in 1932 met Tilly den Tex: haar vader en grootvader waren directeur van rederij KNSM.
Na een korte carrière als zeeman belandde Van Hall in de financiële wereld. Via Zutphen verhuisde hij in maart 1940 naar Zaandam. Namens de plaatselijke bankfïrma Weduwe J. te Veltrup & Zoon reisde hij dagelijks naar het hoofdstedelijke Beursplein om er effecten te verhandelen. Aan zijn onbekommerde gezinsleven kwam een eind met de Duitse bezetting. Walraven werd in zijn woonplaats voorzitter van de Nederlandse Unie. Deze volksbeweging wilde het vooroorlogse verzuilde denken doorbreken en de ‘nationale eenheid’ bevorderen. Uit weerzin tegen het nationaal-socialisme sloten velen zich er bij aan.
De leiders zochten een compromis met de bezetter, maar Van Hall en zijn rechterhand Jaap Buijs zagen de Unie vooral als mooie dekmantel voor verzetswerk. In december 1941 verboden de Duitsers de wispelturige beweging, op dat moment de grootste politieke partij ooit. Veel leden gingen vervolgens ondergronds, ook Van Hall. Hij had geld ingezameld voor slachtoffers van de Februaristaking en raakte nu betrokken bij de Zeemanspot, een hulporganisatie voor gezinnen van uitgeweken koopvaardij- en marinepersoneel. Samen met broer Gijs (1904-1977; de latere burgemeester van Amsterdam) lukte het Walraven om via kennissen in de bank- en beurswereld honderdduizenden guldens aan giften en leningen bij elkaar te krijgen. “Ik denk er niet over om mijn makkers, met wie ik samen gevaren heb, nu in de steek te laten”, vertrouwde hij een vriend toe.

Plundering van de schatkist

In de loop van 1942 werd duidelijk dat ook steeds meer andere nazislachtoffers hulp nodig hadden. Beide Van Halls stichtten nu het landelijke Landrottenfonds, dat grote leningen afsloot bij banken en vermogende Nederlanders. Het geld ging naar gezinnen van gevangenen, nabestaanden van geëxecuteerden, ontslagen ambtenaren, familie van arbeidsinzetonderduikers en 9000 ondergedoken joden.
Uit de Zeemanspot en het Landrottenfonds ontstond het Nationaal Steunfonds (NSF). Deze ondergrondse bank, waarvan Walraven de onbetwiste leider was, financierde gedurende de oorlog naar schatting 150.000 personen in nood en sluisde vele miljoenen naar illegale organisaties als de Persoonsbewijzencentrale, spionagegroepen, het gewapend verzet en bladen als Vrij Nederland, Trouw en Het Parool. Toen de Nederlandse regering in ballingschap in september 1944 opriep tot een spoorwegstaking nam het NSF de salarisbetaling op zich van de 33.000 stakende spoormedewerkers, een maandelijkse last van ƒ 5 à 6 miljoen. Tot mei 1945 deelde het NSF meer dan ƒ 85 miljoen uit binnen de illegaliteit.
Ruim tweederde van dit bedrag was afkomstig van De Nederlandsche Bank. Het idee om de nationale kas te plunderen kwam van Gijs van Hall. Hij herinnerde zich de Zweedse luciferproducent Ivar Kreuger, die in de jaren dertig met valse schatkistpromessen miljoenen wist te ontfutselen aan een Italiaanse bank. De Van Halls kregen kassier-generaal C.W. Ritter zover om valse papieren om te ruilen voor echte. Gevaarlijk, want De Nederlandsche Bank werd geleid door NSB-kopstuk Meinout Rost van Tonningen. Vijftien keer vond er in het bankgebouw aan de Oude Turfmarkt een ingewikkelde wisseltruc plaats, waarna de echte waardepapieren bij acht sympathiserende bankdirecties werden omgezet in contant geld. Het was de grootste bankfraude ooit in Nederland. Terecht concludeerde Loe de Jong dat het de Nederlandse illegaliteit wellicht aan van alles ontbroken heeft, maar dankzij het Nationaal Steunfonds in ieder geval niet aan geld.
Terwijl Gijs van Hall zich vooral concentreerde op het NSF, leek Walraven alom aanwezig in het verzet. In het laatste oorlogsjaar was hij betrokken bij de oprichting van de Stichting 1940-1945 en de Binnenlandse Strijdkrachten en de initiatiefnemer van een succesvolle landelijke campagne om de Duitse Arbeitseinsatz te frustreren. Verder bemoeide hij zich onder meer met de hulp aan geallieerde piloten, het onderbrengen van joden, de levering van explosieven aan het verzet en de bemiddeling in ideologische conflicten binnen de verzuilde illegaliteit.
Walravens gezondheid ging tijdens de Hongerwinter van 1944-’45 snel achteruit. “Hij was zelden meer thuis in die maanden, dat was te gevaarlijk geworden”, schrijft Geert Mak in Een kleine geschiedenis va Amsterdam. “Hij had een barre tocht achter de rug, op een fiets met houten banden van Amsterdam naar Zaandam, en hij was bekaf. Zijn vrouw probeerde hem op te warmen, wat te eten te geven. Ten slotte klom ze resoluut op een stoel. Achter uit de keukenkast haalde ze de laatste twee suikerklontjes, zorgvuldig bewaard voor het meest extreme noodgeval. En die mocht hij toen hebben.”

Duur gekochte vrijheid

Op 27 januari 1945 werd Van Hall als gevolg van verraad gearresteerd tijdens een topoverleg op de Leidsegracht. In de gevangenis op de Weteringschans belandde hij in een cel naast zijn eerder opgepakte verzetsvriend Jaap Buijs. Die beschreef in een bewaard gebleven dagboekje Van Halls laatste uren. “12 februari. Een der ellendigste dagen van mijn leven. Wally werd twee keer achter elkaar uit zijn cel gehaald. De tweede keer zei hij dat hij hoed en jas had moeten inleveren en dat dit het einde betekende. (...) Half vier werd hij weer gehaald en toen hij terugkwam, zei hij dat hij ’s avonds met anderen gefusilleerd zou worden. Hij vroeg mij aan Til mee te delen dat zijn laatste gedachten bij haar en de kinderen zouden zijn. Daarna zei hij dat hij een vreselijke strijd had om van zijn liefste te scheiden, en nam toen afscheid. Totaal kapot was ik. Wat is de vrijheid duur gekocht. Toen ik het barse bevel hoorde om uit zijn cel te komen, wist ik me geen raad meer.” Op 12 februari 1945 stierf de twee dagen eerder 39 jaar geworden Walraven van Hall in Haarlem voor een vuurpeloton, als represaille voor een aanslag op een Duitse officier. Na de bevrijding werd zijn lichaam aangetroffen in de Kennemerduinen.
Vanwege zijn enorme inzet, charisma en kennis van zaken betitelde de eerste naoorlogse premier, Wim Schermerhorn, Van Hall als de “volstrekt centrale en leidende figuur van het verzet.” Toch duurde het 65 jaar voor hij werd geëerd met een monument, deels gefinancierd door diezelfde Nederlandsche Bank waaruit de broers Van Hall het kapitaal voor hun verzetswerk roofden.
Dat de ‘olieman’ (een van zijn vele bijnamen) een voetnoot in de historie dreigde te worden, heeft meerdere oorzaken. Een belangrijke is dat zijn familie zoals altijd de publiciteit meed. Zijn beste vriend, Jaap Buijs, was te getraumatiseerd om over de oorlog te spreken, Van Halls hoofdkoerier, L.C. Weeda, vertrok na de bevrijding naar Nederlands-Indië, kassier Ritter en andere bankiers wilden niet te koop lopen met hun ‘frauduleuze’ oorlogswerkzaamheden. En al deed Gijs van Hall in zijn memoires nog wel een poging lof toe te zwaaien aan zijn broer, van dat boek bleef vooral het beeld hangen van een burgemeester die zijn taak niet tot een bevredigend einde wist te brengen.
Rutger Hauer broedt al een paar jaar op een internationale speelfilm over Walraven van Hall. Misschien zijn dit de laatst benodigde zetjes om Van Hall dezelfde naamsbekendheid te geven als bijvoorbeeld Hannie Schaft, Erik Hazelhoff Roelfzema en Gerrit van der Veen.