De jonge verslaggeefster Ellen Kahn* ging in 1934 voor De Groene Amsterdammer op bezoek bij de kersverse inwoners van pas gebouwde atelierwoningen in de Zomerdijkstraat. Zij kwam eens kijken naar hun "machtige huizenblok", dat uit de zandvlakte van Zuid was verrezen. Het functionele uit een sterk staalskelet opgebouwde complex was ongewoon voor Nederland. Inspiratiebron waren enkele hypermoderne atelierwoningen in Parijs, ontworpen door de architect Le Corbusier.
Zijn Nederlandse navolgers Zanstra, Giesen en Sijmons creëerden "een beknopte woning en goed atelier bijeengelegen" met specifieke eisen voor de beroepsgroep: een groot raamoppervlak met veel noorderlicht, voor beeldhouwers op de begane grond en op de verdiepingen daarboven voor schilders. Zo telt het blok aan de noordkant vier verdiepingen met ateliers en aan de zuidkant zes woonlagen, met vóór afwisselend grote en kleine splitlevelwoningen. Buiten strookvensters, patrijspoorten en afneembare balkons; binnen fonteintjes, vloeren van (kops)hout, keukentje en slaapplaats.
Dit 'Mokums Montparnasse' midden in Berlage's Rivierenbuurt vonden sommigen afgrijselijk en anderen juist prachtig. Dus klom verslaggeefster Ellen Kahn de houten trappen op ("die hadden heusch wel wat beter gekund") en belde bij de bewoners aan met de vraag: "En, wat denken jullie er nu eigenlijk van?"

Zeldzaam bezoekje

Inmiddels bestaat 'de' Zomerdijkstraat 80 jaar, een mooi voorbeeld van het functionele Nieuwe Bouwen. Vanaf 1934 bewoonden meer dan 200 kunstenaars deze 'culturele bijenkorf'; lang of kort, meer en minder beroemd, met of zonder familie. In deze woon- en werkplaatsen is veel verdroomd.
Beeldhouwster Jet Schepp woont er sinds 1969, eerst alleen en later met Paul Grégoire (overleden in 1988) op nummer 22-huis. Ze is ambitieus – op eigen initiatief boetseerde zij het Anne Frankbeeldje voor het Merwedeplein, waarvan onlangs een bronzen replica is onthuld in Buenos Aires – én sociaal. Zo lette ze op haar collega's Cor Hund, Justa Masbeck en Esther Roelofs in hun laatste dagen.
De sociale controle is kenmerkend voor het complex; je hoort er altijd wel íets over de buren. Zoals over de zich afzonderende Esther dat ze tijdens de Open Ateliers Rivierenbuurt een zeldzaam bezoekje bracht aan medebewoner Jan Grotenbreg, die sinds 1976 bovenin het gebouw zit. Toen de schilder hier kwam wonen, raakte hij geïnspireerd door het uitzicht van fraaie wolkenluchten en de vermenging van koel noorderlicht met warmer licht van de zuidkant. Ook beeldhouwer Geer Steyn benoemde het licht: nadat hij in het zuidelijke licht van Italië in een steengroeve aan een beeld had gewerkt, hakte hij er in Amsterdam meer van af: "Dit is het land van Mondriaan, van het koele verstand."
De ruimte is niet helemaal je van het. Er zijn ongemakken. In de kleinere atelierwoningen is het ondoenlijk om creaties van enig formaat op afstand te bekijken en is voor grotere werken de opslagruimte ontoereikend. Dat merkte Mies de Roos toen zij na de plotselinge dood van haar man, schilder Jaap Hillenius, een extra atelier moest huren als depot. Een ander probleem is het gebruik van stinkende stoffen als lijnolie en terpentijn. Zo zegt Grotenbreg "niks meer" te kunnen doen zodra de wind van noord naar zuid draait: "Dat ruik je meteen, het trekt je huis door. Dan zet ik m'n schilderijen op de gang."

Kunstenaarskolonie?

De architecten verwachtten dat de artistieke sfeer van de bewoners tot gezamenlijke activiteit zou leiden. Er werden groepssessies (model)tekenen en boetseren gehouden en er was een enkele expositie in 1954. Bewoners portretteerden elkaar in de jaren vijftig – Charlotte van Pallandt de kop van Fred Carasso en Piet Esser die van Ro Mogendorff – en portretschilder Theo Swagemakers de buurkinderen. Maar als groep traden zij niet naar buiten. In de jaren vijftig-zeventig kozen de meesten voor figuratie en slechts enkelen, onder wie Jaap Wagemaker en Jan Wolkers, voor abstractie. Later lieten Marianne Baars en Alite Thijsen de buurt kennismaken met exposities in hun atelierruimte, wat leidde tot de populaire Open Atelierdagen.
Veel kunstwerken zijn tussen 2003 en 2008 geëxposeerd op de tentoonstellingen Zomerdijkstraat Retrospectief bij veilinghuis Glerum en ter ere van het 75-jarig bestaan in 2009-2010 bij Arti et Amicitiae en in een 'minimuseum' in een Zomerdijkstraatatelier. Organisator was Marcella van Zanten – dochter van beeldhouwer en ex-bewoner Ek van Zanten – en voormalig stadsdeel Zuideramstel de sponsor. Vooral de verscheidenheid aan stijlen viel op. De enige die een stempel drukte op 'de' Zomerdijkstraat was beeldhouwer Piet Esser, die als hoogleraar aan de Rijksakademie jarenlang zijn leerlingen in atelierwoningen wist te plaatsen, voordat woningcoöperatie (Lieven) de Key die in beheer nam.
Een kunstenaarskolonie is de Zomerdijkstraat dus nooit geworden en ook de huidige bewoners leven behoorlijk op zichzelf. "Die romantiek van gezamenlijk kunstenaarsleven is nu passé", zei beeldhouwer Geer Steyn in 2003. Lange tijd woonden er veel kunstenaarsweduwes, maar langzamerhand zijn de bewoners verjongd. Er wordt vooral individueel gewerkt. "Ik ben met mijn eigen werk bezig en moet mijn energie niet in anderen steken", bekende een bewoonster. Die houding lijkt op te gaan voor velen. Toch zorgt hun gedeelde beroepspraktijk ook voor saamhorigheid, waardoor zij het met elkaar uithouden.

Gehorig

Toen architect Piet Zanstra op zijn oude dag het gebouw in de jaren tachtig bezocht, ontmoette hij in de weelderige voortuintjes Esser, die hem toeriep dat hij er met zijn gezin altijd "met veel plezier" had gewoond. "Zeer tevreden" had ook Ellen Kahn in 1934 genoteerd uit de mond van de eerste bewoners. Een punt van kritiek was destijds de gehorigheid, met name in de schildersateliers: "daar is de gehoorigheid zoo sterk dat men, naar men mij verklapte, niet eens met goed fatsoen over zijn buurman kan kwaadspreken." Fotografe Mies de Roos kon de gesprekken van de hardhorende benedenbuurman Jan Wolkers "woordelijk volgen". Het is een hardnekkig probleem gebleken. Pas door een renovatie in 1990 is het iets verbeterd, maar nog altijd is het gebouw door de stalen constructie uiterst gehorig.
Die geluidsoverlast wordt nú juist in de strijd geworpen om de atelierfunctie te behouden, ook voor een toekomstige generatie. Stadsdeel Zuid heeft in 2014 een streep getrokken door de woon- en werkfunctie van het pand, door het bestemmingsplan te wijzigen – geen atelierwoningen meer – en een splitsingsvergunning te verlenen aan Woningstichting De Key. De eerste 'appartementen' zijn inmiddels al verkocht. De bewoners hebben aan de bel getrokken. De vermenging van huur- en koopwoningen en die van kunstenaars en niet-kunstenaars zal zeker vanwege de gehorigheid problemen geven, zeggen zij. "U kunt zich misschien wel voorstellen dat een mengvorm van particuliere eigenaars en kunstenaars in een uiterst gehorig gebouw tot conflictsituaties kan leiden", liet Jacqueline Lamme van nummer 24 weten op een bijeenkomst met bestuurscommissieleden van stadsdeel Zuid in december 2014.

Winstmaximalisatie

Het verdwijnen van de ateliers tast het eigen karakter van het complex aan. De bewoners benadrukken dat het uiterlijk en de functie van het gebouw, onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Zo hebben de architecten het bedoeld. De bestuurscommissie Zuid geeft toe dat er een 'foutje' in het bestemmingsplan is geslopen, maar haar bestuurlijke rol is uitgespeeld en overgenomen door de centrale stad. Cultuurwethouder Kajsa Ollongren stelt dat er geen afspraken zijn gemaakt die een "marktconforme verkoop" in de weg staan. De bewoners vestigden eerder hun hoop op de stichting Diogenes, die het complex zou kunnen behouden door het aan te kopen, maar De Key wees zo'n aankoop af vanwege haar wettelijke verplichting tot 'winstmaximilisatie'. Of wethouder Laurens Ivens van Bouwen en Wonen er alsnog in slaagt een oplossing te vinden? Er is haast bij, want drie atelierwoningen zijn al verkocht en één woning komt vrij.
Ook andere ateliers en atelierwoningen – zo'n 230 in Amsterdam – dreigen te worden verkocht. Als dat gebeurt blijven alleen (gekraakte) broedplaatsen over, betaalbare behuizingen in tijdelijke panden die corporaties willen afstoten. Belangenverenigingen van kunstenaars waarschuwen dan ook voor het verlies aan beschikbare ateliers.
Het einde van 'de' Zomerdijkstraat als groot complex van ateliers en atelierwoningen zou een periode van 80 jaar afsluiten waarin een bonte stoet kunstenaars geschiedenis schreef. Amsterdam kan toch niet de klok een eeuw terugzetten? Terug naar de tijd dat slechts een klein aantal kunstenaars als George Hendrik Breitner en Isaac Israëls zich een goed, eigen atelier konden veroorloven? De bouw van deze atelierwoningen midden in een zware crisistijd bracht daar juist verandering in! De Zomerdijkstraat is een lichtend voorbeeld van cultureel erfgoed, waar zo velen de mond van vol hebben. In het verleden is meer cultuurgoed met één pennenstreek klakkeloos beëindigd – en daarmee voorgoed verdwenen. Staat dat hier ook te gebeuren?

Sporen en verhalen

Bewoners van de Zomerdijkstraat lieten hun sporen na: aan de Churchilllaan is feministe Wilhelmina Drucker vereeuwigd door beeldhouwer/verzetsman Gerrit Jan van der Veen. Zijn werkbank wordt bewaard bij beeldhouwster Ida Kleiterp op nummer 16 en een gevelplaquette door buurman Federico Carasso herinnert aan hem. Ooit ergerde bewoner Jan Wolkers zich aan het bloemstuk dat er vanwege de 4 mei herdenking aan was bevestigd ("Waarom weet ik niet, maar ik haatte die bloemen", Turks Fruit). Balletdanser Hans van Manen kreeg er zijn opleiding bij Sonia Gaskell, die haar dansers fanatiek aanvuurde in de studio op nummer 26. En danser Conrad van de Wetering stond voor het verzetsmonument De Vaandeldrager model in het beeldhouwersatelier van Marius van Beek op 24. De zusjes Carla en Loes Wenckebach (alias monumentaal kunstenares Loes van der Horst) verborgen in de oorlog een onderduiker op nummer 30 in de kast, terwijl beneden hen een NSB'er zat ("geen kunstenaar"). Carasso's zoon Dedalo ervoer hoe hij als kunstenaarskind werd buitengesloten door een buurjongen, omdat die "aan de achterkant van de ateliers door de ramen heen niet nader door hem onder woorden gebrachte taferelen had gezien (...)".